Het is een jongensdroom die waar wordt. Ik was sprakeloos toen mevrouw Lauwens, onze artistiek directeur, me voorstelde om deel te nemen aan de Prix de Lausanne. Dat is een soort Elisabethwedstrijd, maar dan voor studenten klassieke dans.
...

Het is een jongensdroom die waar wordt. Ik was sprakeloos toen mevrouw Lauwens, onze artistiek directeur, me voorstelde om deel te nemen aan de Prix de Lausanne. Dat is een soort Elisabethwedstrijd, maar dan voor studenten klassieke dans. Tachtig deelnemers uit de hele wereld krijgen enkele dagen lessen van de beste leraren. De jury kiest twintig finalisten. De winnaar mag een jaar gratis studeren aan de balletschool van zijn of haar keuze. Ook als ik de finale niet haal, beschouw ik het als een ongelofelijke kans : wat die week in Lausanne gebeurt, dat is de toekomst van de danspodia. Ik verzeilde er toevallig in. Mijn moeder ging naar Dansstudio Arabesque in Deurne. Op een dag vroeg Irma Swynen, de directrice, waarom ik niet een paar lessen volgde. Daar had ik niet eens aan gedacht : ballet, dat was toch niets voor jongens ? Op mijn twaalfde ging ik naar de Koninklijke Balletschool. Mijn ouders maakten zich zorgen dat ik niet genoeg algemene vakken had, maar met deze opleiding behalen we een diploma KSO. De dans, die komt er gewoon bij. In het eerste jaar zijn dat wekelijks dertien extra lessen. Nu, in het vijfde jaar, zit ik al aan 27 uur dans. Tien uur klassiek, negen uur repertoire, twee uur hedendaags, twee uur variaties, twee uur pas de deux, een uur Spaanse en een uur karakterdans. Plus de voorbereiding voor de Prix. Mijn klasgenoten zijn blij voor mij, ze vinden dat ik het verdien. Ik ben immers niet gebouwd als een klassieke danser. Sommigen hebben van nature een doorgestrekt been, maar ik heb jaren geoefend om goede voeten en hogere benen te krijgen. En ik moet eraan blijven werken. Er zijn weinig dagen zonder pijn. Meestal kleine dingen : een teen die bloedt, blauwe plekken, spierpijn in je armen. Dansers zijn al niet zo struis, toch moeten ze de kracht hebben om meisjes in de lucht te steken. Vooral in het begin ben je bang om een meisje te laten vallen. Dat gebeurt, ja. Ook bij beroepsdansers, en in de klas komt daar soms ruzie van. Ideaal is het meisje iets kleiner dan de jongen als ze op haar pointes staat. En helemaal leuk en mooi wordt het als het écht met iemand klikt. Pas de deux, dat is eeuwig zoeken naar chemie, elke dag opnieuw. Tot op welke leeftijd je danser kunt blijven, is onzeker. Veel hangt af van hoe blessure-gevoelig je bent. Misschien dans je op 35 nog grote rollen en evolueer je mee met wat men verlangt. Maar als je op je 24ste een ruggenwervel breekt, is het afgelopen. Vroeg of laat moet je iets anders gaan doen. Elke dag ga ik om halftien slapen, uitgeput. Dan nog zijn er dagen dat je je een beetje ziek voelt, dat je moe bent, een taak van Engels had en nog een boek moest lezen, en toch moet je om halfzeven opstaan want om acht uur moet je er weer staan, klaar om te dansen. Elke dag moet je er goed uitzien en verzorgd zijn. Mijn haar moest ànders toen ik op de balletschool kwam. Jongens mogen lang haar hebben, maar klassiek, zo neutraal mogelijk om overal inzetbaar te zijn. Een prins van Het Zwanenmeer heeft toch geen stekeltjeskapsel ? Op de meisjes wordt nog meer gelet. Maar dat velen anorexia zouden hebben, is een fabeltje. Je zou moeten zien wat wij verorberen tijdens de lunchpauze. Als je traint van acht tot zeven, dan moet je gezond maar stevig eten. Je traint geen hele dag op alleen maar appelen of citroenen. Edo Wijnen (16), vijfdejaarsstudent aan de Koninklijke Balletschool Antwerpen, is de laatste week van januari in Zwitserland voor de prestigieuze Prix de Lausanne. Tekst Griet Schrauwen / Foto Charlie De Keersmaecker