Paola Antonelli wil graag een Boeing 747 in het Museum of Modern Art. En een blokje Post-Its. Het ene is niet noodzakelijk gemakkelijker dan het andere.
...

Paola Antonelli wil graag een Boeing 747 in het Museum of Modern Art. En een blokje Post-Its. Het ene is niet noodzakelijk gemakkelijker dan het andere.Haar naam is Paola Antonelli. Ze is conservator in het Department of Architecture and Design van wat nog altijd kan worden beschouwd als het belangrijkste museum voor moderne kunst ter wereld, het MOMA van New York. Goed, maar wat doet ze precies? "Een conservator", zegt ze, "ontfermt zich over een collectie. Een conservator houdt die netjes en onberispelijk." Dat conserverende aspect is de ouderwetse definitie van haar metier. Wat haar écht interesseert, is vernieuwende tentoonstellingen opbouwen en het aankoopbeleid van het museum sturen. "Ik ben geboren en opgegroeid in Milaan", vertelt Antonelli op een zachte maandagochtend in New York. "Ik heb architectuur gestudeerd. Achille Castiglioni was een van mijn leraren. Maar ik was een ramp als architect: ik heb geen gram geduld." Ze vond gauw een alternatief: schrijven, eerst voor Domus en daarna voor Abitare, twee belangrijke Italiaanse architectuurbladen met de hele wereld als hun afzetmarkt. Daarnaast zette ze een aantal tentoonstellingen op het getouw. "Ik ben gepassioneerd door hedendaags design. Dat ik uit Milaan kom, zal daar wel iets mee te maken hebben." Het vieren van design, daar is het haar om te doen. "Er zijn verschillende manieren voor: boeken en artikelen schrijven, cursussen geven, tentoonstellingen organiseren. Daar draait mijn leven om." In de vroege jaren negentig verhuisde Antonelli van Italië naar Californië, waar ze les gaf aan de UCLA-universiteit. Vandaar kwam ze in New York terecht, bij het Museum of Modern Art. Daar zit ze nu, in het gezelschap van haar assistente en een reporter, in een krap bureau. Van de ingang van het museum, aan West 53rd Street in het centrum van Manhattan, klinkt luid rumoer: er wordt die ochtend door het personeel gestaakt. "Ach", zegt Antonelli, "als je in Italië bent opgegroeid, ben je wel wat anders gewoon." Dat geldt overigens ook voor design. Ze ziet grote verschillen met Europa. "De VS zijn het sterkst in communicatiedesign, in anoniem design. Maar Amerikanen vinden het moeilijk gewoon design ernstig te nemen. Italië, om een Europees voorbeeld te geven, is dan weer niet goed in branding. Maar design wordt er wel enorm geapprecieerd, door iedereen. Ik ben zelf de dochter van twee artsen, maar tijdens mijn jeugd ben ik altijd omringd geweest door goed design." De designcollectie van het MOMA is groot zonder gigantisch te zijn: drieduizend voorwerpen, vijfduizend affiches, duizend tekeningen. "We bezitten de belangrijkste voorwerpen."Antonelli beslist niet zelf over wat in de collectie wordt opgenomen. Een comité dat maandelijks samenkomt, bespreekt de mogelijkheden. De voorstellen gaan naar het aankoopcomité, dat twee maal per jaar vergadert. "We bekijken alles. Soms aanvaarden we schenkingen, maar ongevraagde postpakjes gaan terug naar afzender. Dat heeft met verzekeringen te maken." Wat zijn volgens haar de interessantste aanwinsten van de voorbije maanden? "Oef, moeilijke vraag. Een set Legoblokjes", zegt ze, na lang nadenken. Haar assistente, een jonge vrouw uit Nieuw-Zeeland, heeft nog enkele suggesties: "Enkele ontwerpen van de gebroeders Campana, de May Day-lamp van Konstantin Grcic, de Luccelino van Ingo Maurer, de artisjoklamp van Poulsen uit de jaren vijftig, die hadden we nog niet, de eerste Swatch uit 1983, een zwart horloge." Antonelli lijkt meer geïnteresseerd in de voorwerpen die ze nog niet heeft. Zoals een Boeing 747. "De zaak wordt besproken, het lukt ons wel." (Het museum is al de trotse bezitter van een helikopter). Ze is ook geïnteresseerd in de signalisatie van de metro van New York, een ontwerp van Massimo Vignelli. En, verrassend: "Momenteel vechten we om een Post-It te verwerven." Vechten? Terwijl je toch naar een winkel met kantoorbenodigdheden kunt stappen? Zo gemakkelijk is een museum runnen dus niet. Het Museum of Modern Art werd geopend in 1929. De eerste tentoonstelling over design, Machine Art, dateert van 1934. " Philip Johnson, de initiatiefnemer van die tentoonstelling, gaf als eerste het bewijs dat industrieel design mooi kan zijn. Dat een stalen holster net zo verleidelijk kan zijn als een sculptuur van Brancusi." In de brochure, die enkele jaren geleden werd heruitgegeven, een lange lijst met gewone en minder gewone voorwerpen, waaronder de befaamde Toastmaster, een handvol gloeilampen, pannen van roestvrij staal, een frietketel, een elektrische klok van Herman Miller, een spectroscoop, een viscosimeter, en een zakpolarimeter: alles samen 402 in de handel verkrijgbare producten, telkens met prijsvermelding, in de stijl van een postordercatalogus. Johnson, die geboren werd in 1906, begon zijn professionele carrière als tentoonstellingmaker en architectuurcriticus. Hij haalde als eerste Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier naar de Verenigde Staten. Zelf behaalde hij zijn architectuurdiploma pas in 1943, onder leiding van Marcel Breuer. Sindsdien is Philip Johnson natuurlijk een belangrijk architect geworden. Zijn eigen woning, een glazen doos op stalen poten, bouwjaar 1948, staat in elke architectuurencyclopedie. Zijn kernreactor in Israël, gebouwd in 1966, is minder bekend en over zijn postmoderne torengebouw voor AT&T in Manhattan brak begin de jaren tachtig nogal wat controverse los. In 1994 schreef Johnson een nieuw voorwoord bij Machine Art. Van zijn oorspronkelijke selectie hield hij zestig jaar later slechts vier voorwerpen over, waaronder een zilveren schaal van Henry Van de Velde en zijn eigen tentoonstellingsontwerp. " Vandaag", schreef hij, " vind ik dat het beste design in de tentoonstelling en de catalogus niet in de elegante, eenvoudige voorwerpen zit, maar in de bijzondere, meer artistieke voorwerpen." "Johnson is nog altijd zeer actief in het departement design", zegt Antonelli over de dinosaurus van de Rainbow Room. "Hij komt altijd voor zijn mening uit, zegt precies wat hij denkt. Hij weet heel veel." Antonelli organiseerde haar eerste tentoonstelling voor het museum in datzelfde jubileumjaar 1994: Mutant Materials in Contemporary Design. "Philip", zegt ze, "beschouwde Mutant Materials als een update van zijn tentoonstelling. Ik was erg geflatteerd. Met die tentoonstelling wou ik uitleggen hoe bijzonder hedendaags design is. Vooral hier, in de Verenigde Staten, wordt design nog altijd beschouwd als iets artistieks, zoals binnenhuisinrichting, het wordt zelden genomen voor wat het echt is. Ik wou vooral tonen hoe voorwerpen gemaakt worden." De tentoonstelling ging onder meer over wat Antonelli "de waarheid van materialen" noemt. Die waarheid is veel minder absoluut dan in het verleden. Nieuwe technologieën worden gebruikt om het uitzicht en het gebruik van bestaande materialen te wijzigen en om nieuwe materialen te creëren. Plastic kan even transparant zijn als glas en even glanzend als aluminium, hout even zacht als textiel. "De creatie van een mutant materiaal begint met design, met het transformeren van een bestaand materiaal in iets wat nuttiger en gebruiksvriendelijker is: aarde wordt glas of keramiek, olie wordt plastic. Het ideale geavanceerde materiaal is blijvend, flexibel, bestand tegen corrosie en sleet, en recycleerbaar." In de catalogus van Mutant Materials gaf Antonelli het voorbeeld van met koolstofvezel gemengd staal: superplastic, dat gemakkelijk tot tien keer de oorspronkelijke lengte kan worden gerekt, zonder structurele gebreken. " Met de verfijning van bestaande technologie", schreef ze, " kan plastic tegenwoordig zowat elke vorm aannemen. Polyurethaanschuim bezit geheugen, misschien de meest wensbare kwaliteit in een hedendaags materiaal. Het kan zich bijvoorbeeld de vorm van onze voeten in onze skilaarzen 'herinneren' of de contouren van ons lichaam in de rugsteun van stoelen." De tentoonstelling, die per materiaalsoort was onderverdeeld, vertoonde inderdaad veel overeenkomsten met Machine Art. Als de doorsnee museumbezoeker zich in 1934 afvroeg wat er in hemelsnaam zo artistiek was aan een braadpan, dan stelde hij in 1994 misschien dezelfde vraag over schijnbaar banale voorwerpen als de Air Moc-schoen van Nike, de plooibare rolstoel van designer Kazuo Kawasaki (een titaan frame, oversized wielen, voor een totaalgewicht van 5,9 kg), of de Aeron-bureaustoel van Donald Chadwick en William Stumpf voor Herman Miller (volgens de designers een mutante versie van de klassieke Thonet-stoel). Antonelli's volgende tentoonstelling, in 1996, ging over hedendaags design uit Nederland. "De objecten zijn visueel zo spaars dat ze er 'arm' uitzien, een illusie die niet wordt weerspiegeld door het productieproces of de verkoopprijs. De producten zien er vaak industrieel uit, maar zijn in werkelijkheid vaak met de hand gemaakt, in bijzonder kleine oplagen. De Nederlandse designers vertegenwoordigen de expressionistische, extremistische golf van een meer algemene trend."www.moma.orgJesse Brouns / Foto Bart Michiels