Bij zo'n hitsige temperatuur kijk ik verstomd. Niet door de moeilijke klim op de honderden ijzeren trappen die tegen de rotswand kleven. Wel door de mooiste borsten die ik ooit heb gezien. Volrond, uitnodigend, bedwelmend, gracieus en vrijgevig. Helaas zijn ze niet echt : het zijn fresco's, borsten van zeventien danseressen uit een ingebeeld paleis of tempel, geschilderd op de Leeuwenberg van Sigiriya. Of zijn het priesteressen, prostituees of prinsessen ? Niemand weet het. De rots staat eenzaam in het groene land, zowat in het geografische midden van Sri Lanka.
...

Bij zo'n hitsige temperatuur kijk ik verstomd. Niet door de moeilijke klim op de honderden ijzeren trappen die tegen de rotswand kleven. Wel door de mooiste borsten die ik ooit heb gezien. Volrond, uitnodigend, bedwelmend, gracieus en vrijgevig. Helaas zijn ze niet echt : het zijn fresco's, borsten van zeventien danseressen uit een ingebeeld paleis of tempel, geschilderd op de Leeuwenberg van Sigiriya. Of zijn het priesteressen, prostituees of prinsessen ? Niemand weet het. De rots staat eenzaam in het groene land, zowat in het geografische midden van Sri Lanka. Vaak zal ik aan die 'wolkenmeisjes' denken tijdens mijn rondreis over dit schone eiland, dat als een traan van Boeddha van de zuidpunt van India in zee lijkt te vallen. Ik zal aan hen denken, niet vanwege hun betoverende naaktheid, wel omdat ze lachen en gelukkig zijn zoals veel vrouwen op straat : zwoegend op een rijstveld, wapperend in kleurrijke sari's langs de wegberm, mager en bedeesd of met een zilveren ring om de enkel, glimlachend aan een straatkraam met kokos of mango, met een kind op de arm fonkelend in blauw, of bijna versleten met een buffel aan een koord. Een boeddhistische Singalese of een hindoeïstische Tamil, telkens geven ze dit land energie : ze batikken in een halfdonker atelier, offeren een lotusbloem in een tempel, vullen hun tassen op de markt, zo sierlijk, zo elegant, zo sensueel. In dit serene land, tussen een weelde van wouden en rijstvelden, zijn ze het kleurrijkste pigment op de vele schilderijen die Sri Lanka heten. Een tweede keer snak ik naar adem : in de vochtige lucht van vijf grotten snoeren honderden roodgouden boeddhabeelden me de keel : een zwijgzame wereld van mediterende blikken, geloken ogen, een verdraagzame glimlach en de onthechting van verlichte geesten. Ze staan, liggen of zitten, hun handen zijn gevouwen, sommigen dragen een vlam boven het hoofd, hun lippen zijn niets dan een lijn van overpeinzing. De onbeweeglijkheid van de boeddha's versterkt hun dwingende aanwezigheid. Op de wanden dansen in de kaarsvlammen nog duizenden boeddha's, met taferelen waarin wijsheid en mythologie opgaan in een religie, die enkel een levenswijze wil zijn. Die raadselachtige kosmos in de grottempels van Dambulla is een van de meest intense plaatsen om de identiteit van het boeddhisme te ondergaan. Want haar begrijpen, is voor de gewone reiziger onmogelijk. Daarom reis ik verder, want even wonderlijk zijn de talloze tempels met hun rituelen en gebruiken. Over eindeloze 1840 trappen, bezaaid met frangipanebladeren, wandel ik naar de dagoba van Mihintale, een witte tempel met een relikwie die zijn punt hoog boven het woud laat uitrijzen : hier had de reis kunnen beginnen, want de plek geldt als bakermat van het boeddhisme op Sri Lanka, sinds prins-monnik Mahinda in 247 voor Christus neerstreek uit de hemel en op de rots een klooster liet bouwen. Andere tempels verschenen tussen palmen en rijstvelden : in de regen bezoek ik de liggende boeddha van Polonnaruwa, om-stuwd door monniken in oranje gewaad. En natuurlijk kijk ik op naar de gigantische tempels van Anuradhapura, de eerste hoofdstad van Sri Lanka. Een vrouw reikt me waterlelies aan : "You can offer them to the Buddha. We bidden niet voor hem, we vereren hem alleen. Hij is geen God, hij is een mens die gestorven is." Een vrolijke rij olifanten van Ganesh torst de machtige dagoba van Ruwanuweli Seya. Naast mij zingen vrouwen voorovergebogen naar de aarde. Daar staat de heilige vijgenboom : de Sri Maha Bodhi, een symbool van verlichting, is kreupel en wordt gestut, want iedereen verzekert me dat hij met 22 eeuwen de oudst levende boom ter wereld is. Nadat Siddhartha Gautama in het verre noorden van India onder zo'n boom in de zesde eeuw voor onze tijdrekening als Boeddha verlichting had bereikt, werd deze loot een van de belangrijkste bedevaartsdoelen op Sri Lanka. Pelgrims zitten te bidden, monniken eten een hap en oude vrouwen wachten op hun nakende dood. Ik hoef geen boeddhist te zijn om te voelen dat de Bodhi, zoals alle bomen op aarde, onontbeerlijke gezellen zijn om ons van de ondergang te redden. Bovendien doet het deugd om te genieten van de luwte, de schaduw, de verbondenheid met de aarde en het gezelschap van de mensen. Op hun stok zitten ze in de branding : de steltvissers langs de stranden bij Weligama zijn zo'n iconisch beeld. Hier in het westen liggen de luxueuze strandhotels, die een rondreis verrijken met een paar dagen rust. Want veel valt te ontdekken. Bij Kandy lokt de botanische tuin van Peradeniya, een geurige oase met bloemen, bomen en kruidentuin. Tussen hoofdstad Colombo en Kandy ligt in Pinnewela de Elephant Orphanage waar olifanten, een verdwijnend beeld in de straten van het land, worden verzorgd. In de bergen van het binnenland bezoek ik theeplantages, kijk naar de arbeid van de pluksters en proef de drank in de fabriek. Bij Ella maak ik de mooiste bergwandeling. En op de hoogvlakte van Horton Plains, met de klif van World's End, heb ik een zeldzame ontmoeting met de bedreigde witbaardlangoer. Natuurparken ontbreken niet, zoals Yala in het zuiden voor olifanten, herten, luipaarden en de wilde kip. Of Sinharaja als laatste tropisch regenwoud waar ik een paar endemische vogels spot. Wat is er op deze kleine klomp veel te doen ! Maar onderweg is het telkens stoppen geblazen : aan straatkramen, tijdelijke winkeltjes en fietskarren verkopen meisjes kokossap of jackfruit, avocado's en doerian. Op stalletjes liggen papaja en passievrucht, mangosteen, ramboetan en cashewnoten, kleine en grote bananen. Het lekkerst zijn de mango's : overal staan tempeltjes in hout of roestig metaal, bij een waterval of uitkijkpunt, op weg naar een tempel of gewoon in een dorp. De verkoper snijdt langs de harde kern schijven af, hij maakt inkepingen met een mes tot hij vierkante blokjes krijgt, duwt de schil naar binnen tot het vruchtvlees bol staat : reizen door Sri Lanka is stoppen aan een mangokraam. De avondzon schijnt weldoend. Vliegende honden klapwieken als draken boven het meer van Kandy. In een eethuis krijg ik een overdadige maaltijd : roti of brood als pannenkoekjes, dhal of een deeg van allerlei peulvruchten, geraspte kokos, chutneys en kommetjes met sambol, stringhoppers of noedels van rijstmeel, vis gekruid met kerrie, koriander, kardemom, peper, kaneel of komijn, en natuurlijk de driemaal dagelijkse rice and curry, het basisgerecht van de Sri Lankaanse keuken. Op straat is het feestelijk druk. Nergens is de magie van de olifanten intenser dan op een Perahera, de jaarlijkse processie ter ere van Boeddha. Kandy heeft twee zulke feesten, eentje in mei en het grote Esala Perahera tijdens de volle maan in juli of augustus : het is een van de indrukwekkendste festivals in Zuidoost-Azië. Rond de Tempel van de Tand, het belangrijkste heiligdom van boeddhistisch Sri Lanka, verzamelen mens en dier. Door de straten trekt een stoet met hindoeïstische goden, opzwepende muziek begeleidt de Kandy-dansers, die in wilde en gestileerde choreografieën een cobra- of pauwendans brengen. Zesentwintig soorten trommels bootsen de lettergrepen uit het Sanskriet na, cimbalen, drums en fluiten laten mannen met gesmukte hoofddeksels en borstplaten rondtollen. Vuurdragers en kerels met reuzentoortsen verlichten de avond, de mahouts loodsen hun dikhuiden door de menigte en aan het eind volgt de kolossale tempelolifant, die behalve versieringen en lichtjes op zijn rug ook een baldakijn met daarin de tand van Boeddha draagt. Als met een kanonschot het festival voorbij is, verdwijnen de olifanten weer van de straat. Boven het gehucht Dalhousie domineert de berg de vallei, tussen nevels en het laatste daglicht. Morgen is afzien : want op Adam's Peak, de op vier na hoogste berg van het land, heeft de uit het paradijs verdreven man van Eva een voetafdruk achtergelaten. Boven straalt de zonsopgang, daar willen pelgrims van alle gezindten naartoe : boeddhisten, hindoes, christenen en moslims willen de heilige berg één keer bestijgen. Van op het plein kijk ik in de vooravond naar het traject van uitgehouwen trappen, die steil iedere bedevaartganger naar de top leiden. Om drie uur 's ochtends begin ik de tocht, eerst langs een pad met tempels, kramen en boeddha's, later langs trappen die niemand ontzien. Boven en onder mij fonkelen lichtjes van pelgrims, die als glimwormpjes omhoog klauteren. De top ligt op drie uur klimmen. Het is een zware opgave, maar ook de stokoude vrouwen die na elke trede een rustpauze inlassen, zijn voor zonsopgang boven. Op de top, met een dagoba en wimpels, is het bar koud. Honderden zielen kijken oostwaarts waar de zon zich losmaakt uit een vredig berglandschap. Met ceremonieel, offergaven en een groet ronden de pelgrims hun bedevaart af. Op het plein spelen monniken muziek, de zon werpt de schaduw van Adam's Peak op andere bergen. Als simpele sterveling tussen duizenden anderen is mijn pelgrimage volbracht : ik kijk uit over dat kleine Sri Lanka en weet dat er tussen de mensen nog veel te ontdekken valt. MARK GIELEN