Hoe kon ik anders dan aan Schubert denken toen ik haar bezig zag?
...

Hoe kon ik anders dan aan Schubert denken toen ik haar bezig zag? Zes jaar. Grote donkere ogen, in verwondering op de wereld gericht. Van een nieuwsgierigheid die alleen op die leeftijd zo schaamteloos mag zijn. Haar opa is gestorven. Toen hij aan het doodgaan was, had ze naast zijn bed gestaan - dat kon, want hij deed het netjes. Door de spijlen van het hoofdeinde had ze naar hem gekeken. Haar hoofd nog schuiner dan het zijne, haar ogen meer open dan de zijne gesloten. Ze zal het wel geweten hebben, dat er met hem iets aan de hand was. Omdat hij zo mager was geworden en zo moeilijk kon gaan - zeker niet meer met haar naar Disneyland, bijvoorbeeld. Omdat ze haar twee jaar oudere zus had horen zeggen dat hij zo weinig lachte de laatste tijd, omdat ze hem had horen antwoorden dat hij dat wel wat verleerd had het voorbije half jaar, dat lachen. Of opa nu naar de hemel ging, had ze gevraagd, want zo leren ze dat bij haar op school. Dat denk ik wel, had haar moeder gezegd, moeders mogen de juf niet tegenspreken. Ze had haar gezichtje opgeheven naar de mensen die rond het bed stonden en gevraagd: mogen wij daar dan eens gaan kijken? Nu was het zover. Hij was dood, en dat zou worden gevierd. Een dag vroeger dan gepland, omdat zij de volgende dag zes werd. Vieren kun je niet genoeg, laat dus nooit twee vieringen elkaar in de weg staan. Iedereen mocht voor opa wat doen of zeggen, zo werd afgesproken. Haar zus zou zelfs een gedichtje voordragen, Toon Hermans over een beetje moe en elke dag wat meer, tot de allerlaatste dag. Iedereen, behalve zij, de eeuwige jongste. Altijd net iets te klein voor alles, altijd net iets minder goed dan de anderen. In het rekenen, in het touwspringen, in het onderwaterzwemmen en het rollerbladen. En ook nu, in het gedichtjes voorlezen. Dat kon niet, vond iedereen. Dus mocht zij ook wat, ze mocht een tekening maken voor haar opa. Ze tekende de zon die hij niet meer voelde, de tent waarin hij nooit meer zou gaan kamperen, en wat er zo nog allemaal te zien was op de wereld waarvan hij voorgoed was verdwenen. Een bepaald bonte tekening werd het, nog bonter dan de azaleakrans rond de urne. En die was al niet mis. De plechtigheid was niet goed bezig, of ze zat al op haar stoel te dansen. Wanneer mocht ze nu? Wanneer was het haar beurt? Haar beurt kwam en ze ging naar voren met haar tekening, haar platte borstje van 35 bij 35 gezwollen van trots. Haar tekening mocht niet onderaan tegen de sokkel, neenee, vlak onder de urne moest ze. Zo dicht mogelijk bij hem. Bij mensen op de schoot kruipen, armen om hun hals gekneld, daar is zij kampioen in. En een beetje as is toch ook nog een beetje mens. Jammer toch, dat ze niet heeft gezien hoe iedereen zich, bij het verlaten van de aula, eventjes eerbiedig over haar tekening boog. Maar toen was ze al naar buiten gehuppeld, vrolijk hinkelend op een Romance van Beethoven. Op naar het aanpalende zaaltje, op naar het volgende spelletje. Ze wurmde zich tussen de grote mensen in de rij en deed wat ze hen zag doen. Al die onbekenden, die haar plots een hand kwamen drukken, dat was pas feest! Ze raakte er helemaal opgewonden van, stak onversaagd haar arm uit als bij een karategreep. En maar schudden en knikken en lachen, onvermoeibaar. Het staatshoofd der pygmeeën. Dood en begraven was opa, maar haar dag kon niet meer stuk, en dan moest het beste nog komen: de dag van morgen, haar verjaardag. De dag van het Jerry-ijsje, een bolletje vanille met een neusje en oortjes van chocolade en een staartje van marsepein. De dag van de Plop-rugzak, nog bonter dan de tekening en de azaleakroon rond de urne. De dag van het boek over pesten op school, van de balpen die licht geeft bij het schrijven, van het oranje blote-buiktopje met dito rokje dat haar zus stikjaloers maakt. De allereerste dag van het post-opa-tijdperk. Zo ondraaglijk licht gaat alleen een Mädchen van zes met Der Tod om. INGRID VANDER VEKEN