Peter De Potter
...

Peter De PotterIn de jaren tachtig zong Boy George samen met zijn Culture Club over een Karma, Karma, Karma Chameleon en daarmee bedoelde hij elk buitenaards wezen hier geboren op deze planeet, dus ook Leigh Bowery. Tegenwoordig is Boy een ettelijk aantal kilo's bijgekomen en zijn zangcarrière zit danig in het slop. Maar dat belet hem niet om nog veel op de televisie te komen, gezeten in panels of ondervraagd door alweer een cameraploeg die een retrospectief programma over de jaren tachtig maakt. Als zulk een gelegenheid zich voordoet, draagt Boy nog steeds prominent aanwezige make-up en opvallende kleren. Dit voorjaar haalde hij daarenboven oude, zelfs voor zijn doen vreemdsoortige hoeden uit zijn kast, een torenhoge hanenkam gemaakt van glimmend plastic bijvoorbeeld, of een helm samengesteld uit waaiergewijs geschikte brilmonturen. Wie zijn/haar popculturele geschiedenis wat kent, kon deze hoofddeksels meteen thuisbrengen, maar de piepjonge interviewers die bij Boy op de thee mochten, vroegen een voor een waar de ontwerpen vandaan kwamen. Ze waren twintig jaar geleden gemaakt door Leigh Bowery, antwoordde Boy dan waarheidsgetrouw, en hij voegde eraan toe dat Bowery een genie was, en dat het tijd was dat de hele wereld dat eindelijk eens onder ogen zag. In dezelfde adem maakte Boy promotie voor zijn (ondertussen geflopte) musical Taboo, die Boy's levensverhaal vertelt en nadrukkelijk inzoomt op het Londense nachtleven uit de vroege eighties. In dat stuk is ook een grote rol weggelegd voor Leigh Bowery, zij het niet voor hemzelf, maar voor een acteur die hem naspeelt, want Bowery stierf op de laatste dag van 1994, nauwelijks 33 jaar oud. Dat Bowery mag terugkeren als een figuur in een toneelstuk, of letterlijk op het hoofd van Boy George, is niet meteen het gepaste eerbetoon. Ook als modetentoonstellingen Bowery's creaties postuum bovenhalen, werkt het niet. Dan lijken zijn kleren en kostuums helemaal dood, gewoon wat hopen glitterstof en wattine. Neen, om het fenomeen Leigh Bowery in zijn enorme omvang te (be)grijpen, moet men hem erbij nemen, willen of niet. Precies daarom is het enkele maanden geleden verschenen kijkboek Leigh Bowery Looks wel geslaagd als testament: het is één grote fotosessie, gedirigeerd door de Britse fotograaf Fergus Greer en met Bowery zelve als enige mannequin. Elke pagina toont weer een andere look en/of vermomming, van het soort dat vandaag de dag nog steeds verbijsterend is. Leigh Bowery maakte al zijn kleren zelf, en niemand anders dan hemzelf mocht die aantrekken. Toen hij vanaf de tweede helft van de eighties enige naambekendheid begon te genieten, wilden modehuizen hem inhuren, maar hij weigerde elk aanbod, uit vrees dat alledaagse mensen zijn imago zouden overnemen, zeg maar stelen. Enigszins terecht vond Bowery dat hij alleen zijn outfits tot leven bracht, vooral omdat zijn creaties niets meer, maar vooral niets minder dan visualisaties van zijn volstrekt unieke en positief geperverteerde geestestoestand waren. Het is dus veiliger Bowery een artiest te noemen, want termen als modeontwerper of stilist dekken de lading nog niet eens bij benadering. Bowery maakte van zichzelf een kunstwerk, en van zijn publiek leven een performance, zonder agent, publicist of manager. Wie hem indertijd in actie wilde zien, hoorde af te dalen in het ondergrondse circuit van het Londense nachtleven, hoewel modemagazines als i-D en Blitz zijn steeds veranderende beeltenis ook graag afdrukten. De hele avant-garde hield van Leigh, maar niemand wist of Leigh wel van zichzelf hield. Leigh Bowery was erg groot van gestalte, een flinkerd van één meter negentig, en dik. Als tiener had hij zijn geboorteland Australië ingeruild voor Engeland, want hij had vernomen dat alle misfits zich daar al eeuwen verzamelden. In de vroege jaren tachtig sloot hij zich aan bij de New Romantics, en overgoot zichzelf, net zoals zijn vrienden, met make-up, in alle kleuren van de regenboog. Bowery hield veel van uitgaan, omdat er overdag niet veel te werken viel, en omdat hij hoopte zich 's nachts tegen de sterren uit de media te kunnen wrijven.Het kostte hem echter weinig moeite zelf een ster-van-de-dansvloer te worden, want niemand bleek zich zo buitenissig te kunnen verkleden als hij. Hij beschilderde zijn gezicht met rode of gele stippen, verfde zichzelf helemaal groen en droeg lingerie, bontmantels en plastieken capes, allemaal over elkaar heen. Zijn paspoortfoto toonde een gewone, bleke, wat sip kijkende jongeman, maar als hij na uren voorbereiden en opdirken in zijn spiegel keek, zag hij een alien, een wezen zonder geschiedenis en herkomst, oogverblindend en angstaanjagend tegelijk. Leigh Bowery was absoluut geen travestiet, want gewoon vestimentair van geslacht wisselen interesseerde hem niet. Zijn vrienden hebben laten boekstaven dat Leigh slechts heel af en toe als drag queen verscheen, en dan vermomde hij zich als een Shelley Winters op jaren, met een beige cardigan, een nette plooirok en platte veterschoenen. De adembenemend burleske transformaties waaraan Bowery zichzelf onderwierp, hadden een andere bedoeling dan vertier of verbazing. Net zoals andere misfits vond hij het alledaagse leven danig kleurloos, maar hij had nog andere rekeningen te vereffenen. Al zijn verschijningen becommentarieerden de wereld rondom hem; als een vinnige satireschrijver hekelde hij de samenleving, die hij behalve reuzelollig ook bekrompen en hypocriet vond. Oog in oog met Leigh Bowery komen te staan was bijna nooit een moment van visuele vervoering, veeleer een soort psychische mokerslag. Zijn reusachtig lichaam droeg bulten van textiel, op zijn kaalgeschoren hoofd stolde gedropen was en zijn gezicht zat verscholen achter maskers of onder groteske make-up. Het is belangrijk te beseffen dat Bowery zich nooit als fijnbesnaarde estheet profileerde. Aan sierlijk poseren alleen had hij niet genoeg. Hij fladderde niet, maar strompelde en stampte, en hij deed zich luidruchtig voor, met gerochel, gegrom en kokhalsgeluiden erbovenop.In 1985 opende hij zijn eigen nachtclub, Taboo, dezelfde als in de titel van de musical van Boy George. Degenen die het kunnen navertellen, hebben het jaren later niet meer over de toenmalige muziek of de inrichting, maar enkel en alleen over hetgeen de eigenaar droeg en deed. Over de veiligheidsspelden die hij doorheen zijn beide wangen en mondhoeken trok om een permanente grijnslach te verkrijgen, over de oplichtende gloeilamp die hij in zijn mond droeg, over de kilo's Rice Krispies die hij een voor een op zijn volledige hoofd had gekleefd. De weinige amateurfilmpjes die nog uit die tijd dateren, laten zien dat Bowery nooit echt danste. Wel botste hij moedwillig tegen de bezoekers aan, of struikelde en viel hij, schijnbaar onopzettelijk. Met zijn lichaamstaal onderstreepte hij bewust zijn eigen complexen en tegelijk spoorde hij iedereen aan zijn bevrijdend voorbeeld te volgen, ter eigen bevordering en ter irritatie van de goegemeente. Leigh Bowery was chaos op twee benen, maar met verbazend veel werklust. Hij sloeg veel nachtrust over om alweer een andere outfit klaar te stomen, en hij oefende thuis zolang als nodig was om enigszins normaal te kunnen bewegen in zijn zelfontworpen extremiteiten. Geen wonder dat hij indertijd zijn gelijke niet vond. Bowery vond in de tweede helft van de eighties ook zijn weg naar het podium. Met zijn kameraad, de Britse choreograaf/danser Michael Clark, werkte hij samen aan een reeks balletten, eerst als kostuumontwerper, later als volwaardig lid van Clarks dansgezelschap. Bowery lapte alle theatrale regels aan zijn laars, enerzijds omdat hij van het bestaan ervan niet wist, anderzijds omdat hij vond dat alles anders kon. Dus hoorden de dansers pirouettes uit te voeren met loodzware combat boots, en complexe bewegingen met in de weg zittende, multidimensionale kostuums en gezichtsbedreigende pruiken. Clark, die sowieso anarchistisch, weinig conventioneel ballet voorstond, was zodanig onder de indruk van Bowery's bijdragen dat hij hem als sterdanser opvoerde, tot ergernis van de critici, die niet begrepen waarom er een onbeholpen ploeterende dikkerd tussen de afgetrainde zwanen opdook. Maar Bowery's echte oversteek naar het grote(re) kunstpubliek kwam er dankzij de Londense galerie Anthony d'Offay, die hem in 1989 uitnodigde om een reeks performances ten beste te geven. Bowery sloot zichzelf op in een box die aan de voorkant van een dubbele spiegel was voorzien. Binnenin, gevlijd op een sofa, kon hij zichzelf, maar niet het publiek zien. Hij droeg elke dag een ander kostuum en hij doodde de tijd met zijn eigen mimiek te bewonderen. Kranten schreven dat Bowery's narcistische performance een beetje was zoals naar de zoo gaan, zij het dat de gorilla in dit geval van top tot teen onder de pailletten zat. De beroemde schilder Lucian Freud zag het anders: hij raakte zo gefascineerd door het schouwspel van de gevangen Bowery dat hij elke dag in de galerie langskwam, en Bowery na afloop van de expo inhuurde als model voor een reeks portretten. De twee konden het meteen goed met elkaar vinden, enigszins tot verbazing van hun beider entourages. Bowery spendeerde maanden in het atelier van Freud, en het eindresultaat van hun intellectuele liaison verraste vriend en vijand. De naaktportretten die Freud van Bowery had gemaakt, toonden een fragiele, kwetsbare reus, brutaal in beeld gebracht. Geheel in de lijn van Bowery's persoonlijkheid, waren het weinig vrijblijvende beelden. Zelfs zonder kostuums bleef Bowery imponerend, maar op zijn gezicht had Freud de sporen van besognes laten staan. Ondanks zijn nu publieke, emotionele naaktheid bleef Bowery wel trouw aan zijn eigen wetten: uit een hoop weggegooide verfvodden uit het atelier van Freud maakte hij later een immense patchworksjaal die, als men het stuk van op afstand bekeek, de beeltenis van Adolf Hitler bevatte (Freud kon er hartelijk om lachen). Bowery bleef maar provoceren, ook toen hij voor een late carrière als popzanger koos. Useless Man, een nummer dat hij in 1991 met zijn groep Minty opnam, werd een hit, ondanks/dankzij de grove, expliciete tekst. Voor de optredens van Minty had hij een andere, even opzienbarende gimmicks bedacht. Hij liet zijn bandleden zijn urine drinken, of hij baarde een volwassen vrouw op het podium. Haast letterlijk: onder zijn kostuum zat een meisje verborgen (dat viel niet op, zie Bowery's overgewicht) en wanneer hij op zijn rug ging liggen, scheurde ze zich een weg doorheen zijn ondergoed naar buiten, vergezeld van stromen nepbloed uit zakjes. Het meisje in kwestie was Nicola, een vriendin en fan, waarmee hij een paar jaar voor zijn dood in het huwelijk trad. Bowery was niettegenstaande volstrekt homoseksueel, en dat stak hij nooit onder stoelen of banken. Zijn relatie met zijn eigen lichaam en zijn seksualiteit kleurde wel alles wat hij deed. Hij vergat bewust dat hij volgens de conventies een weinig aantrekkelijke fysiek bezat en creëerde er een overdreven polymorf perverse, spectaculaire identiteit voor in de plaats, niet zozeer om zichzelf weg te cijferen, dan wel om een statement over seksualiteit zelve te maken. In zijn garderobe vol vaudeville en surrealisme liet hij vaak fetisjistische elementen binnendringen, die hij dan beschouwde als de lieflijke, romantische componenten van zijn looks. De geest van Leigh Bowery had evenveel lagen als zijn outfits, maar toch kon hij zijn contradicties aan de rest van de mensheid doorseinen, met platformschoenen en met glitter beplakte varkensmaskers als het moest. Hij kon ook de nodige dosissen pijn verdragen. Om een weelderige boezem te insinueren, snoerde hij zijn bovenlichaam in met meters plakband, zodanig stevig dat hij nauwelijks kon ademen. Bowery was bovenal gulzig: op aandacht, applaus, terreur en controverse, en op seks. Vlak voor zijn dood bekende hij dat hij enkel spijt had van de onveilige seks die hij met duizend mannen had bedreven. Hij vertelde zijn vrienden en vooral de persmensen alles over zijn escapades, maar verzweeg dat hij seropositief was. Tot nieuwjaarsdag 1994, toen hij tengevolge van complicaties in een Londens ziekenhuis de geest gaf. Hij had nog drie wensen te kennen gegeven: hij wou in zijn geboorteland Australië begraven worden, niemand mocht zijn tweede voornaam onthullen en tijdens zijn begrafenis mocht het woord 'God' niet vallen.Over Leigh Bowery bestaan honderden anekdotes, de ene nog wilder dan de andere. Maar die doen er niet toe, zolang de foto's en het filmmateriaal met hem als centrale figuur de ronde blijven doen. Dat visuele materiaal maakt onmiskenbaar duidelijk waarom mensen als Jean Paul Gaultier, Walter Van Beirendonck of Alexander McQueen hem als eeuwige inspiratiebron blijven beschouwen, en waarom hij zo doorslaggevend is geweest voor het profiel van de Londense avant-garde. 2002 heeft Marilyn Manson en Matthew Barney als lichaamstransformators, maar in vergelijking met Leigh Bowery zijn het lichtgewichten. Nu de jaren tachtig weer de rigueur zijn, toch nog in hardnekkig volhoudende kringen, is het weer tijd voor Leigh Bowery. Maar dan als herinnering, op veilige afstand. Nog eens zulk een shock als twintig jaar geleden, neen, de wereld moet al genoeg in therapie. Leigh Bowery Looks, foto's van Fergus Greer, uitgeverij Violette Editions UK, richtprijs 25 euro.Met adembenemend burleske transformaties becommentarieerde Bowery de wereld, hij hekelde de samenleving, die hij behalvereuzelollig ook bekrompen en hypocriet vond.Oog in oog met Leigh Bowery komen te staan wasbijna nooit een moment van visuele vervoering, veeleereen soort psychische mokerslag.Kranten schreven dat Bowery's narcistische performance in deLondense galerie Anthony d'Offray was zoals naar de zoo gaan, zij hetdat de gorilla van top tot teen onder de pailletten zat.