In het Damiaandorp Tremelo, vlak bij de plek waar ik opgroeide, in een tijd dat je nog naar buiten moest om je vrienden te zien, was er vroeger een westerndorp dat Texas City heette. Op woensdagnamiddag reden we er met onze zelfgemaakte crossfietsen naartoe. In onze verbeelding waren de bossen en heide tussen Keerbergen en Tremelo de Great American Plains. Onze fietsen, met speelkaarten tussen de spaken, stuurden we met een ratelende rotvaart door de Brabantse small towns.
...

In het Damiaandorp Tremelo, vlak bij de plek waar ik opgroeide, in een tijd dat je nog naar buiten moest om je vrienden te zien, was er vroeger een westerndorp dat Texas City heette. Op woensdagnamiddag reden we er met onze zelfgemaakte crossfietsen naartoe. In onze verbeelding waren de bossen en heide tussen Keerbergen en Tremelo de Great American Plains. Onze fietsen, met speelkaarten tussen de spaken, stuurden we met een ratelende rotvaart door de Brabantse small towns. Ongeveer vijf jaar later, in de jaren tachtig, keek ik op een late-zaterdagavond-waarop-ik-nog-niet-uit-mocht-gaan naar Easy Rider op de Nederlandse zender Veronica, met de geweldige Dennis Hopper, Peter Fonda en Jack Nicholson. Het beeld van de motorrijders die na een lucratieve cocaïnedeal door Amerika rijden, maakte bij mij een soort nucleaire connectie met mijn 'westernverleden'. De cowboys waren weliswaar vervangen door bikers in leren jacks, skinny jeans en motorlaarzen, maar hun drang naar vrijheid en het onbestemde verlangen naar die horizon aan het einde van de vlakte was dezelfde. Ooit zou ik die Grote Trek naar het Westen zelf doen. Het was slechts een kwestie van tijd en een goede aanleiding vinden. Op die aanleiding zou ik uiteindelijk nog dertig jaar moeten wachten. Het was 28 februari 2014. Ik was net wankelend en weifelend uit het televisieproductiehuis gestapt dat ik elf jaar eerder had opgericht, en waarmee we een bescheiden stukje Vlaamse televisiegeschiedenis hadden geschreven, met programma's als Marsman, Red Sonja, Birthday en Fata Morgana. We hadden vier jaar eerder het bedrijf verkocht aan een Duitse mediagroep met een lange naam en een helaas ook sluimerende internationale consolidatiedrang. Het voorbije jaar had ik me van creatief televisiemaker voelen afglijden naar een drone die op afstand werd bediend en nog uitsluitend bezig was met conference calls en internationale rapportering. Ik was het Heilige Televisievuur flink zoekgeraakt, en op een donkere decemberdinsdag besliste ik dat het genoeg was geweest : in een claustrofobische meeting room van een Brussels luchthavenhotel gaf ik mijn ontslag aan een Duits Gesellschaft. Fotografe Lieve Blancquaert - met wie we net Birthday hadden gemaakt - zei me onomwonden dat ik een midlifecrisis had. Anderen hielden het fluisterend op een burn-out, een niet zeldzaam fenomeen in mediamiddens. De tekenen waren natuurlijk ook niet mis. Ik was enkele weken geleden 46 geworden, had net aangekondigd dat ik uit het bedrijf stapte dat ik zelf had opgericht, om aansluitend een sabbatical te nemen. Maar wat vooral alarmerend was : ik vertrok enkele weken later naar Costa Rica, om er te gaan surfen op grote golven. Dat was althans het idee. Ik reisde drie weken door Costa Rica, leerde er enigszins surfen, maar kwam terug met vier gekneusde ribben, waardoor ik een maand niet meer op mijn zij kon slapen en op late leeftijd de voordelen van de buikadem- haling moest ontdekken. Ik besefte plots dat ik wel nooit nog een pro-surfer zou worden, en dat mijn jeugd definitief voorbij was. En dus begon het mij te dagen dat Lieve weleens gelijk zou kunnen hebben. Het voelde wel niet aan als een crisis, maar met een beetje genetisch geluk - mijn grootmoeder werd 103 - was ik effectief in het midden van mijn leven. En ik stond ook nog eens voor de grootste verandering sinds de komst van mijn kinderen : ik was gestopt met werken, ook al was dat een tijdelijke intentie. Plots was mijn agenda helemaal vrij. Niemand mailde mij nog, niemand belde, en na een tijdje begon ik zelfs met interesse de spammails te lezen. Ik liet mijn iPhone soms een hele dag thuis, iets waar ik vroeger zelfs voor van Parijs zou zijn teruggekomen. De lente was overweldigend mooi dat jaar, en ik maakte lange fietstochten langs Vlaamse dijken op uren waarop ik vroeger nog minstens drie meetings te gaan had op kantoor. In juni kookte ik voor mijn examendochters gezonde gerechten uit de boeken van Pascale Naessens, en las ik papieren kranten op lommerrijke terrassen. Ik maakte praatjes met buren die ik daarvoor nooit had gezien, en overwon mijn laatste schuldgevoel toen ik op een regenachtige namiddag een bio-scoop binnenliep en er moederziel alleen naar een film keek. Kortom, ik begon me flink te vervelen. Tijdens mijn surfreis in Costa Rica had ik stukjes geschreven die ik op een blog postte. Observaties, ontmoetingen, reisbelevingen, trivia. Misschien was het ook om de eenzaamheid van het reizen toch met iemand te delen. Of omdat ik bang was dat mijn ervaringen na verloop van tijd zouden ontbinden in vage herinneringen in mijn ouder wordende hoofd. Iemand riep : "Waarom schrijf je geen reisboek ?" Ik had uiteindelijk jarenlang reisprogramma's voor televisie geproduceerd, maar kwam zelf niet meer tot de essentie van reizen. En zo ontstond het idee om nog een reis te maken. Dé reis die ik al dertig jaar wou maken. De ultieme roadtrip, dwars door het continent waar de wegen en horizonten als geen ander smeken om bereisd te worden. Een roadtrip dwars door Amerika. Op landkaarten zocht ik lang naar een geschikte route. Scenic drives genoeg in de VS, maar ik zocht een route met een verhaal, met een geschiedenis. Route 66 was te voor de hand liggend, en bestaat zelfs over grote stukken niet meer. Weliswaar fel bezongen, is ze ondertussen verworden tot een universeel merchandising- cliché, waar Japanners in tourbussen zich verdringen aan de netjes aangegeven iconische wegwijzers en diners. Met bijbehorende petjes en drinkbekers. Eerder toevallig vond ik op het internet een artikel uit Time Magazine uit 1997 over Highway 50. Ik had er nooit eerder van gehoord. Het magazine noemde de highway 'de ruggengraat van Amerika', omdat de weg onafgebroken dwars door het continent loopt, van de oostkust tot westkust. Daarmee is het meteen ook één van de langste, ononderbroken highways in Amerika. De route, die start in Ocean City, Maryland aan de Atlantische Oceaan loopt officieel tot in Sacramento, Californië, 3073 mijl of 4945 kilometer verder naar het westen. Maar tot 1972 liep de route door tot in San Francisco, 5200 kilometer verder aan de Stille Oceaan. In dat jaar werd de oorspronkelijke highway ingekort tot Sacramento, vanwaar grote interstates de weg overnamen tot aan de Stille Oceaan. Highway 50 volgt daarbij de grote historische routes waarlangs generaties pioniers naar het westen trokken. De weg volgt een groot stuk van de legendarische Santa Fe Trail, de historisch handelsroute naar Mexico. En in Colorado en Utah lopen er parallel nog sporen van de Pony Express, de illustere voorloper van Federal Express, waarlangs snelle ruiters de post naar het westen brachten. Bovendien loopt de route ook nog eens dwars door de small towns uit het liedje van John Mellencamp (Seymour, Indiana), en loopt eigenlijk de hele godganse weg dwars door het oeuvre van Springsteen, The Eagles en Tom Petty. Highway 50 was met andere woorden dé ultieme American highway waar ik al lang naar op zoek was. En dus kocht ik een ticket heen naar Washington en terug uit San Francisco, huurde een auto, en reed op het einde van vorige zomer gedurende een maand in een haast therapeutische eenzaamheid over The Loneliest Road in America, zoals de weg in zijn meest desolate verschijningsvorm in Nevada wordt genoemd. Toch zijn de eenzame, met woestijnzand overwaaide, kaarsrechte, zwarte asfaltstroken niet de enige troeven van Highway 50. De dertien staten waar de weg door loopt, vormen een fascinerende doorsnede van de Amerikaanse cultuur, van de groene heuvels van Virginia, het bruisende en kosmopolitische Washington DC en de lommerrijke bossen in Ohio, tot de eindeloze maisvelden van de Midweststaten Missouri en Kansas, waar antiabortusborden en graansilo's afwisselend de vruchtbaarheid claimen van het land. De enige manier om in die immense leegheid van de Midwest enige spanning te creëren voor mezelf, was het voortdurend scannen van de FM-band, op zoek naar classic rock-zenders die me enig perspectief konden geven op de uitweg uit dit immense God & Vlag-vrezende land. Maar net op het moment dat je denkt dat de weg nooit meer zal eindigen, kom je toch weer in een stad als St. Louis of Kansas City, waar hipsters met getatoeëerde indianenveren kleine artisanale microbrouwerijen runnen en naar Sonic Youth luisteren. Achter Dodge City kwam ik in de Great Plains terecht, en luisterde ik naar lokale countrystations terwijl er wilde mustangpaarden naast mijn wagen draafden. En als je denkt dat je alle westernclichés hebt gehad, rij je plots de Rocky Mountains in, en gaan al je zintuigen in overdrive. John Denver was er nooit ver weg, ik kreeg zijn Rocky Moutain High met geen stokken uit mijn auditief geheugen. Maar het was pas in de échte big sky-staten Utah en Nevada dat de therapeutische kracht van deze roadtrip ten volle werkte. Utah en Nevada zijn met hun canyons, scherpe bergruggen en opgedroogde zoutmeren, en met het mooiste licht ter wereld in variaties tussen dieproze, bloedrood, blauw en wit, niet toevallig de favoriete locaties voor scifi-filmmakers. Ze zijn van een onaardse schoonheid. Ver van alle hectiek, ergens in het midden van deze overweldigende leegte van Amerika, voelde ik me langzaam leeglopen. Op deze eindeloze, zwart geasfalteerde rechte lijn naar de horizon worden je gedachten gemasseerd in een soort ritmische eentonigheid, die je dwingt los te laten. Wellicht was me dit thuis nooit gelukt, en zijn sabbaticals voor zij-die-nooit-hebben leren-loslaten daarom ook de eerste weken een ware beproeving. Reizen langs oude Amerikaanse highways is nog altijd een ode aan de traagheid, aan het onderweg zijn. Het is het verschil tussen drive-through fastfood en ouderweste diners met een vriendelijke waitress in een pastelkleurige jurk die je honey noemt. Het is het verschil tussen grote selfservicetankstations en dat kleine pompstation waar de uitbater je auto voltankt en ook nog even je voorruit schoonmaakt en je olie checkt. Het is het verschil tussen slapen in een anoniem ketenmotel waar je met je creditcard incheckt en een klein motel dat al drie generaties door dezelfde familie wordt uitgebaat... Het is dan ook mijn diepe overtuiging dat elke man minstens één keer in zijn leven een échteroadtrip moeten maken. Daarbij is het doel, de bestemming op zich niet belangrijk, wel het onderweg zijn. Wanneer bent u het laatst nog eens echt onderweg geweest ? We vliegen van Brussel recht naar onze vakantiebestemming of nemen de snelweg om zo snel mogelijk aan te komen. Vergeet die eindbestemming. Het is de weg die het echt reizen maakt. Tijdens roadtrips adem je écht de weg. Elke meter van de route, elke afslag, elke zonsondergang en -opgang, elke regenbui, elk onweer, elke berg, dal, bos. Bij de meeste reizen die we maken, zijn we totaal vervreemd van de way to. We zijn een stip op de gps van een vliegtuig dat op acht uur naar een ander continent vliegt. Wanneer hebt u voor het laatst een afslag gemist ? Roadtrips zitten vol verrassingen, verkeerde afslagen, omwegen... Het zijn die afwijkingen die zorgen voor de grootste ontdekkingen. Remember, Columbus was eigenlijk op zoek naar Indië. Roadtrips genereren bovendien altijd een open perspectief, het beeld van the wide open road. Een weg met een onbekende bestemming aan de horizon is één van de meest opwindende gedachten die er bestaan. Tijdens zo'n roadtrip ontmoet je ook nog écht mensen. Je hebt niet met hen afgesproken, ze horen niet bij de bestemming, je komt ze gewoon tegen onderweg. Het grote voordeel aan Amerika is dat er voor de eenzame reiziger altijd een plekje aan de bar is. En dat er dus naast jou altijd mensen met verhalen zitten. Ik ontmoette een ex-lijfwacht die twee Amerikaanse presidenten diende. Een vader die de Fiat Panda van zijn dochter die in Texas ging studeren over meer dan 4000 kilometer uit Seattle aan het overbrengen was. Ik dronk Duvel met studenten aan de Ohio University. Ik keek in Cincinatti naar het grootste vuurwerk dat ik ooit zag met drie vrienden-voor-het-leven die ik amper vijf minuten kende. En een Roemeense serveerster vroeg me om haar mee te nemen naar Californië. Maar roadtrips zijn vooral ook de ultieme confrontatie met jezelf. Er is geen ontsnappen aan het onderweg zijn. Je komt jezelf elke dag weer tegen along the road. En je ziet er heus niet elke dag even goed uit. En daar zit 'm precies de therapeutische waarde. Een roadtrip is niet alleen een zoektocht naar jezelf, het is ook de ideale vlucht van alles wat achter je ligt. Alleen de snelheid en de route bepaal jezelf. Bent u al weg ? 'Highway 50' van Johan Tuyaerts verschijnt eind maart bij Lannoo en kost 19,99 euro. De auteur blogt ook op highway50midliferoadtrip.wordpress.com en creativityneverkilledacat. wordpress.com TEKST EN FOTO'S JOHAN TUYAERTSVer van alle hectiek, ergens in het midden van deze overweldigende leegte van Amerika, voelde ik me langzaam leeglopen