Dit is inderdaad uniek", bevestigt Alexander von Vegesack, directeur van het Vitra Design Museum in het Duitse Weil-am-Rhein. "Het gebeurt niet zo gauw dat vijf van onze reizende exposities in zo'n kort tijdsbestek eenzelfde regio aandoen." Drie ervan plaatsen een designer voor het voetlicht - Marcel Breuer, Verner Panton en Ingo Maurer -, de andere twee zijn thematentoonstellingen : Living in Motion belicht het nomadenbestaan vroeger, nu en in de toekomst ; Airworld bekijkt de esthetische kant van de luchtvaart.
...

Dit is inderdaad uniek", bevestigt Alexander von Vegesack, directeur van het Vitra Design Museum in het Duitse Weil-am-Rhein. "Het gebeurt niet zo gauw dat vijf van onze reizende exposities in zo'n kort tijdsbestek eenzelfde regio aandoen." Drie ervan plaatsen een designer voor het voetlicht - Marcel Breuer, Verner Panton en Ingo Maurer -, de andere twee zijn thematentoonstellingen : Living in Motion belicht het nomadenbestaan vroeger, nu en in de toekomst ; Airworld bekijkt de esthetische kant van de luchtvaart. Het Vitra Design Museum is een dochter van Vitra, een Zwitsers-Duits familiebedrijf (net iets meer dan een halve eeuw oud) dat zichzelf eind jaren vijftig op de designkaart plaatste door de meubels van Ray en Charles Eames en van George Nelson in Europa te introduceren. Later volgde de wereldberoemde Panton Chair. Onder impuls van Rolf Fehlbaum werd de samenwerking met veelbelovende ontwerpers - jong of al gevestigd, en van overal ter wereld - verder uitgebreid en geïntensifieerd. "Ik ken geen enkel ander bedrijf dat zo close samenwerkt met designers om stoelen te ontwikkelen", zegt Von Vegesack. "Meestal komen zij met een idee, dat eenmaal geaccepteerd verhuist naar het productiebedrijf, waar ingenieurs het verder ontwikkelen. Bij Vitra bestaat een continue samenwerking tussen ingenieurs, ontwerpers en de eigenaar van het bedrijf, Rolf Fehlbaum, die een expert is op het vlak van design." Mario Bellini, Ron Arad, Philippe Starck, Maarten Van Severen, Antonio Citterio, Alberto Meda, Norman Foster, Jasper Morrison, de broers Bouroullec, de ene naam klinkt al bekender in de oren dan de andere. De persoonlijke interesse van Fehlbaum ligt mee aan de basis van het museum : hij begon de eerste serieproducties van Ray en Charles Eames te verzamelen, botste tijdens die zoektocht op andere interessante 'ontdekkingen' en eindigde met een verzameling stoelen die zo volumineus werd dat ze om een eigen onderkomen vroeg. Door die opdracht toe te vertrouwen aan de Amerikaanse architect Frank O. Gehry poneerde Vitra een statement van formaat : het non-conformistische gebouw, een verzameling dozen die op een dynamische manier met elkaar verbonden zijn en in elkaar overvloeien, is het eerste dat Gehry in Europa bouwde. Met het aantrekken van Alexander von Vegesack als directeur kreeg het museum, dat in 1989 de deuren opende, een veel omvangrijker, lees : spannender en boeiender, opdracht dan aanvankelijk de bedoeling was. In vijftien jaar tijd is Von Vegesack erin geslaagd om er één van de meest toonaangevende musea op designgebied van te maken. "Het is geen bedrijfsmuseum", beklemtoont de directeur. "Wij coveren internationaal design uit de verschillende perioden van de industriële evolutie. Met de nadruk op innovatie, qua materialen, technieken en ontwerp. Het merendeel van onze collectie is industrieel vervaardigd. Op enkele uitzonderingen na, en dat zijn dan ook echt sleutelstukken op het vlak van nieuwe ideeën, onontbeerlijk om het plaatje van de geschiedenis compleet te brengen." Elk jaar zet het museum twee grote tentoonstellingen op die vervolgens de wereld rond reizen. Dat laatste is belangrijk, want het geeft de instelling, die voor tachtig procent zelfbedruipend is, een zekere financiële armslag. Von Vegesack : "Uiteraard heeft elke tentoonstelling een link met meubeldesign, interieurontwerp en architectuur. Maar dikwijls gebruiken we meubels als vehikel om een maatschappelijk en cultureel verhaal te vertellen. Het gaat over veel meer dan alleen maar over stoelen en tafels. Living under the crescent moon, bijvoorbeeld, ging over verschillende manieren van leven in de Arabische cultuur. Praten over de islam als religie ligt gevoelig, maar als je een beeld schetst van het gebruik van badkamers, keukens en woonkamers, dan herkent iedereen dat. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat we leren over het alledaagse leven in andere culturen." En naast die thematentoonstellingen zijn er de exposities over het leven en werk van designers. "Belangrijke figuren die symbolen kunnen zijn voor de toekomst." Marcel Breuer is zo iemand. Een man met twee carrières, meubeldesigner en architect, in twee continenten, Europa en Amerika. Een man die vooral erkenning verwierf met zijn baanbrekende meubelontwerpen en in de geschiedenis geboekstaafd staat als de bedenker van het eerste buismeubel, maar ook iemand die zichzelf in de eerste plaats zag als architect. "Het is merkwaardig", zegt Von Vegesack, "hoe men in Europa alleen zijn meubels kent, terwijl hij in de Verenigde Staten vooral gewerkt heeft als architect. Die architectuur is hier nagenoeg onbekend gebleven. Dat hij kerken en kathedralen heeft gebouwd in het noorden van Amerika, weet bijna niemand." De tentoonstelling Marcel Breuer : design & architectuur belicht beide aspecten. Op het eerste gezicht lijkt het erop dat Breuer in Europa vooral meubels en interieurs tekende en in Amerika gebouwen, en dat de twee compleet losstaan van elkaar. Niets is minder waar : hij bleef heel zijn leven interieurs ontwerpen en lang voor hij de overtocht maakte, bedacht hij al woningen. Bovendien ontwikkelde hij een vormentaal die zowel in zijn objecten als in zijn gebouwen uitdrukking kreeg. Breuer werd geboren in het Hongaarse Pécs in 1902. Hij genoot zijn opleiding aan het befaamde Bauhaus, waar hij vanaf 1925 de leiding van het meubelatelier op zich nam. De Wassily (p. 44, linksboven), een buisstoel getekend voor het huis van de schilder Wassily Kandinsky, is zijn bekendste ontwerp. Maar hij ontwierp ook meubels in plywood (letterlijk : gebogen hout) en aluminium. "Breuer zag snel en haarscherp de wezenlijke capaciteiten van een nieuwe techniek of een nieuw materiaal. En hij gebruikte het op de meest geschikte manier. Dat was zijn talent. Iedereen die na hem kwam, speelde eigenlijk met de door hem bedachte logische oplossingen", meent Von Vegesack. Al vrij snel verliet hij het Bauhaus weer (1928) en trok naar Berlijn, waar hij zijn eerste architectenbureau installeerde. Zijn woningen werden niet gebouwd - Europa verkeerde in diepe crisis -, maar zijn meubels en interieurontwerpen waren wel in trek. Via Zürich en Londen verhuisde hij uiteindelijk naar de Verenigde Staten (1937) waar hij door toedoen van zijn vriend Walter Gropius (die een tijdlang het Bauhaus leidde) docent werd aan de Harvard University. Hij scheen een schitterend lesgever te zijn geweest, zo blijkt uit de getuigenis van zijn vriend, de Chinees-Amerikaanse architect Pei in de cataloog. Maar lesgeven was voor hem niet voldoende : Breuer wilde architect zijn en maakte die droom in Amerika ook waar. Hij tekende een groot aantal privé-woningen, single family houses, maar deed daarnaast ook grote projecten in de VS én in Europa : het Unesco-complex in Parijs, het Whitney Museum of American Art in New York, de IBM-vestigingen in Frankrijk en Florida, de Bijenkorf in Rotterdam, het zijn maar enkele voorbeelden. Stuk voor stuk waren het totaalprojecten : niet alleen het gebouw, ook het interieur was van zijn hand. Nog veel minder bekend is dat de Belgische firma De Coene enkele van die interieurs produceerde. "De Coene was een interieuraannemer", beklemtoont Jerôme Dervichian, 76 en begin jaren vijftig de jonge sales manager van het Kortrijkse atelier. De Bijenkorf was het eerste Breuer-project waar De Coene bij betrokken was. Later volgden onder meer de IBM-vestiging in La Gaude en het Unesco-hoofdkwartier in Parijs. "Breuer was een zeer vriendelijke man", herinnert Dervichian zich. "Maar ook iemand die hoge eisen stelde. Je moest snel begrijpen wat hij precies wilde. Wij waren op dat moment een van de weinigen in Europa die de service konden verlenen die hij verwachtte." De Coene beleefde op dat moment zijn hoogtepunt en produceerde meubels voor onder meer Knoll International. Maar daarnaast was het bedrijf vooral gespecialiseerd in alle mogelijke binnenschrijnwerk op maat. Dervichian : "Voor de Bijenkorf hebben we veel Knoll-meubelen geleverd, maar we hebben er ook de bekleding van de plafonds en de roltrappen verzorgd, en de complete interieurs van het restaurant en het kapsalon." In La Gaude werd de computerzaal - "die waren toen nog vier koelkasten groot !" - met bruin ebbenhout betimmerd. Ook de betimmering van de grote assembleezaal van Unesco en de pupiters werden door De Coene vervaardigd en ter plaatse gemonteerd. Wat haast helemaal in de vergeethoek is geraakt, is dat Breuer ook in België een gebouw heeft neergezet : de Torin-fabriek in Nijvel voor zijn vriend Rufus Stillman. Een volledige analyse maken van Breuers werk is in dit bestek onmogelijk (de cataloog van de tentoonstelling telt liefst 448 pagina's). Maar wie het overzicht bekijkt, stelt vast dat er een aantal constanten terug te vinden zijn in zijn oeuvre. Zo was hij zeer geïnteresseerd in de pure constructie zowel van meubels als van gebouwen. Hij experimenteerde met materialen in een voortdurende zoektocht naar hun constructieve mogelijkheden, maar ook naar hun optische en fysische eigenschappen. Lijnen en texturen gebruikte hij om grotere oppervlakken structuur te geven. Dat is het duidelijkst in zijn monumentale betonnen gebouwen. In de façade van de Bijenkorf speelt hij bijvoorbeeld met de zeshoek, een subtiele verwijzing naar de naam. In de Torin-fabriek wordt een geometrisch patroon gebruikt : het repetitieve element geeft het volumineuze gebouw een zekere rust. Reeds tijdens zijn leven werd de architect Breuer (hij overleed in 1981) gewaardeerd, en toch blijft hij vaak in de schaduw staan van de modernistische groten als Le Corbusier en Ludwig Mies van der Rohe. Ten onrechte want op zijn manier heeft Breuer een stempel gedrukt op de architectuur in de tweede helft van de twintigste eeuw. :: De foto's komen uit de cataloog 'Marcel Breuer, design and architecture', Vitra Design Museum, 2003, 59,90 euro. Voor een exclusief bezoek aan de Breuer-tentoonstelling: zie Weekend Knack van 21 april, pag. 225.Tekst Hilde VerbiestOntstaan uit een privé- collectie groeide het Vitra Design Museum in korte tijd uit tot een toonaangevende instelling.In Europa kent men Breuer in de eerste plaats als ontwerper, zijn grote architectendroom kon hij vooral in Amerika waarmaken.