Een geel plakkaat, voorzien van een rode stierenkop en de dwingende boodschap : Forcer l'Avenir. Wanneer je vanuit Vlaams-Brabant over de E40 de provincie Luik binnen rijdt, geeft de Luikenaar ter hoogte van Waremme al meteen zijn levensfilosofie prijs : je toekomst bepaal je zelf.
...

Een geel plakkaat, voorzien van een rode stierenkop en de dwingende boodschap : Forcer l'Avenir. Wanneer je vanuit Vlaams-Brabant over de E40 de provincie Luik binnen rijdt, geeft de Luikenaar ter hoogte van Waremme al meteen zijn levensfilosofie prijs : je toekomst bepaal je zelf. Het voorbije decennium voegden verscheidene jonge voetballertjes - dromend van volgepakte stadions, hun naam gescandeerd na alweer een belangrijk doelpunt - de daad bij het woord. Anno 2014 is hun jeugddroom realiteit. Diezelfde jongetjes spelen nu in de meest prestigieuze voetbalcompetities ter wereld, of verdedigen de Belgische driekleur op het WK in Brazilië. Denk maar aan Axel Witsel (Zenit Sint-Petersburg), Kevin Mirallas (Everton) en Nacer Chadli (Tottenham). Of Christian Benteke, de bonkige spits van Aston Villa, die in de aanloop naar het WK geblesseerd moest afhaken bij de Rode Duivels. Ook 'reserve-Duivels' Guillaume Gillet (Anderlecht) en Sébastien Pocognoli (Hannover) groeiden op in Luik. Net als Mehdi Carcela, cultheld bij Standard en ondertussen Marokkaans international. Allemaal leerden ze voetballen in volkswijken als Visé, Cheratte, Flémalle, Tilleur, Saint-Nicolas of Droixhe, aan de boorden van de Maas. "Iedereen voetbalt", poneert Daniel Boccar, een gereputeerd jeugdopleider in de regio. "Dit arrondissement telt 550 jeugdploegen op ongeveer veertig vierkante kilometer. Guillaume Gillet beaamt dat : "In Luik heerst nog een echte voetbalziel." Die ziel is het best voelbaar bij een bezoekje aan Sclessin, het stadion waar Standard zijn thuiswedstrijden speelt. Inzake voetbalbeleving ongeëvenaard in de Belgische hoogste afdeling. Supporters - doorgaans zijn ze met zo'n 26.000 - stuwen er hun ploeg constant vooruit met opzwepende gezangen (Aux armes is een favoriet, waarbij de ene helft van het stadion inzet en de andere helft aanvult), de tribunes zijn zo gebouwd dat het volk haast in de nek hijgt van de helden op het groene strijdtoneel. Van op de perstribune zie je aan de overkant van de Maas de vuurspuwende fabriekstorens van ArcelorMittal hun dreigende werk doen. Een intimiderend en tegelijk inspirerend decor, vraag dat maar aan elke profvoetballer die er speelde. Axel Witsel bijvoorbeeld, die zijn eerste bezoekje aan Sclessin nooit zal vergeten : "Dat was in het seizoen 1998-'99. Ik was onder de indruk van de vedetten : Ali Lukunku, Ivica Mornar, Vedran Runje. Maar vooral de ambiance in het stadion pakte mij. Ik herinner me nog dat ik toen tegen mijn papa zei : 'Ooit speel ik hier.' Sclessin is uniek in België." Die passie voor voetbal is ook demografisch en economisch te verklaren. Sinds het verval van de steenkoolontginning en het fabrieksleven in de florissante jaren vijftig en zestig liggen de werkloosheidscijfers hier ver boven het gemiddelde, ongeveer dertig procent van de lokale bevolking zit zonder werk. En voetbal is nog altijd de sport van de armen. Overal en altijd mogelijk. Een blikje cola en twee pulls volstaan om een bal en een doel te simuleren. Bovendien is het voor veel jongens de meest voor de hand liggende ontsnappingsroute uit hun weinig benijdenswaardige bestaan. De makkelijkste weg om 'iemand' te worden. Dat begint vaak op straat of op de pleintjes. "Je moet maar eens rondlopen in de vele quartiers van Luik", zegt Vincent Ciccarella, die als jeugdcoördinator fungeerde zowel bij Standard als bij het ter ziele gegane Club Luik, "overal wordt er op straat gevoetbald. Als je de achtergrond bestudeert van de jongens die het nu maken bij de Rode Duivels, kom je tot één vaststelling : niemand had het breed. De meesten woonden in echte barakken en in achtergestelde buurten. Voetbal was hun enige uitlaatklep." Daarnaast heerst er al generaties lang een instroom van migranten, destijds overgekomen om de Belgische mijnen in te duiken en tot op vandaag gravend naar geluk in België. Eén op de zes inwoners van Luik is buitenlander, genaturaliseerde Belgen niet meegerekend. Enkel in Brussel ligt dat cijfer hoger (één op de vier). Is het toeval dat deze twee steden de voorbije jaren het hoogste aantal topvoetballers voortbrachten ? Daniel Renard, ex-journalist en volger van het Luikse voetbal, ziet in zijn thuisstad wat een mix van culturen kan bijbrengen aan een maatschappij. En specifieker : aan het voetbal. "De immigranten hebben hun zuiderse karakteristieken overgebracht", vertelde hij vorig jaar in Sport/Voetbalmagazine. "Een flinke dosis fantasie en souplesse in de bewegingen. In combinatie met de typische Luikse werkersmentaliteit, die van generatie op generatie wordt doorgegeven, zorgt dat voor gensters. Veertig jaar geleden al liep het hier vol Spanjaarden en Italianen, maar die bleven toen steken in de provinciale reeksen. Spelers als Enzo Scifo en Raphaël Quaranta braken door dat glazen plafond. Luik is er met de jaren in geslaagd zijn immigranten een thuisgevoel te geven. Door ons mijnverleden zijn we het gewend verschillende culturen te omarmen." Het grote probleem was lange tijd dat veel van die talenten hun weg niet vonden naar het georganiseerde voetbal, naar de vele clubs in de regio. Ze hadden moeite met de gevraagde discipline, met het engagement dat erbij hoorde, of soms beschikten ze simpelweg niet over het geld om zich bij een club aan te sluiten. Veel talent ging zo verloren of kwam in het zaalvoetbalwereldje terecht. Daar is sinds de oprichting van de Académie Louis-Dreyfus in 2007 verandering in gekomen. Een state of theart opleidingscentrum, op tien minuutjes rijden van Sclessin, gefinancierd door de intussen overleden Franse zakenman Robert Louis-Dreyfus (ex-topman van Adidas) en mee op poten gezet door de oppermachtige voetbalmakelaar en voormalig Standardvoorzitter Luciano D'Onofrio. De infrastructuur is Europese top, de combinatie voetballen/studeren piekfijn geregeld en de scouting zeer minutieus. Geen talentje dat hen aan het oog ontsnapt. Bovendien kwam die voetbalacademie er op het juiste moment. Luik heeft in feite altijd al een reputatie gehad als kweekvijver van talent. In de jaren tachtig en negentig telde de stad maar liefst drie eersteklassers : Club Luik, Seraing en Standard. Alle drie stonden ze bekend voor hun jeugdopleiding. "De filosofie van die Luikse clubs was helemaal anders dan in het noorden van het land", legt Ciccarella uit. "In Vlaanderen zocht men vooral ploegspelers, terwijl in Luik veel aandacht uitging naar het individu, mannen met techniek, dribbelaars. Jonge voetballertjes worden er gestimuleerd om zich individueel te ontplooien. François Sterchele (de ex-spits van Club Brugge, die in 2008 om het leven kwam bij een nachtelijk verkeersongeval) was daar een goed voorbeeld van. Bij de jeugd van Loncin speelde hij als laatste man, hij dribbelde dikwijls in zijn eigen rechthoek. Geen probleem, anderen zouden zich daaraan ergeren, wij niet, wij haalden hem naar Club Luik." "Daarnaast moet ik vaststellen dat de kwaliteit van de trainers in het Luikse bijzonder hoog ligt. De trainers beleven hun vak hier heel vurig, om dezelfde redenen als de jonge voetballers : het is een uitlaatklep, vaak zelfs een uitweg." Door de financiële problemen van Seraing en Club Luik verdwenen die clubs medio jaren negentig uit eerste klasse, waardoor er een leemte ontstond op vlak van begeleiding van lokaal talent naar de hoogste afdelingen. De Académie Louis-Dreyfus dook gretig in de vrijgekomen ruimte, meer dan ooit wordt het aanwezige talent in Luik en omstreken gecentraliseerd in één opleidingsparadijs. Maar naast de Académie Louis-Dreyfus bezit Luik ook de meest performante opleidingscentra, waar trainers en inschrijvingsgeld niet nodig zijn : de agoraspaces (door de gemeente gesubsidieerde pleintjes met geïntegreerde doelen, basketringen en boarding), schoolplaatsen en doodlopende straten. De bekendste daarvan liggen in Droixhe, een wijk die tijdens de jaren vijftig en zestig te boek stond als vooruitstrevend, met nieuwe flatgebouwen die geïnspireerd waren door de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier. Veel gezinnen uit de middenklasse kwamen er zich vestigen. Nieuw zijn die gebouwen ondertussen al lang niet meer en van middenklasse is er ook al weinig te merken. Het zijn nu achterbuurten, waar jongeren op straat slenteren en grote families op elkaar gepakt zitten in veel te kleine appartementjes. Maar de Place de la Libération, en de agoraspace van FC Lidl (door de jongeren zo gedoopt, naar de vlakbij gelegen supermarkt) bruisen van enthousiasme. Hier leerden Carcela, Mirallas, Benteke en Witsel hun voetbalkunstjes opvoeren en organiseerden ze hun eigen Coupe du Monde. Hier ontwikkelden ze hun gave techniek en winnaarsmentaliteit. Voetballen gebeurt gemengd : alle leeftijden, nationaliteiten en niveaus door elkaar. Geen voetbalregels, maar de wetten van de straat als enige leidraad. Om te vermijden dat je gepest wordt, moet je voor jezelf opkomen. Dat haantjesgedrag is het fundament van hun ambitie, zelfs wanneer ze miljoenen verdienen bij Europese topclubs. Ga maar eens een training van de Rode Duivels bekijken : een bal door de benen, het zogeheten 'poortje', vinden ze nog steeds het toppunt van vernedering. Hoongelach van de rest van de groep geldt daarbij als maximale straf. Dat zijn de wetten van de straat. 20 april 2008, dat is de dag dat alles veranderde in voetbalstad Luik. Voor het eerst in 25 jaar kon Standard nog eens de landstitel winnen. Kordaat geleid door de vurige trainer Michel Preud'homme, maar vooral gedreven door het jeugdige enthousiasme en immense talent van zijn jonkies : Axel Witsel, Marouane Fellaini en Steven Defour. Zij toonden aan dat het wél mogelijk was om met Belgische jeugdspelers kampioen te worden. Tot dan toe was de teneur immers : met jeugd haal je geen prijzen. Of : het Belgische talent is niet genoeg, we moeten buitenlanders halen om een meerwaarde te creëren. Sinds 20 april 2008 zijn die ideeën achterhaald. Belgische eersteklassers zagen dat het model van Standard, met zijn gloednieuwe en poepchique Académie Louis-Dreyfus, werkte. Meer zelfs, dat ze met de verkoop van die zelf opgeleide jeugd de voorbije jaren flink wat poen wisten te scheppen. Tegenwoordig vertegenwoordigen Defour, Witsel en Fellaini samen een kapitaal van zowat honderd miljoen euro. Meer wortel hoef je een voetbalbonze niet voor de neus te laten bengelen. Omgekeerd zagen de Luikse jongeren ook dat het mogelijk was om de top te bereiken. Om geld en roem te vergaren ondanks een gebrek aan financiële steun van thuis. Nog massa's talent zit eraan te komen. Zakaria Bakkali, het achttienjarige dribbelwonder van PSV Eindhoven, opgegroeid in Droixhe, mocht vorig jaar al eens proeven van de Rode Duivels. En Standard greep dit seizoen maar nipt naast de titel met een nieuw opengetrokken blik eigen jeugd in het elftal : Trésor Mpoku, Dino Arslanagic en Julien De Sart, om er enkele te noemen. Het beste moet nog komen, daar zijn ze in Luik van overtuigd. Je toekomst bepaal je zelf, weet je wel. DOOR MATTHIAS STOCKMANSHet meest performante opleidingscentrum van Luik is er eentje zonder trainers of inschrijvingsgeld : de volkswijk Droixhe Axel Witsel : "Mijn eerste bezoek aan Sclessin vergeet ik nooit : de ambiance maakte een immense indruk op mij. Toen al zei ik tegen mijn papa : ooit speel ik hier"