"Eerst gaan we thee drinken, man, de vragen kunnen wachten." Ik sta perplex. In het onooglijke gat Göÿnük, midden in Anatolië, wordt mijn vraag naar de kortste weg in een kruidig Hollands gepareerd. De grijze snor lacht uitbundig, het hele café lacht mee. Bij het glas çai legt Yalcin uit dat hij 25 jaar in een tuinbouwbedrijf in Den Haag heeft gewerkt. "Nu woon ik weer zes jaar in mijn dorp, in mijn land. Dat is beter zo." Als hij zijn kinderen wil bezoeken die in Nederland leven, moet hij telkens weer een toeristenvisum afsmeken. "Drie maanden is dat geldig, maar de laatste keer stond ik hier na vier weken weer op het pleintje. Ach man, hier ben ik een vrij mens, Nederland lijkt wel een open gevangenis."
...

"Eerst gaan we thee drinken, man, de vragen kunnen wachten." Ik sta perplex. In het onooglijke gat Göÿnük, midden in Anatolië, wordt mijn vraag naar de kortste weg in een kruidig Hollands gepareerd. De grijze snor lacht uitbundig, het hele café lacht mee. Bij het glas çai legt Yalcin uit dat hij 25 jaar in een tuinbouwbedrijf in Den Haag heeft gewerkt. "Nu woon ik weer zes jaar in mijn dorp, in mijn land. Dat is beter zo." Als hij zijn kinderen wil bezoeken die in Nederland leven, moet hij telkens weer een toeristenvisum afsmeken. "Drie maanden is dat geldig, maar de laatste keer stond ik hier na vier weken weer op het pleintje. Ach man, hier ben ik een vrij mens, Nederland lijkt wel een open gevangenis." Als er iets is wat Turkije aan Europa bindt, is het wel de gastarbeid. Elk dorp heeft een paar mannen die geld hebben gemaakt in Duitsland, Nederland, België of Frankrijk. "Maar die geschiedenis is afgelopen," beseft Yalcin, "vroeger kwam Europa de Turken halen, nu worden we zoveel mogelijk buiten gehouden." Hij moet zelf lachen om die bondige samenvatting. "En wat die weg naar Avanos betreft," - de man heeft intussen de routebeschrijving van SNP van nabij bestudeerd - "volg die kaart maar, dat is de kortste verbinding." Ja, in Den Haag had hij ook vaak gefietst. "Maar hier neem ik toch maar de auto, dit is niet echt een fietsland." Dag één, we zijn meteen gewaarschuwd. Terug naar Avanos, naar Hotel Sofa . Dat hotel is veeleer een wijk, jarenlang hamsterde de eigenaar huisjes, tot hij er een twintigtal kon inrichten als gezellige gastenverblijven. Onderling zijn ze verbonden door een wirwar van trapjes en overdekte doorgangen. Hier start morgen het echte werk, de fietstocht van de Nederlandse touroperator SNP door Cappadocië. We beginnen meteen met de grote troeven : Zelve en Göreme. Op die plaatsen zijn de fraaiste restanten te bewonderen van de woningen, kerken en kloosters die uitgehakt werden uit het tufsteen. Het landschap leest als een geïllustreerd geologiehandboek. Ruwweg dertig miljoen jaar geleden duwde Afrika zo krachtig tegen het Euraziatische continent dat in Turkije bergketens omhoog geperst werden. Dat ging gepaard met vulkanisch spektakel en aardbevingen, de Turkse bodem beeft overigens nog geregeld. Om het tufsteenverhaal te begrijpen, moeten we echter bij de vulkanen blijven, bij de Erciyes en de Hassan. Die twee spreidden een lavadeken van honderden meters dik over centraal-Anatolië. Een miljoen jaar geleden dommelden de vulkanen in, sindsdien schaven regen en wind het lavalandschap af, millimeter per millimeter. Het tuf - versteend gruis en stof - is een makkelijke prooi, alleen het hardste gesteente laat zich niet wegspoelen. Soms zijn dat forse rotsen, maar Cappadocië is vooral beroemd om zijn zuilen. Hier en daar ligt er een blok op te balanceren of draagt de zuil een reusachtige puntmuts, net paddenstoelen : een poreuze kegel, piramide of zuil van tufsteen met een harde, beschermende deksteen erop. Feeënschoorstenen worden ze genoemd, een eervolle poging om de evidentste associatie - fallussen - te ontwijken. Sommige zijn tot dertig meter hoog. Zelve ligt er verlaten en grijs bij, de laatste grotbewoners zijn in 1958 weggetrokken, vandaag dreigen donkere wolken, de wind boort zich door elk knoopsgat, de donkere tunnels en gladde trapjes ogen allerminst uitnodigend, de autocars wachten nog enkele weken voor ze de groepen toeristen aanvoeren en de ballonvaarders moeten voorlopig aan de grond blijven. Elke reisgids over Cappadocië begint daarmee : dé manier om dit psychedelische landschap te bewonderen is vanuit een ballonmand. Op zich is dat natuurlijk al een reden om voor de fiets te kiezen. Ook in het openluchtmuseum Göreme zijn de Europese en Japanse zwermen nog niet neergestreken. 's Zomers moet het hier een pretpark lijken, tot groot jolijt van de lokale horeca, die almaar nadrukkelijker de plak zwaait. Als niemand deze Unescosite beschermt tegen de erosie van schoenzolen, vingerafdrukken en flitslicht, blijft er over enkele jaren alleen nog de horeca over. En die is echt geen bezienswaardigheid. Zowat alle grotkerken, ooit telde Göreme er honderden, hebben Byzantijnse fresco's. De heilige gezichten of minstens de ogen zijn weggekrabd. "Dat is het werk van onwetenden", hoor ik een gids zeggen tegen een kwartet Spanjaarden. Over de identiteit van die 'onwetenden' bestaan veel meningsverschillen. Niemand wil hier gezegd hebben dat het om vernielingen gaat door moslims, vooral "rivaliserende christelijke sekten" worden met de vinger gewezen. Bij valavond staan we achter het dorpje Cavuçin een prachtig spektakel te volgen : net voor de zon gaat liggen laat ze de tufstenen kegels en paddenstoelen dansen in een roodoranje spot. Helemaal boven, op de rand van een tafelberg, joelen Franse jongeren " Supè-è-èr", terwijl ze kippenvelsprongen, salto's en bizarre pirouetten oefenen op hun BMX'jes. Dit moet zowat de letterlijkste interpretatie zijn van 'Cappadocië per fiets'. Tijdens de rit naar Mustafapasa zal niemand ons betrappen op acrobatieën, de weg is al veeleisend genoeg. De klim naar Üçhisar dwingt ons botweg uit het zadel. Vanuit het dal lijkt Üçhisar op een versteende termietenhoop. In de top van de rots hadden de Hettieten al een vesting uitgehakt. Dat is zowat vier millennia geleden, sindsdien is men blijven hakken. Vandaag woont niemand meer in de antracietgrijze gatenberg. Men woont in het nieuwe dorp, op de steile klim naar de citadel. Veel inwoners leven van het toerisme rond dit rotsige curiosum, als koetsier, souvenirverkoper of gids. Mustafapasa is een bijzondere plek in Cappadocië. Tot na de Eerste Wereldoorlog woonden hier vooral Grieken, maar Atatürk gooide alles overhoop. De grote bevolkingsuitwisseling (1923) dreef uiteindelijk meer dan één miljoen orthodoxen naar Griekenland en ruim vierhonderdduizend Griekse moslims werden in één pennentrek Turk. Veel huizen en kerken in Mustafapasa dragen nog duidelijk de sporen van die burencultuur. De ironie van het toerisme (daar had het Verdrag van Lausanne geen rekening mee gehouden) wil dat uitgerekend die Griekse roots aantrekkelijk zijn. Men komt naar de Ayios Vasilios kijken, de ongelooflijk mooie, witte, ondergrondse kerk, of naar de achttiende-eeuwse Konstantin & Helena, midden in het dorp. Ook het hotel van Süleyman Öztürk lokt kijkers, het heet dan ook The Old Greek House . Toerismediensten gebruiken zelfs almaar vaker de oude dorpsnaam, Sinasos. "Met de Grieken hebben we al lang geen problemen meer," zegt Süleyman, "elke meimaand komt hier een grote groep, met de pope aan het hoofd, bidden in de orthodoxe kerk. Dan kook ik voor hen." In de turbulente jaren tachtig was Süleyman twee jaar politieagent ("Het viel niet mee om je eigen volk als vijand te zien"), daarna zat hij acht jaar in de tapijten, tot hij zijn ouderlijke huis kon verbouwen tot hotel. Dat deed hij met smaak en respect voor traditie. De beschilderde deuren en plafonds, de royale en door druivelaars beschaduwde eettafel op de patio, de monumentale trap met hol gelopen treden, Süleyman koestert zijn Grieks-Turkse paradijsje als een trotse sultan. 's Avonds lig ik in dat paradijsje te luisteren. Het laatste gebed waait van de minaret door het dal, de honden houden hun protest nog een kwartier vol en dan wordt het stil. Bijna stil. In de imposante populier naast The Old Greek House houdt een dwergooruil eentonig de wacht. Net een houtblazer die elke seconde van de nacht afturft met één noot. Ver weg klinkt het antwoord, of is het een echo, of dommel ik zachtjes in ? Om de Ayios Vasilios te bezoeken, wat mij betreft de mooiste van alle Cappadocische ondergrondse kerken, moeten we in de toeristische dienst annex postkantoor de sleutelman zien te vinden. De oude man voert ons tot net buiten Mustafapasa, naar de rand van een kloof en opent er de metalen deur van een piepklein hok van betonnen snelbouwstenen. Binnen zien we één plastic tuinstoel en de eerste treden van een witte, uitgesleten trap. De sleutelman parkeert zich op de stoel en laat ons afdalen, de nauwe, bochtige koker in. De verrassing beneden is compleet. Dit gewelfde kerkje is licht als een dakterras, doordat het net naast het ravijn is uitgehouwen, in de flank zijn ronde ramen uitgespaard, onzichtbaar aan de buitenkant. De fresco's, beschadigd uiteraard, hebben weinig van hun kleuren verloren. Het middenbeukje wordt gestut door fraaie ranke zuilen, precies alsof het metselwerk betrof, maar in die hele kerk is natuurlijk geen steen gelegd, alles is minutieus uit het poreuze gesteente gehakt, gesneden, gevijld. Nog meer geduldwerk staat in de tapijtenzaak opgerold. We krijgen er een snelcursus : hoe wol op wol verschilt van wol op katoen en hoe je de topkwaliteit herkent, zijde op zijde (onder meer zo : de kleuren veranderen als je het tapijt van een andere hoek bekijkt). Snelle en fijne vrouwenhanden halen amper één vierkante meter per jaar. Een goede knoopster maakt twee, hooguit drie zijden tapijten in haar leven, tegen dan laten haar ogen het afweten. Met die basiskennis zijn we voldoende gemarineerd voor de volgende bewerking : de verkoop. Toeristen krijgen te horen wat toeristen willen horen. Dat dit een coöperatie is (de hele handel in Turkije is in privéhanden), dat dit prachtige stuk een bruidstapijt is (niemand verkoopt haar bruidstapijt, zeker niet aan toeristen) en dat deze prijs zo scherp is dat niemand nog iets verdient aan het tapijt. Wat wel blijkt te kloppen : betalen kan in euro en het tapijt wordt thuis geleverd. Van Mustafapasa fietsen we de hoogvlakte over naar Derinkuyu, met tussendoor een overnachting in het landbouwersdorp Güzelöz. Halverwege de etappe kunnen we in Mazi wel een thee vinden. De boeren zitten er bijeen voor het dorpscafé, het onderwerp van breedvoerige beschouwingen : de mogelijke vorstschade aan de appelbloesem. Begin mei kan zo'n laatste winterprik nefast zijn voor de oogst. Een jonge boer, die eerst uitlegt dat zijn naam afgeleid is van Jezus, een van de profeten, vertelt over zijn dorp. "De ondergrondse stad hier is nog mooier dan wat jullie in Derinkuyu zullen zien", probeert hij, maar we happen niet. Of het hard leven is voor de boeren op 1600 meter hoogte ? "Als je voldoende geld hebt, is het hier goed", zucht hij. Een wereldwijde waarheid, maar Jezus verduidelijkt : "Neem de grootvader van die man daar. Die vond in de grotten ooit een kroon. Van een Hettietenkoning, zegt men. Hoe ook, hij ging naar Istanbul om zijn vondst te verkopen, kwam terug met een fortuin, kocht hier veel landbouwgrond en startte in Nevsehir een bedrijf van tractoren. Mijn grootvader vond ooit goudstukken toen hij stenen ging hakken, hij ruilde zijn schat voor twee geiten. Zo gaat dat." Moraal van Jezus' parabel : het is altijd opa's schuld. Ook in Orhanlí, een stoffig aardappeldorp, is de passage van twee Belgische fietsers een attractie. Groot en klein verdringen zich rond de huurfietsen. Vooral de kaartenhouder op het stuur, het versnellingsapparaat en de bagagetassen worden bestudeerd. Zelfs als een lokale huwelijkskaravaan langskomt - tien overvolle, luid toeterende pick-ups die rond het dorp racen - blijft de aandacht op dat versnellingshendeltje gefocust. De fietstocht door Cappadocië vergt enige conditie, zeker als het weer niet meewil. De striemende tegenwind op de hoogvlakte zandstraalt niet alleen je gezicht, hij rafelt vooral je motivatie uit en laat je humeur overslaan als een goedkope paraplu. "Wat moedig om hier te fietsen", horen we wel eens, vooral dan van Nederlandse stappers. We beginnen het haast zelf te geloven, maar in Güzelöz krijgen we een lesje in nederigheid. Twee zwaarbepakte fietsers stoppen bij het pension en dingen af op de prijs van een bord soep met brood. Het zijn twee taaie Duitsers, met een beperkt budget op weg naar China. Ze hebben nog vijf maanden te rijden, zeggen ze terloops, terwijl ze de hele soepketel leeglepelen. En wij ? Wij hebben nog een halve week voor de wielen. De route naar Derinkuyu leidt door het dal van Soganli. De resten van de grotwoningen zijn nog zichtbaar, sommige veertig meter hoog in de flank, enkel bereikbaar via een 'trap' van uit- gehouwen holten ter grootte van één voet. Alleen de duiventillen blijven in gebruik, sommige zijn kleurrijk versierd als lokmid- del. Want hoe meer duiven er wonen, hoe beter het dal bemest wordt. Derinkuyu is vooral, zeg maar alleen, het bezoeken waard voor zijn ondergrondse stad. Die is zo oud als onze tijdrekening en bijna vijftig meter diep. In de regio moeten er ooit 36 zijn geweest, maar deze onderduikstad is de best bewaarde. Verdeeld over acht verdiepingen vind je opslagplaatsen, wijnpersen, stallingen, slaapvertrekken en helemaal onderin een kerk. Bij invallen of oorlogsdreiging konden hier tot twintigduizend mensen een tijdlang spoorloos in verdwijnen. KIJK EENS HIER, KIJK EENS DAAR Halverwege de etappe Derinkuyu-Ihlara slaan we linksaf voor een stevige klim naar het kratermeer Nargölu, een ideale picknickplaats. In de berm spelen siesels wie-niet-weg-is-is-gezien. Zo'n Citellus citellus lijkt op een marmotje, staat heel even op de achterpootjes en flitst weg alsof hij een goocheltruc kent. Nargölu is zo diep dat het water rechtstreeks contact heeft met het magma. Op één oever, waar het water lustig borrelt, kun je een warmwaterbad nemen. Vlak bij het meer stuurt een jonge vrouw haar primitieve ezelsploeg door een akkertje, een zakdoek groot. Het is labeuren, met haar volle gewicht moet ze vermijden dat de schaar wegketst op de honderden keien. Een oudere vrouw - haar moeder ? - plukt twee spelende peuters uit de voor, telkens als de ezel nadert. Het is een tafereel van eeuwen voor Atatürk. Misschien moeten de EU-landbouwministers maar eens tot bij Nargölu klimmen, deze scène vinden ze vast niet in de dossiers. De kwaliteit van het toetje verraadt vaak de kok. Die van SNP mag tevreden zijn, het extraatje bij de Cappadocië-fietstocht is van een verbluffende schoonheid. In Ihlara blijven de fietsen aan de ketting, in de beroemde kloof kun je alleen wandelen. Twaalf kilometer volgen we de Melendiz, een klaterend niemendalletje dat wel een imposante canyon heeft uitgesleten. De steile wanden zijn op sommige plaatsen honderd meter hoog, hier is de kloof smal, daar weer breed genoeg om akkertjes in aan te leggen of vee te laten grazen. Het orkest van ritselende populieren en nachtegalen houdt nooit op. Onderweg passeren we de Slangenkerk en de Kerk van de Hyacint, maar we hebben genoeg Byzantijns erfgoed gezien, vandaag geven we de eer aan de zwarte ooievaar ; de zwarte roodstaart, die makkelijk te herkennen is aan zijn naam ; de Syrische bonte specht, die een exacte kopie blijkt van onze bonte specht ; de velden oplichtend geelgroen van de wolfsmelk ; de pistachebomen. De Ihlarakloof is een gedroomde bestemming voor wie in één dag een recordaantal vogels en wilde bloemen wil ontdekken, en los van dat kijk-eens-hier, kijk-eens-daar het mooiste wandelpad dat ik ken. Dat je daar zover moet voor fietsen. Göreme was eeuwen geleden een van de bloeiendste kloostercentra. Het Byzantijnse rijk (in 323 afgesplitst van het Romeinse rijk) kreeg vanaf de zevende eeuw geregeld Arabische invallers over de vloer. In de ondergrondse steden van Cappadocië wisten de christenen zich min of meer veilig. Verstoppertje spelen werd een tweede natuur voor de Byzantijnse christenen. Ook later, toen de Mongoolse pletwals van Dzenghis Khan over Klein-Azië rolde, schoven de Cappadociërs simpelweg een rotsblok voor de toegang van hun schuiloord. Maar met de eeuwen groeide de tolerantie en waagde de 'ondergrondse' kerk zich in het daglicht. Vooral tussen de elfde en dertiende eeuw werden honderden kerken en kloosters hoog in de tufstenen bergflanken uitgehouwen en gedecoreerd met kleurrijke fresco's. Zelfs tijdens het Ottomaanse bewind, ruwweg van de veertiende tot de twintigste eeuw, trotseerden geïsoleerde gemeenschapjes de islamdominantie en hielden de Byzantijnse kaars brandend. Maar na de Eerste Wereldoorlog lag Turkije in de ramsj, alle grootmachten wilden wel een stukje. Atatürk veegde ze allemaal buiten. Armeniërs en Assyriërs waren al langer het slachtoffer van massale slachtpartijen, de Grieken werden verdreven. Sindsdien staan de kloosters leeg, de uitgehouwen ruimten bleven decennialang vergeten of hooguit gebruikt door landbouwers als opslagplaats. Vandaag vormen ze een toeristische troef.De reis Deze reportage is gerealiseerd in samenwerking met SNP en Turkish Airlines, die heeft onder meer een dagelijkse vlucht Brussel - Ankara. Daar gaat het verder met een bus naar Avanos. SNP, de grootste Nederlandse touroperator gespecialiseerd in actieve reizen naar meer dan 270 bestemmingen over de hele wereld, heeft in Cappadocië zowel een stap- als een fietsarrangement met bagagevervoer. De routes mijden de drukke wegen, het logies is zoals steeds zorgvuldig gekozen maar soms uiterst sober, de huurfietsen zijn van degelijke kwaliteit. Dagelijks zijn er ritten van 25 tot 60 km, door de aard van het parcours ben je daar enkele uren zoet mee, een minimum aan fietsconditie is wenselijk. Het 10-daagse fietsarrangement kan vanaf 240 euro. Seizoen De zomer is uiteraard bloedheet, waardoor lente en herfst geschikter zijn. Op 29 maart beleeft Cappadocië een totale zonsverduistering, maar dan hebben fietsers nog dikke beenwarmers nodig. Tot een stuk in april kan het sneeuwen op de hoogvlakte. Munt Turkije heeft een nieuwe lyra (0,620 euro), die telt zes nullen minder dan de oude lyra. Veel Turken rekenen nog graag in de miljoenen, dat kan voor verwarring zorgen. Verlenging Een Cappadociëreis laat zich makkelijk koppelen aan een weekendje Ankara. Daar vind je in het Museum van Anatolische Beschavingen onder meer Hettitische kunststukken, afkomstig uit Cappadocië. Angora Hotel, Istanbul Cad. Soydaslar Sk, 16, ww.angorahotel.com Informatie SNP-brochure aanvragen : Bijleveldsingel 26, 6521 AT Nijmegen en www.snp.nl Turkish Airlines : uw reisagent of 02 512 67 81, www.turkishairlines.com Turkse dienst voor Toerisme, Montoyerstraat 4, 1000 Brussel, 02 513 82 30, www.turquie.com Ignace Van Nevel