Onlangs meegemaakt wat je mijn ergste schrik zou kunnen noemen : ik kwam een studiemakker tegen op de trein. Eerst had ik mijn oude maat Dave niet herkend in dat zorgelijke heerschap. Hij was grijs geworden, en zijn gezicht zag eruit zoals ik mij dat van zijn vader herinnerde.
...

Onlangs meegemaakt wat je mijn ergste schrik zou kunnen noemen : ik kwam een studiemakker tegen op de trein. Eerst had ik mijn oude maat Dave niet herkend in dat zorgelijke heerschap. Hij was grijs geworden, en zijn gezicht zag eruit zoals ik mij dat van zijn vader herinnerde. Dat is toch niet erg, zal u zeggen, bijpraten met een oude vriend, met wie je in je studententijd lief en leed hebt gedeeld ? U hebt daar gelijk in, maar ik ben niet zo dol op spiegels die je worden voorgehouden, en waarin je opeens je voortschrijdende aftakeling ziet. Die rimpels van Dave zijn er bij mij ook natuurlijk, want waarom zou ik het enige levende wezen zijn waarop de tijd geen vat krijgt ? Ik hou met zorg de landkaart van mijn voorhoofd bij, grommelend als die op een ochtend door een nieuw riviertje wordt doorkruist, waarvan ik de bron niet kan vinden. Ik vraag me af hoe het met die andere mensen zit, die het schijnbaar niets kan schelen. Meten zij ook in stilte de schade op ? Of zijn zij echt te zeer door andere dingen in beslag genomen, te weten werk en kind ? Drie stuks heeft Dave er al, en de oudste wordt dertien. Dat is nog maar vijf jaar jonger dan wij toen wij elkaar leerden kennen, in het universitaire home, toen alles nog nieuw was en zelfs de avondlucht anders rook. "Ik ben de man die het kan", stond op de sticker op Daves deur. Achteraf bekeken ben je op die leeftijd nog een beetje kinds. We liepen al eens in stoet door de gangen en bralden domme liedjes. We kochten een aandeel van De Morgen, die we van een wisse ondergang hoopten te redden. We lazen een woord op een theeverpakking, Eisenkraut, en vonden dat zo fascistisch klinken dat we het elk om beurt inspraken in een cassetterecorder, onze stem zo hysterisch mogelijk verdraaiend, op een bandje dat ik tot vandaag bewaar. Terwijl het maar gewoon ijzerkruid betekent en van aard is hoofdpijn te verlichten en de spijsvertering te bevorderen. De stemmetjes van toen zijn ernstig geworden. Dat blijkt als Dave onze vriendenkring overloopt, en mij vertelt hoe het elk van ons is vergaan. Zelf is hij advocaat, gespecialiseerd in de boeiende materie van de bouwovertredingen. Patrick is gynaecoloog, en heeft van zijn liefhebberij zijn beroep kunnen maken. En Boris, die blijkt onderzoeksrechter te zijn geworden. "Drugdealers en roofmoordenaars, hij moet over de zwaarste jongens beslissen", zegt Dave met plaatsvervangende trots. Boris, in wiens haren de vogels nesten konden bouwen. Boris, die pas op het allerlaatste moment begon te studeren en dan nachtenlang zijn cursussen opmurmelde, als een bromvlieg op speed. Hij schifte hele stukken, zoals we dat toen noemden, met dat taaltje waarin ook porren en tuyoo's zaten. Hij had het geluk dat de prof nooit vragen stelde uit de gedeeltes die hij oversloeg. Met de helm geboren, zo noemden we hem op den duur. Toen hij deelnam aan het magistratenexamen, een soort veredelde vogelpik, had hij de tegenwoordigheid van geest bij een voorganger te polsen waarover het zoal gegaan was, en wat die man geantwoord had. Hij kreeg krek dezelfde vragen en slaagde met glans. Voorts herinner ik mij dat we schouder aan schouder Double Dragon stonden te spelen, in het café waar we kwamen. Het was een van de eerste videospelletjes die naam waardig. Je liep door een groezelige, voorstedelijke omgeving waar je allerlei tuig moest zien uit te schakelen, van in latex gestoken dellen die je met een zweep te lijf gingen tot bruine reuzen die "Beueu !" brulden als ze je over hun schouder zwierden. Urenlang deelden we elleboogstoten uit en verkwanselden stukken van twintig frank, tot we blikjes pilchards in tomatensaus moesten eten. Tot vandaag kan ik het muziekje van Double Dragon uit het hoofd neuriën. Waarschijnlijk ben ik de enige die het af en toe in gedachten nog hoort. We hebben veel gewonnen, maar tegelijk kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat we hier en daar ook iets kwijt zijn geraakt. Terwijl ik Dave hoor spreken, in de schemering die over de treinwagon daalt, denk ik aan de geheimzinnige woorden die ik onlangs las. Ze klinken opeens helder, en ook een beetje wreed : "Dit is het eerste Wat ik heb begrepen :Tijd is de echo van een bijlDiep in het woud."Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders