Toen de Audi TT in 1998 gelanceerd werd, was iedereen het over één aspect eens : de wagen was de perfecte belichaming van een uiterst doorgedreven design. De resultaten lieten dan ook niet op zich wachten en de TT werd her en der met prijzen overladen. Kort na de lancering werd het idyllische beeld even verstoord door (vermeende ?) problemen met de wegligging bij een lastenwissel in snel genomen bochten en dat leidde tot het monteren van een minimaal spoilertje op de koffer, dat de lijn geenszins heeft geschaad.
...

Toen de Audi TT in 1998 gelanceerd werd, was iedereen het over één aspect eens : de wagen was de perfecte belichaming van een uiterst doorgedreven design. De resultaten lieten dan ook niet op zich wachten en de TT werd her en der met prijzen overladen. Kort na de lancering werd het idyllische beeld even verstoord door (vermeende ?) problemen met de wegligging bij een lastenwissel in snel genomen bochten en dat leidde tot het monteren van een minimaal spoilertje op de koffer, dat de lijn geenszins heeft geschaad. In vijf jaar is de TT op allerlei manieren volwassen geworden. Er is de roadster bij gekomen (nu ook met hardtop) en de te verwachten quattro-versie heeft zijn opwachting gemaakt. Los daarvan, werd het aanbod van motoren uitgebreid zodat de koper de keuze heeft uit een aantrekkelijke waaier van mogelijkheden, al zijn die alle gestoeld op het 1.8 liter motorblok mét turbo, maar dan wel naar keuze met een potentieel van 150, 180 of 225 pk. Daarnaast bestaat er een keuze tussen manueel of automatisch rijden, volgens het inmiddels befaamde Tiptronic-systeem. Zelf kiezen we bij de kennismaking voor een TT met 180 pk onder de kap, gekoppeld aan een zestraps-Tiptronic, onder een zeer aantrekkelijk kleedje in Mauritius -blauw. De bestuurder kan van automatisch rijden simpelweg switchen naar manueel schakelen, het volstaat een toets op de stuurrand in te drukken of de pook aan te halen. Tijdens de testrit betrappen we ons erop dat we meestal gewoon automatisch rijden, in het moderne stadsverkeer blijft dat de meest ontspannen oplossing. Als we dan toch verkiezen te schakelen, klimt de motor opwindend snel in de toeren. Terwijl hij in de zesde versnelling met 120 km/uur nog keurig onder de 3000 toeren blijft. Het geheel nodigt zowel uit tot probleemloos en ontspannen rijden als tot een meer sportieve aanpak, al kunnen we de critici volgen als ze stellen dat de stevig afgeveerde TT geen rassportauto is. Dat is ook nooit de bedoeling van de constructeur geweest, wel is zeker dat de TT tussen 1950 en 5500 toeren continu eenzelfde flink pak trekkracht in reserve houdt (dat is geruststellend voor wie op veilig mikt). De stoelen zorgen voor een optimale steun, waardoor de rijder zich helemaal één kan voelen met de machine. Anderzijds is de omschrijving '2+2' een eufemisme voor plaatsgebrek achterin. Wel kan de rugleuning van de achterbank in twee delen worden teruggeklapt en dan ontstaat een zeer bruikbaar koffervolume voor wie met zijn tweetjes op reis wil. Blijft de rugleuning rechtop, dan blijft het volume beperkt tot 270 liter (in de quattro-versie zelfs maar 220 liter). Door de eigenzinnige styling is het laden niet echt makkelijk, en wie 's avonds de lichten aanzet, ziet het instrumentenbord veranderen in een oranje kerstboomverlichting en mist wat overzichtelijke soberheid. De standaarduitrusting van deze coupé oogt bepaald indrukwekkend en onderstreept de zorg die aan de veiligheid is besteed. Ze bestaat uit twee frontale airbags en zijdelingse airbags, geïntegreerd in de voorstoelen, een antiblokkeersysteem met elektronische remdrukregelaar, de ASR-antispinregeling die op de motorsturing ingrijpt en het elektronisch stabiliteitsprogramma dat op de remmen inspeelt. De binnenbekleding is een mix van leer en alcantara en de TT staat op aluminium 16-duimsvelgen. De sportstoelen voorin zijn standaard en in de hoogte regelbaar, de kleine ruiten die voor een zekere intimiteit zorgen, worden elektrisch bediend. Een boordcomputer en autochecksysteem vervolledigen een dynamisch en aantrekkelijke cocktail dat 32.830 euro kost. pierre darge