Benoît van Innis

"Vijftien jaar kennen we elkaar. Exact. Ik weet het zo precies omdat onze kennismaking samenviel met mijn verhuizing van Brugge naar Brussel. Mijn vrouw en ik woonden er nog maar pas. We kenden de stad nog niet zo goed. Op een dinsdagavond gingen we naar de cinema in de Anspachlaan. Erna dronken we nog iets in Le Coq. Dat het zo'n legendarisch café was, wisten we zelfs niet. Laat staan dat het - toen nog - het stamcafé van Josse was. "Is dat Josse De Pauw niet ?", fluisterde ik tegen mijn vrouw. En nog geen vijf minuten later stond Josse aan ons tafeltje. Met dezelfde vraag. "Ben jij Benoît niet ?" Hij complimenteerde me met een tekening, die even tevoren in de krant was verschenen. Een receptie, met een ober die scheef staat en een van de gasten die languit op de grond ligt. Had hem heel erg geraakt, zei hij. Twee weken later zijn we samen gaan eten. Sindsdien zijn we compagnons de route."
...

"Vijftien jaar kennen we elkaar. Exact. Ik weet het zo precies omdat onze kennismaking samenviel met mijn verhuizing van Brugge naar Brussel. Mijn vrouw en ik woonden er nog maar pas. We kenden de stad nog niet zo goed. Op een dinsdagavond gingen we naar de cinema in de Anspachlaan. Erna dronken we nog iets in Le Coq. Dat het zo'n legendarisch café was, wisten we zelfs niet. Laat staan dat het - toen nog - het stamcafé van Josse was. "Is dat Josse De Pauw niet ?", fluisterde ik tegen mijn vrouw. En nog geen vijf minuten later stond Josse aan ons tafeltje. Met dezelfde vraag. "Ben jij Benoît niet ?" Hij complimenteerde me met een tekening, die even tevoren in de krant was verschenen. Een receptie, met een ober die scheef staat en een van de gasten die languit op de grond ligt. Had hem heel erg geraakt, zei hij. Twee weken later zijn we samen gaan eten. Sindsdien zijn we compagnons de route." Ik vind het moeilijk om het toeval te vinden : ontmoetingen zoals die met Josse. Hij is mijn wereld binnengebroken, en heeft die mee helpen openbreken. Op het juiste moment. Ervoor kende ik bijvoorbeeld niets van podiumkunsten. Ik had er een afkeer van. Met 'dank' aan de verplichte schoolvoorstellingen aan het college in Brugge. Josse heeft mijn ogen opengetrokken. Op veel vlakken. Hij kan dingen zeggen die me in de war brengen. Die me even uit evenwicht halen. Daar houd ik van. Ook voor mijn werk is hij kritisch. Zeer. Omgekeerd trouwens ook. Omdat we elkaar graag zien, en niets liever willen dan elkaars werk goed te vinden." "Ooit was hij eens langsgekomen in mijn atelier, en ik had hem zoals vaak wat work in progress getoond. Later waren we iets gaan eten en bij het pousse-café begon hij erover. Dat die reeks niet goed zat. En hij had gelijk. Ik vond dat ook, maar ik kreeg het niet opgelost. "Ik denk dat je het essentiëler moet aanpakken", zei hij. Ik begreep hem, maar ik wist toen echt niet hoe. Enkele jaren later was ik bezig met een totaal ander werk, met een totaal ander onderwerp. En plots schoot dat zinnetje door mijn hoofd. Ik ben voor een nieuw, wit paneel gaan staan en tekende in enkele minuten wat Josse toen bedoelde. Het is het vertrekpunt van een mooie reeks geworden." "We delen heel sterk de nood om onszelf te blijven verrassen. Twintig jaar geleden had ik succes met het werk dat ik toen maakte. En er zijn veel kunstenaars die daarna hun hele leven hetzelfde zouden doen, wellicht. Als zij daar gelukkig mee zijn : goed voor hen, echt. Maar ik kan dat niet. Als ik al op mijn negenentwintigste een cover maak voor The New Yorker, dan kan ik daar tien jaar later onmogelijk nog even enthousiast over zijn. En dus moet ik ervoor zorgen dat ik andere dingen doe. Dat gebeurt trouwens vanzelf. Door mensen die je ontmoet. Door mooie vragen die je krijgt, en die je werk blijvend beïnvloeden. Zoals de vraag om het metrostation van Maalbeek aan te pakken. Of om die wand te maken in het Brugse Jan Breydelstadion. Of zoals deze voorstelling, waarvoor Claire Chevalier en Josse me vroegen als livetekenaar. Claire speelt piano, Josse vertelt, ik teken. Mijn eerste keer op het podium is het, een heerlijke afwisseling voor mijn vrij geïsoleerde bestaan in mijn atelier." "Tekenen op muziek. Lijnen improviseren op het ritme, op de melodie. Jazz is het bijna. Het is iets helemaal nieuws voor mij. Dat vind ik fantastisch. Ik voel dat het mijn werk alweer een stukje meer openbreekt. Daarnet, tijdens de repetitie, heb ik enkele dingen gedaan waarvan ik voel dat ze mijn persoonlijke werk zullen veranderen. Daarom is deze vraag van Claire en Josse zo'n cadeau. Alweer." Babar / Le fils des étoiles. Te zien (onder meer) in het Flagey in Brussel op 28 en 29 oktober en in de Bourla in Antwerpen op 10 februari 2009. Alle info op www.transparant.be. www.benoit-artist.com"Mijn grootouders waren boeren. De grootouders van Benoît waren edellieden. Sterker : mijn grootouders bewerkten de gronden die bij het kasteel hoorden van die edellieden. Als kind heb ik nog in de ruïnes van dat kasteel gespeeld. Het kasteel Vavaninnis, zoals we dat noemden. Latijn, dacht ik. En dat heb ik lang gedacht. Tot ik Benoît ontmoette, en hij vertelde dat zijn vader in Asse was geboren, mijn geboortedorp. In het kasteel van 'van Innis', dus. Zo stapte hij, pardoes, ook mijn verleden binnen." "Dat blauwe bloed van hem, dat maakte toen veel duidelijk. Over hoe hij was. Heel voorkomend en diplomatisch, beschaafd, gecultiveerd. Over zijn gelaatstrekken ook. Al valt die edele zorgvuldigheid weg als we over voetbal beginnen. Een hooligan wordt hij niet, maar het scheelt niet veel. Zijn devotie voor Club Brugge is immens, zijn afkeer voor Anderlecht niet minder. Zo immens dat hij lange tijd, toen ik nog in Lennik woonde, weigerde om de kortste weg door Anderlecht te nemen. Maar zie, hij is gemilderd. Vandaag woont hij zelfs in Anderlecht. Al verkiest hij zelf over '1070 Brussel' te spreken. Heel geestig." "Ik heb Benoît leren kennen via zijn tekeningen. Wat hij deed, vond ik op dat moment met niets te vergelijken. Zijn werk had een soort fijnzinnigheid die mij erg raakte. Inhoudelijk, maar ook vormelijk : zijn lijn, en de aandacht waarmee hij die plaatst. Het eerste wat je ziet, lijkt fragiel. Maar tegelijk is er een stugheid en een forsheid, die ook sterk zijn gedrag als kunstenaar kleuren. Benoît is een koppige mens. Hij blijft hardnekkig zoeken naar dat spoor waarop hij meent iets te moeten tegenkomen. Twintig jaar terug maakte hij tekeningen die aansloegen bij een breed publiek. En toch is hij andere paden gaan bewandelen. Uit een soort noodzaak, die ik bij mezelf herken en die ik ook erg aanmoedig. Heel courageus, vind ik hem. Ik ben graag in de buurt van dat soort mensen." "Ik heb wel al discussies gehad met mensen die 'niet konden lachen' met de tekeningen van Benoît in de krant. Ik vind dat een vreemde redenering : alsof een tekening in de krant wel om te lachen moet zijn. Benoît kan dingen ontzettend goed typeren. Zo goed, dat het soms pijn doet. Het schuift rauw naar binnen. En ja, soms lach je wel, maar dan uit verdediging bijna. Er schuilt een enorme poëzie in zijn tekeningen. Maar veel mensen "konden er dus niet om lachen". Op den duur, in De Standaard der Letteren met Mark Schaevers aan het roer, dreef Benoît het tot het uiterste : tekeningen die bijna niets meer 'zeiden'. Pure indrukken waren het. Ik vond het geweldig." "Benoît kan heel makkelijk niet toegeven aan wat van hem verwacht wordt. Hij is trouw aan zijn kunst. Dat wil ik zelf ook. Ik weet dat ik graag wil behagen. Maar ik weet ook dat het nooit mag overslaan in behaagzucht. Daarom maak ik al eens een breuk in mijn werk. Als je wilt dat de mensen je graag zien, dan moet je wachten tot ze 'bravo' roepen en dan gewoon hetzelfde blijven doen. Verleidelijk ? Saai, dat vooral." "We moeten blijven verrassen. Onszelf in de eerste plaats. Ook dat delen we trouwens. Dat we heel erg bezeten kunnen zijn door iets. Dat kan een gedachte zijn. Dat kan zelfs een foute gedachte zijn. Maar daar kunnen we over praten, heel makkelijk. Heel luid ook, als we ons onbegrepen voelen. Met het grote voordeel dat we snel van gedacht kunnen veranderen. Als dat nodig is." "Ik ga geregeld naar zijn atelier. Dan hangt hij werken aan de muur, één voor één, en dan praten we daarover. Ik zie Benoît graag bezig. Je kijkt anders naar het resultaat als je hem zien werken hebt. Heel fysieke arbeid is het, waarbij hij zijn hele lijf gebruikt. Niets zo mooi als een geconcentreerde mens. Iemand in diepe concentratie aan het werk, een danser, een sportman, een acteur, een muzikant : dat is vanzelf theater." "Een achilleshiel van Benoît ? Hij is een man. Ik heb dat al vaak jammer ge-vonden."Door Guinevere Claeys Foto's Saskia Vanderstichele