Algemeen directeur van het Flanders Fashion Institute (FFI)
...

Algemeen directeur van het Flanders Fashion Institute (FFI) Ik ben een stadskind. Het platteland is me te afgelegen. Ik zou in elke stad kunnen wonen, honkvast ben ik niet. Ik ben voor cursussen en seminaries naar Cambridge, Perugia en Amsterdam getrokken en ik heb een aantal maanden in Marokko gezeten, maar ik kwam altijd terug. Ik ben geboren in Merksem, Antwerpen is mijn thuis. Glamour en glitter staan ver van mij af. Toen ik in oktober voor de eerste keer de Parijse modeweek bezocht, wist ik amper wat een defilé was. Al doen Vlaamse ontwerpers zelden mee aan die poespas. Hun shows in Parijs zijn verzorgd en áf, maar het gaat hem om de inhoud, niet om BV's. Ik heb altijd in een mannenwereld gewerkt. Via het FFI word ik met meer verschillende mensen geconfronteerd : mannen én vrouwen, hetero's en holebi's. Dat ligt me, want ik ben zelf een vrouw van extremen. Soms teruggetrokken en ingetogen, dan weer extrovert en uitbundig. En al kan ik veel geduld hebben, plotseling is dat op. Ik kan heel drastisch uit de hoek komen. Ik heb altijd graag en veel gewerkt. Zelf noem ik dat plerken : werken met plezier, en daar ken ik geen maat in. Aan hobby's of sport kom ik niet toe. Ik hoef niet meer dan vier uur te slapen. Ik sta bijna elke dag op om halfvijf, soms zelfs al eerder. Dat is gewoon mijn bioritme. Als ik langer in bed lig, ben ik niet noodzakelijk meer uitgeslapen. Ik zou graag blijven zoals ik nu ben. Ik voel me goed in mijn vel, de ouderdomsverschijnselen laten zich nog niet te hard merken en in mijn loopbaan wil ik er echt voor gaan. Het FFI is wat mij betreft een opdracht van jaren. Ik maak me geen illusies over mijn naamsbekendheid. Tot voor zes maanden kende niemand in de modewereld me. Anderen mystificeren en idealiseren mijn functie, maar zelf blijf ik nuchter. Ik besteed meer aandacht aan mijn uiterlijk. Vroeger maakte het me niets uit waar mijn kleding vandaan kwam. Ik was ook een neofiet wat trends betreft. Nu heb ik meer respect voor de Belgische mode-industrie en creativiteit. Functionaliteit en draagcomfort blijven het belangrijkste, maar ik hou 's ochtends wel rekening met de afspraken in mijn agenda die dag. Mode hoeft voor mij niet elitair te zijn. Mensen rekenen mode altijd tot de luxesector, maar dat moeten we opentrekken. Zeker in een tijd waarin duurzaamheid en ethisch ondernemen belangrijk zijn. Ik ben geen verlegen type. Ik ben vrij zelfverzekerd. Ook als ik ergens niets van weet. Dat kan ik meteen toegeven. Ik wil observeren en bijleren. In de showrooms in Parijs dacht ik : waarom doet het FFI dat niet ? Vorige maand hadden we voor het eerst een showroom met drie jonge Belgen op de modeweek, in de residentie van de Belgische ambassadeur aan de place de la Madeleine. Ik kan overweg met politici, maar ik wil er zelf geen zijn. Daarvoor is de politiek me te traag. Ik ben resultaatgericht en direct - ik hou er niet van als mensen rond de pot draaien. Maar hoe ouder ik word, hoe meer geduld ik kan opbrengen. Voor wie geduld heeft, komt alles op tijd. Ik wil bereikbaar zijn. Zelf stap ik ook gemakkelijk op jonge ontwerpers af. Ik wil wéten wat hen bezighoudt. Maar omgekeerd moet de drempel even laag liggen. Het FFI moet een open deur zijn, ook voor Nederlandstalige afgestudeerden van La Cambre of buitenlandse ontwerpers die zich hier vestigen. We zijn er ook voor de gevestigde waarden, maar die hebben ons eigenlijk niet nodig. Edith Vervliet (48) was vóór het FFI werkzaam in managementsfuncties bij uitgeverijen als Biblo, Kluwer, The Publishing Company en de businessschool in Antwerpen. Als projectmanager bij het Antwerp Business Center haalde ze buitenlandse bedrijven naar Vlaanderen. Door Wim Denolf / Foto Saskia Vanderstichele