Mijn moeder stierf aan kanker toen ik drie was. Mijn vader was actief bij de vakbond en in de plaatselijke politiek, waardoor hij vaak uithuizig was. Mijn groot- ouders vingen mij op. Zij hadden een volkscafé op twintig meter van het ouderlijk huis. Een kind dat zijn moeder verloren heeft, dat wekt natuurlijk veel medelijden op. Mijn opa, tevens mijn peter, was een robuust en imposant figuur. Een ex-bokser. Hij nam mij in bescherming. Ik werd stevig in de watten gelegd, waardoor ik er allerminst een trauma aan heb overgehouden.

Ik ontdekte het competitiebeest in mezelf bij het biljarten. Het café van mijn grootouders was mijn speelkamer, en dus werd ik gaandeweg een expert in caféspelen. 's Ochtends, nog voor ik naar school ging, was ik al aan het oefenen. Mijn peter heeft de flipperkast zelfs buitengegooid, omdat ik het scorerecord al te fanatiek wilde breken.

Misschien heeft het volleybal mij gekozen in plaats van omgekeerd. Volleybal is een echte teamsport: je bent enorm afhankelijk van elkaar. Qua persoonlijkheid ben ik nochtans allesbehalve een roedeldier. Ik ben graag alleen. Dat is niet eenvoudig met elkaar te rijmen. Nog zoiets: ik heb het moeilijk met gezag. Ik ben opgegroeid in de jaren zestig, toen het hip was om je af te keren van het establishment en de maatschappij. Ik heb mee gedemonstreerd, maar was nu ook weer niet het type dat constant tegen de schenen trapte. Ik kijk op naar mensen die tegendraads zijn en weiger dingen vanzelfsprekend te vinden. Structuren liggen mij nog altijd niet, maar in een teamsport kun je natuurlijk niet zonder.

Volleybal is een teamsport, en zelf ben ik allesbehalve een roedeldier. Dat is niet eenvoudig met elkaar te rijmen

Je moet een egoïst zijn om de top te bereiken. Als topcoach ben je geobsedeerd met je job bezig. Daarvoor moet alles en iedereen wijken. Je wereld draait volledig rond dat scorebord. In dezelfde periode dat ik stopte als coach van het nationale team - ik was toen zestig - werd ik ook grootvader. Alle clichés kloppen. Ik maak nu meer tijd voor mijn kleinzoon dan ik destijds deed voor mijn eigen kinderen. Toen stond ik aan het begin van mijn loopbaan als coach en raasde ik de hele tijd door. Ik ga nu bewuster om met de tijd die ik met mijn familie spendeer.

De emotie in de sport, met hoge pieken en diepe dalen, die vind je in geen enkele andere sector. Iedereen heeft een mening over wat je als coach doet. Daar moet je tegen gewapend zijn. Ik zou het nooit in mijn hoofd halen om me met andermans job te bemoeien, maar in de sport is dat doodnormaal. De zaal, de perstribune, de bestuurskamer: iedereen heeft commentaar. Je moet daarmee leren om te gaan en toch je eigen visie en persoonlijkheid bewaren. Niet evident. Ik had het niet makkelijk met kritiek van journalisten. Zij velden een oordeel op basis van anderhalf uur match, terwijl ik dag en nacht met de tactiek bezig was. Nee, zonder olifantenvel red je het niet.

Geen enkele coach in een teamsport is voortdurend zichzelf. In alle eerlijkheid: ik heb gewerkt met mensen met wie ik, indien ze geen volleyballer waren geweest, geen drie minuten had willen optrekken. Dat waren geen interessante mensen, wél interessante volleyballers. Je kunt het je als eindverantwoordelijke niet permitteren om alles te zeggen wat je denkt. Een coach moet te allen tijde de controle over zijn emoties behouden.

Nederlagen leveren onrechtstreeks meer winst op. Als je enkele keren na elkaar verliest, is dat niet prettig, maar het voordeel is: alles wordt dan geanalyseerd. Als je veel wint, is er de valkuil dat je begint te denken dat alles op rolletjes loopt. Problemen en conflicten zijn er altijd, zij het onderhuids, maar in tijden van victorie kijk je makkelijk de andere kant op. Zo'n roes van onoverwinnelijkheid heeft me bij Roeselare een keer de titel gekost. We werden minder scherp op trainingen en zoiets betaal je cash.

Coachen met gezond verstand (19,99 euro) is verschenen bij Uitgeverij Manteau.