In de negentiende eeuw zag de burgerij er de noodzaak van in dat het "gewone volk" fatsoenlijk kon wonen. Behoorlijke huisvesting was toen nergens in Europa vanzelfsprekend. Grote delen van de arbeidersklasse droomden ervan hun bedompte huurhuizen in tochtige straten te ruilen voor een eigen optrekje.

In het vlot geschreven werkje Huis, tuin en keuken verhaalt de historicus Herman Beliën hoe die droom langzaam maar zeker vorm kreeg. De schrijver heeft niet alleen oog voor de voordelen van het nieuwe wonen, zoals het verbeteren van de hygiëne en het uitbannen van bepaalde sociale misstanden. De beschavingsdrang had ook zijn prijs. De nieuwe bewoners kregen exact voorgeschreven hoe ze met hun huis moesten omgaan. Het ontbrak de heren "volksverheffers" niet aan betuttelende neigingen. De arbeider kreeg weliswaar een eigen keuken, maar vaak was het raam zo geconstrueerd dat de "gelukkige" niet naarbuiten kon leunen. Dat comfort zou hem op luie gedachten hebben kunnen brengen.

In geschiedenisboeken wordt veel aandacht besteed aan de filantropische werken van negentiende-eeuwse Europese industriëlen. Fabrikanten als Krupp, Siemens en Philips bouwden hele dorpen voor hun arbeiders, compleet met scholen, bibliotheken en in elk huis een toilet en stromend water. Wat de arbeiders en hun gezinsleden zelf dachten over hun nieuwe woonomgeving, daar hebben we veelal het raden naar. Onverdeeld positief was hun mening zeker niet. In de meeste dorpen die overzee door Amerikaanse fabrikanten werden gebouwd, zocht men tevergeefs naar een kroeg. De bestuurders van Europese arbeiderswijken gingen in hun bedilzucht zover dat ze bewoners die 's nachts naar huis waggelden met een stuk in hun kraag, verplichtten hun roes buiten uit te slapen.

Herman Beliën: Ik moet in dit verband altijd denken aan een bepaalde scène uit De Fabeltjeskrant, een kinderserie uit de jaren zestig. Daarin werd Bor de Wolf geregeld verbannen naar het Enge Buitenbos. Als hij daar op een bepaald moment tegen protesteert, zegt een van de andere dieren: "Bor, het is voor je eigen bestwil." Waarop die antwoordt: "Maar ik heb helemaal geen eigen bestwil." Het is natuurlijk makkelijk de filantropie van de hogere burgerij te veroordelen als verkapt egoïsme. Vanzelfsprekend hadden de industriëlen er alle belang bij dat hun arbeiders gezond leefden, zodat ze langer en beter konden werken. Toch was er ook sprake van oprechte sociale bekommernis. De bazen maakten zich niet alleen zorgen over het drankmisbruik bij de arbeidersklasse omdat dat indruiste tegen hun eigen fatsoensnormen, maar ook omdat ze wisten dat de combinatie van alcoholisme en armoede velen tot het drinken van spiritus aanzette, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Misschien moeten we die filantropen veeleer verwijten dat ze zich nauwelijks afvroegen hoe de lagere klasse echt leefde. Ondanks de schrijnende armoede slaagden de meeste gezinshoofden erin om elke dag eten op tafel te hebben. Ze zorgden voor een dak boven het hoofd. Als de huur van een woning voor één gezin te hoog was, trokken ze er desnoods met 16 mensen in om de kosten te drukken. Als er nergens werk was, werden de kinderen geprostitueerd. Hoe verwerpelijk de woonomstandigheden ook waren en de manier om in het levensonderhoud te voorzien, die mensen beschikten over efficiënte overlevingsreflexen. Daarin verschilden ze niet van de huidige bewoners van de sloppenwijken bij Mexico City of Calcutta, net zoals de houding van westerse toeristen in die vreemde slums vaak sterk gelijkt op die van de negentiende-eeuwse burgers tegenover de verpauperde arbeidersklasse. "Pittoresk" zeggen we al gauw, maar wat is dat anders dan een eufemisme waarin afkeer en afstandelijkheid met elkaar verstrengeld zijn?

Het was ook de tijd van de volkstuintjes, waarin de arbeiders hun eigen groenten konden kweken.

Het onderhoud van zo'n volkstuin werd aangemoedigd, omdat ervan uitgegaan werd dat het contact met de natuur en het kweken van eigen voedsel een beschavende invloed hadden. Ook in die volkstuintjes was het betutteling troef. Soms was er een reglement waarin tot op de millimeter werd bepaald hoe hoog een hekje mocht zijn.

Zodra de gewone mensen een eigen huis hadden, richtte het streven zich op het hebben van een aparte keuken en vooral op keukenapparatuur. U beweert echter dat de aanschaf van stofzuigers, wasmachines en dergelijke voor de burgerij gewoon een noodzaak was

Doordat na de Eerste Wereldoorlog steeds meer jonge vrouwen liever op kantoor of in de fabriek gingen werken dan dienstmeid te worden, werden de burgervrouwen gedwongen meer zelf te doen in het huishouden. Elke maandag werd geheel besteed aan het wassen. Minstens twee volle weken per jaar waren bestemd voor de grote schoonmaak, één in het voorjaar en één in het najaar. Er werd een voortdurende strijd tegen het stof geleverd. Wilde een vrouw haar huishouden doeltreffend kunnen bestieren, dan moest ze echt de vaardigheden van een manager ontwikkelen, zodat ze wat tijd overhield voor haar kinderen en voor wat "het scheppen van een warme huiselijke sfeer voor de echtgenoot" werd genoemd. De uitvinding van de wasmachine, maar vooral van de stofzuiger waren daarom welkom. De eerste stofzuigers hadden dan wel het formaat van een kleine tank - je kon ze maar moeilijk in huis opbergen - ze leidden tot een enorme tijdsbesparing.

In veel hypermoderne keukens wordt nog nauwelijks gekookt, omdat de bezitters liever buitenhuis eten. Zijn tijdwinst en comfort op den duur niet overschaduwd door de drang naar status, door het verlangen om zich positief te onderscheiden?

Ik denk het wel. Toen ik in de jaren tachtig met mijn vrouw een nieuwe keuken ging kopen, werden we in diverse winkels te woord gestaan door verkopers die exact dezelfde tactiek gebruikten als bij het aanprijzen van een nieuwe wagen. Het pure "hebben" van een modern snufje in zo'n keuken was belangrijker geworden dan het eventuele gemak dat die apparatuur kon verschaffen.

In Amerikaanse nieuwbouwhuizen wordt de keuken vaak zelfs niet meer ingebouwd. Daar staat alleen nog een magnetron. Ook bij ons raken de minute-meals almaar meer ingeburgerd?

Zeker de aparte keuken is grotendeels verdwenen. De afzuigkap en de afwasmachine hebben het mogelijk gemaakt onaangename luchtjes te doen verdwijnen. Zo kon het fenomeen van de open keuken ontstaan. En na het huis, de tuin en de keuken is de eigen auto het statussymbool geworden. Een jaar geleden ontdekte ik toevallig iemand die twee symbolen met elkaar had verbonden in een autotuin. Bij gebrek aan een eigen tuin had hij een kapotte auto voor de deur geparkeerd, vol aarde gestort en beplant.

Is het beschavingsoffensief inmiddels voltooid verleden tijd?

De Duitse socioloog Norbert Elias heeft de oorsprong van het "beschavingsoffensief" in de 17de eeuw gesitueerd, toen de burgerij de levensstijl van de adel rond Lodewijk XIV begon te imiteren. Elias is inmiddels al tien jaar dood, maar het beschavingsoffensief is nog lang niet voltooid. Volgens mij zal men altijd weer nieuwe bevolkingsgroepen vinden als potentieel doelwit. Nu zijn dat vooral de vreemdelingen. Veel allochtonen hebben zich inmiddels onze burgerlijke levensstijl eigen gemaakt. Ik heb veel bewondering voor een Turks meisje dat uit een traditioneel islamitisch gezin komt, hier rechten studeert en een eigen advocatenkantoor opent. Zulke mensen maken ineens een grote maatschappelijke sprong, maar ze vallen je niet speciaal op omdat ze zich zo goed hebben geïntegreerd. Je merkt het alleen nog aan een wat exotische familienaam.

Toch gaat het veel "beschavers" niet snel genoeg. De integratie moet nu gebeuren, en niet over vijf of tien jaar, menen ze. Ze doen me soms denken aan de hulpverleners die toiletten installeerden in de huizen van de zwarte townships in Zuid-Afrika en vervolgens boos werden omdat die Zuid-Afrikanen het in de bosjes bleven doen.

Herman Beliën, "Huis, tuin en keuken", Uitgeverij Contact, 110 p., 250 fr.

Jeroen Kuypers & Piet de Moor / Foto Lieve Blancquaert