Toen ik nog een jongetje was en altijd de eerste van de klas, heerste thuis vaak een bedrukte stemming. Omdat ik in een eigen, ontoegankelijke wereld leefde waarin papier een belangrijke rol speelde. Ik tekende mijn rekenschrift vol met schetsjes, ging 's avonds in mijn eentje lange wandelingen in de natuur maken, droomde onderweg van een groots en meeslepend leven en schreef of las in een intiem hoekje.
...

Toen ik nog een jongetje was en altijd de eerste van de klas, heerste thuis vaak een bedrukte stemming. Omdat ik in een eigen, ontoegankelijke wereld leefde waarin papier een belangrijke rol speelde. Ik tekende mijn rekenschrift vol met schetsjes, ging 's avonds in mijn eentje lange wandelingen in de natuur maken, droomde onderweg van een groots en meeslepend leven en schreef of las in een intiem hoekje. "En soms kan hij zo verstandig zijn", zuchtte mijn moeder. "Moet je dan niet meer studeren ?" vroeg mijn vader. Toen ik achttien was, wilde ik naar de tekenacademie, maar dat was zonder de waard gerekend. "We gaan toch geen artiesten kweken ?" opperde mijn vader, die alleen bereid was om in licentiaatstudies te investeren en lange uitweidingen hield over de omvang en de zekerheid van een ambtenarenpensioen. Ik probeerde de passie te vergeten, wilde niet onredelijk zijn, en volgde een jaar pol en soc, het vervelendste jaar dat ik me kan herinneren. Om de pil te verzachten ging ik twee keer in de week Japans studeren en bracht de avonden op de academie door. Ik verliet in juni opgelucht en voorgoed de universiteit, herademde, borstelde wat Japanse karakters om en herleefde achter mijn schetsblok en in mijn dagboeken. Maar er was thuis niemand aan wie ik die passie kon uitleggen. Toen ik de zekerheid van een korte carrière in het onderwijs inwisselde voor het onzekere bestaan van het schrijven, ging er een huivering door de familie. Er heerste onbegrip en verslagenheid. Ik was een outcast, die zijn dagen in boekhandels sleet en in rokerige kroegen. Ik ontmoette gelijkgezinden, de lange wandelingen groeiden uit tot lange reizen. Ik schreef en overleefde op dat schrijven. En nu en dan liep ik mijn medestudenten van toen tegen het lijf, die net zo saai geworden waren als dat jaar op de universiteit. Saai en ongelukkig en vol van onvervulde dromen. Pas veel later begreep ik dat de mens geen redelijk wezen is, hoewel iedereen dat hardnekkig blijft volhouden, met alle gevolgen en onbegrip van dien. Alle wetten en gedragsregels doen een beroep op het verstand en laten geen ruimte voor passies. Hoe langer hoe meer geloof ik dat alle belangrijke beslissingen instinctief genomen worden : de keuze van een partner, van een auto of een huis. Niet verwonderlijk, want het verstand is nog zo jong terwijl de instincten en hartstochten al miljoenen jaren meegaan en voor onze overleving hebben gezorgd. Alleen wordt een passionele keuze angstvallig met een rationeel sausje eroverheen aan de omstanders verklaard, omdat er een soort schaamte over bestaat. Passie lijkt wel een vies woord. Iets primitiefs, en vooral iets onvoorspelbaars en efemeers, iets voor in de film of in een roman. Enkel bedoeld om op afstand naar te kijken of over te lezen. Een woord dat niet past in een maatschappij die op zekerheid mikt en bol staat van de verzekeringspolissen en garanties. Een maatschappij waarin een verlate passie als een midlifecrisis wordt omschreven, en liefde op het eerste gezicht als een riskant verschijnsel wordt beschouwd waarover met een mengsel van verwondering en afgunst wordt gefluisterd. Ik beschouw mezelf als een redelijk gelukkig mens, en dat heeft veel met de beleving van die passies te maken. Alleen heb ik het al lang verleerd om de opwinding die bij passies hoort aan anderen uit te leggen. Want wie herkent nu iets van het gelukzalige gevoel dat bezit van me neemt bij het op papier zetten van een min of meer geslaagde zin, bij het tekenen van een vrouwenlichaam, bij het schaamteloos snel rijden met een Caterham, de haren in de wind ? De Fransen hebben er minder moeite mee, daders van een crimedepassion kunnen in het land van Voltaire zelfs op een zekere mildheid van de rechter rekenen. En vooral, ze hebben die onsterfelijke zin bedacht die alle uitleg overbodig maakt : Le coeur a ses raisons, que la raison ne connaît point.Pierre Darge