Ik zit op het kerkhof van Denuy en kijk naar het dorp dat slaperig, de luiken gesloten, tegen de helling plakt. In bronzen licht gegoten is alles tot stilstand en zwijgen gekomen. Een paar schapen liggen te suffen in hun vuile, vetgele winterjas. De enige beweging die valt waar te nemen komt van een half dozijn vale gieren die in de verte nullen en achten zweven. Een paar huizen en het lang verlaten schooltje zijn ooit naar beneden gegleden en dicht op elkaar gedrukt, in een dalletje tot stilstand gekomen. De gebouwen dragen een zavelkleurig uniform, een bobbelige noklijn als een dinosaurische ruggengraat en een pannenpuzzel in zeven tinten roze, zinkwit, abrikoos en het grijs van beton: een kleurenharmonie ontstaan uit toeval, of was elke dakwerker destijds een bekwaam mozaïst?
...