Je kunt hier niet met de auto geraken", had Wim Cuyvers aan de telefoon gezegd. "Die parkeer je het best aan de voet van de berg, vlak bij de stad Saint-Claude. Van daar is het veertig minuten bergop wandelen, door het bos, tot je aan het huis komt. Je print best de wegbeschrijving af. En voorzie regenkledij, het kan hier extreem nat zijn."
...

Je kunt hier niet met de auto geraken", had Wim Cuyvers aan de telefoon gezegd. "Die parkeer je het best aan de voet van de berg, vlak bij de stad Saint-Claude. Van daar is het veertig minuten bergop wandelen, door het bos, tot je aan het huis komt. Je print best de wegbeschrijving af. En voorzie regenkledij, het kan hier extreem nat zijn." Een week later, op een zondagochtend, begin ik ter hoogte van Saint-Claude aan een bergwandeling door de Franse Haut-Jura. Het is nog frisjes buiten, maar de ochtendzon prikt door de hoge bomen. De bosberg lijkt eindeloos en verlaten, nergens zijn er andere wandelaars te bespeuren. Ik wandel langs een rivier omhoog, op een keienweg die tussen de bomen slingert. Na een half uur stappen maakt het pad een bocht van negentig graden naar rechts, maar ik moet rechtdoor, dieper het bos in. Het voelt alsof ik de schuilplek van een kluizenaar nader. Ik kom uit op een wei waar een grote hoogspanningsleiding knettert en daarachter, in de verte, stort een waterval naar beneden. Het beeld van de plotse waterval is indrukwekkend. Maar het geknetter van de elektriciteitskabels boven mijn hoofd voelt akelig aan, ik wandel snel door. En dan zie ik het huis, een oud boerderijtje. Wim Cuyvers staat buiten, voor de deur. Hij draagt een zwarte broek, in zijn T-shirt zit een gat. "Wat je hoort, is het zingen van de stad", zegt hij. "Ik hou van die hoogspanningsleiding. 's Nachts ga ik er soms naar luisteren. Het is mijn reality check. Een teken van de verstedelijkte wereld." Wim Cuyvers lacht. "Mensen denken vaak dat ik me heb afgesloten van de maatschappij en als een eenzaat op een berg woon. Dat is niet zo. De nabijheid van de stad Saint-Claude is in veel dingen merkbaar. En op een uur rijden ben je ook bij het hoofdkwartier van Cern in Genève, daar werkt de wereldtop op het vlak van nucleaire energie aan de energie van de toekomst." We lopen het eenvoudige huis binnen, dat voornamelijk uit hout en kalksteen is gemaakt. Er is geen elektriciteit, geen leidingwater, geen riolering, maar dat zijn allemaal bewuste keuzes. "Er zijn amper financiële middelen om het huis in orde te krijgen", zegt Cuyvers. "Maar dat is essentieel. Dit is geen luxueus renovatieproject. Het moet geen peperkoekenhuisje worden, of een gezellig vakantieoord in het groen." Cuyvers denkt na, wikt zijn woorden, en zal de rest van het gesprek rijpelijk nadenken voor hij iets zegt. Niet om ingewikkeld te doen, maar omdat hij wil dat ik het totaalplaatje begrijp. "Mensen zijn vaak geneigd om uit een verhaal maar één of twee dingen te onthouden", zegt hij. "We focussen op de onderwerpen waar we zelf mee bezig zijn. Een maatschappelijk werker zal onthouden dat dit een pedagogisch project is, omdat ik met probleemjongeren werk die normaal in een jeugdinstelling zitten. Anderen zullen het een natuurproject vinden, omdat het bos en de omgeving een grote rol spelen. Ik blijf iedereen zeggen dat het ten eerste al geen project is. Dat zou betekenen dat het iets tijdelijk is. Je zou wat hier aan de hand is als een poging kunnen omschrijven. Zelf verkies ik het woord praxis." "Een praxis is een uitoefening aangestuurd door een reflectie. Een soort toegepaste filosofie. Ga zitten, dan probeer ik het verder uit te leggen", zegt Cuyvers, die aan een lange, houten en zelfgemaakte tafel gaat zitten die in de leefruimte staat. Hij haalt er een oranje theekan bij, en twee kopjes. Wim Cuyvers, 56 jaar, heeft jarenlang gebouwen neergezet, voornamelijk huizen, kinderdagverblijven en scholen. Hij studeerde aan de Gentse academie en richtte in 1984 in Gent een eigen architectenbureau op. Maar in 2009 deed Cuyvers wat weinig mensen hadden zien aankomen : hij doekte zijn bureau op, nadat hij eerder in de Haut-Jura een bebost terrein van 27 hectare gekocht had, Montavoix genaamd (berg met een stem), met twee bouwvallige boerderijtjes op. Voor Cuyvers was het moment aangebroken om te breken met zijn eerdere werk. "Het was geen midlifecrisis", zegt hij vandaag. "Het was gewoon tijd om te doen waar ik al lang over aan het nadenken was." Vijf jaar lang al is Wim Cuyvers ondertussen aan het werk op het terrein in de Jura : hij maakt open plekken in het bos, herstelt de twee gebouwen, legt de dichtgegroeide wegen opnieuw bloot. In het hoogst gelegen gebouwtje komt een refuge de passage gardé, een open gebouw waar mensen terechtkunnen om even uit te rusten, iets te koken, of gewoon te zijn. Het moet er niet heel gezellig of luxueus zijn. "Montavoix is geen vakantiehoeve." Het moet ook geen typisch Wim Cuyvers-gebouw zijn. "Zolang passanten er maar beschutting vinden." Financiële inkomsten zijn er amper. Montavoix draait niet op geld of subsidies, enkel op de overtuiging van één man. Schrijf maar dat het een publieke plek is, of een schuiloord, of een ontmoetingsplaats. Alles draait rond het creëren van een vrije, publieke plaats. Omdat ik vond dat er een tekort was aan zulke plekken. Je moet er eens op letten hoe weinig publieke ruimten er vandaag in onze samenleving nog zijn. Zelfs de straat is vaak niet publiek meer. Overal worden we door camera's in de gaten gehouden en altijd heeft wel iemand de macht over een stuk stoep of een terras. Het probleem is dat mensen daardoor overal ter wereld worden uitgesloten. Waar mag een dakloze nog op een bank slapen ? Waar kunnen pubers nog ongezien kattenkwaad uithalen ? Met Montavoix wil ik een klein beetje tegenwicht bieden tegen de controledrang en privatisering die in onze wereld aan de gang is. Dit is een vrije, ongecontroleerde plek, waar iedereen welkom is, voor om het even wat, op elk moment. Het is de conclusie en praktische uitwerking van theorieën waar ik als architect lang over nagedacht heb. Het is de lange, laatste fase van mijn werk. Wim Cuyvers is een inspirerende man. Iemand die op een alternatieve, filosofische manier de grenzen van het bestaan aftast en tegelijk concreet gestalte probeert te geven aan zijn ideeën. Maar neerschrijven waar Montavoix juist voor staat, is niet evident. Cuyvers gebruikt veel Franse en Engelse termen, die moeilijk te vertalen zijn, en voortdurend nuanceert, kadert en abstraheert hij zijn woorden. Tijdens ons gesprek zegt hij regelmatig dat hij het antwoord op een vraag niet weet. Wat hij wel weet, is dat de weg naar Montavoix begon met een tentoonstelling in deSingel : "In 1995 mocht ik een solotentoonstelling opstellen", zegt hij. "Ik werkte nog niet lang als architect. Ik was vereerd met de vraag van deSingel. Maar ik kon niet inschatten dat die uitnodiging een fundamentele bevraging van mijn werk in gang zou zetten. Het heeft iets pervers om je eigen werk in één ruimte uitgestald te zien. De vragen die ik me al een hele tijd stelde, werden toen alleen explicieter. Waarom bouw ik eigenlijk huizen en gebouwen ? Voor wie ? Hoe functioneel moeten ze zijn, hoe existentieel ?" "Door die tentoonstelling werd ik ook gevraagd om les te geven, aan de academie van Tilburg, de Design Academy Eindhoven en aan Sint-Lucas in Gent. Ik vroeg me af wat ik mijn studenten kon doorgeven, waarop ik hen kon wijzen. Ik besloot dat ik met hen moest bespreken hoe de gebouwen die wij neerzetten eigenlijk privatisering in stand houden. Macht en controle spelen een grote rol in de ruimtes die wij ontwerpen." Het kwam niet plots, maar vooral door studenten bepaalde dingen uit te leggen werden een aantal zaken in mijn hoofd duidelijker. Ik heb met hen steden bezocht die net een traumatische ervaring achter de rug hadden : Sarajevo, Belgrado, Boekarest, Tirana. Niet om de ramptoerist uit te hangen, maar om een aantal fenomenen te bestuderen die bij ons in België minder zichtbaar zijn. In een stad die niet meer functioneert zoals voorheen, die sporen draagt van een aanslag, of verwoesting, zullen inwoners zich verbazend snel zelf gaan organiseren. Ik was geboeid door de ruimtes die straatkinderen, daklozen of zigeuners opzoeken, los van officiële structuren. In zekere zin ben ik zo een soort expert van de publieke ruimte geworden. Maar meer en meer besefte ik ook dat de publieke ruimte wereldwijd bedreigd is, vooral door de digitalisering. Daar ligt de basis voor Montavoix. Het was niet moeilijk om te aanvaarden dat ik liever buiten werk dan op een architectenbureau. Montavoix wil een publieke plek zijn waar mensen zichzelf kunnen organiseren. Op het terrein staan een schuur en een huis die een refuge de passage gardé worden, zoals dat in het Frans heet. Je kunt er koken, op een houtkachel. Je kunt er slapen als je een matje en slaapzak meebrengt. Er zijn droge toiletten. Het woord refuge heeft dezelfde stam als het Engelse refugee, vluchteling. Alle associaties met schuilplaats, toevluchtsoord of vluchtheuvel zijn relevant voor wat ik hier probeer te doen. Het landschap ligt me. Het is allicht minder spectaculair dan bijvoorbeeld de Alpen, maar ik zoek het spektakel niet. Ik hou van de kalksteen en het landschap dat daarmee gepaard gaat. Als speleoloog kende ik de Jura al jaren. En in 1998 kochten mijn vrouw en ik een klein vakantiehuis in Châtillon, zo'n vijftig kilometer hiervandaan. In 2000 zijn we met onze twee kinderen permanent naar hier verhuisd, omdat we steeds liever hier waren dan in België. Dat huis in Châtillon is mijn nieuwe thuis. Wim Cuyvers haalt er de plattegrond bij van het gebied. Hij toont me waar de twee huizen liggen ten opzichte van de hoogspanningsleiding. Hij wijst aan waar hij al everzwijnen zag, waar de lynx zijn drollen legt, en waar een jongeman al twee uur hout aan het kappen is. De jongeman is Camillo, de bewaker van de refuge. "Camillo is wat onze samenleving een probleemjongere noemt", zegt Cuyvers. "Hij zit normaal in een Vlaamse jeugdinstelling, maar hier krijgt hij tijdelijk de taak bezoekers te ontvangen en het publieke karakter van de plek te bewaken." Cuyvers noemt de probleemjongeren die op Montavoix komen helpen les gardiens, zichzelf noemt hij de janitor, op z'n Engels, de conciërge van de plek. "Hoewel die vertaling niet helemaal juist is, maar er is geen betere." Ik wilde al lang een alternatief bieden voor jonge gasten die in een instelling vastzitten omdat ze een gevaar zouden zijn voor de samenleving. Ik begrijp dat de samenleving beschermd moet worden tegen personen die agressief, wild of gevaarlijk zijn. Ik denk alleen dat een instelling voor jongeren vaak niet de juiste oplossing is. Omdat die plekken van hen echte criminelen maken. Jongeren die het moeilijk hebben, moet je niet samen steken in één ruimte. Bijtende honden zet je ook niet in één hok. Het is niet verwonderlijk dat binnen de muren van zo'n instelling een hoop agressie groeit en soms nieuwe bendes ontstaan. Daarom worden de rollen op Montavoix omgedraaid : de jongere die als problematisch wordt bestempeld, krijgt hier de verantwoordelijkheid van een bewaker. Ik werk bewust maar met één jongen of meisje, die ervoor moet zorgen dat het terrein ontvankelijk is voor andere bezoekers. Camillo is momenteel een grote waterreserve aan het aanleggen, zodat we binnenkort een groep van twaalf mensen kunnen ontvangen. Ze worden bijvoorbeeld gestuurd door Oikoten, de organisatie die dertig jaar geleden besloot om probleemjongeren samen met niet-professionele begeleiders op wandeltocht naar Compostella te sturen. Ik heb ook al samengewerkt met Franse organisaties, in de toekomst moet dat vaker gebeuren. Ze beginnen er spontaan zelf over. Iemand die over de schreef gegaan is, is altijd eerlijker dan zij die binnen de lijntjes kleuren. Daarom ben ik zo graag met die gasten samen. Bijna altijd gaat hun verhaal over een problematische thuissituatie. Voor Camillo die hier nu is, is dat niet anders. Daardoor is hij op straat beland en is hij beginnen stelen. De jongeren vertellen mij steeds opnieuw hoe het eraan toegaat in zo'n instelling. Hoe ze komedie leren spelen en de opvoeders rond hun vingers draaien, zodat ze pluspunten krijgen en een weekend naar huis mogen. Maar ook hoe ze van elkaar het slechte leren. Ik werk aan een tekst over wat er in mijn ogen fout loopt in onze jeugdinstellingen, met getuigenissen van de gasten die op Montavoix werken. Ik wil meedenken over alternatieven. Voor sommigen is het misschien beter om een tijd met een circus op te trekken, of met een dansgezelschap. Als er geen bezoekers zouden komen, zouden de bewakers hun verantwoordelijkheid niet kunnen nemen. De wandelaars en toevallige passanten uit de buurt zijn dus zeer belangrijk. Soms komen hier twee oude dames naar boven gewandeld die me vragen of ze even een koffie mogen drinken. Ze laten dan vijf euro achter op tafel. Onlangs was er een 71-jarige man die een loopwedstrijd organiseerde door het gebergte en de paden van Montavoix wilde gebruiken. En tot voor kort wandelde hier elke dag een oud koppel naar boven, met een thermos thee. In de schuur hadden ze een laken liggen over een kratje, daar zaten ze rustig. Ze hadden elkaar als tieners in het gebouw ontmoet, het stond toen al leeg. Al die mensen zien het gemeenschappelijke in Montavoix. En dat is precies de bedoeling. Daarom heb ik er bewust voor gekozen om het interieur van de huizen zo leeg mogelijk te houden, zodat de ruimte voor iedereen ontvankelijk is en iedereen er zijn projecties op los kan laten. Die informele bezoekers doen mij enorm plezier. Het doet me zelfs deugd als ik achter een houtstapel een papieren zakdoekje zie liggen, omdat iemand zich daar heeft neergezet om te plassen. Laat mensen de ruimte maar gebruiken die ze nodig hebben. Dat soort woordeloze communicatie tussen mensen via de ruimte die ze gebruiken, vind ik geweldig. Wim Cuyvers geeft me nog een rondleiding door het huis en toont me waar hij slaapt als hij op Montavoix blijft overnachten. Het is een eenvoudige kamer, de janitor's room, gelegen naast de slaapzaal waar bezoekers en de gardien slapen. De natuurlijke bebossing hier is zeer agressief, alles groeit heel snel dicht. Toen ik het terrein voor het eerst zag, was de waterval bijvoorbeeld niet zichtbaar vanuit de refuge. Dagelijks werken we dus buiten : bomen omhakken, tuinieren in het bos of in onze eigen moestuin, water halen verderop bij de bron. Er zijn de voorbije jaren al heel veel mensen komen meehelpen en meedenken. Zonder hen zou Montavoix niet bestaan. Ik verkoop een beetje hout, maar natuurlijk niet genoeg om van te leven. Ik heb nauwelijks nog een inkomen en soms vraag ik me af hoe ik de volgende maand mijn lening zal betalen. Maar tot nu toe is er altijd iets uit de bus gekomen. Soms verlaat ik de berg om ergens nog eens een lezing of een workshop te geven. Als binnenkort de refuge helemaal in orde is, kan het gebouw officieel open en kunnen wandelaars hier logeren, iets koken of een douche nemen. Ik zal daarvoor dan een kleine bijdrage kunnen vragen. Ze begrijpt waarom ik dit doe, maar de situatie is voor haar niet eenvoudig. We leven meer apart dan samen, want ik zit hier in de Jura terwijl zij lesgeeft aan Sint-Lucas in Gent. Anderen begrijpen niet altijd dat wij nog samen zijn. Zij komt wel regelmatig naar ons huis in Châtillon, maar eigenlijk hebben wij een ongewilde, monogame latrelatie, zonder dat we dat op voorhand afgesproken hadden. Maar mocht mijn vrouw op een dag vinden dat Montavoix ridicuul en zinloos is, dan zou het voor mij ook geen zin meer hebben. We verlaten het huis en wandelen door het bos, langs de hoogspanningsleiding, naar de lagergelegen schuur. In zijn volle rugzak draagt Wim Cuyvers het materiaal dat hij de rest van de dag nodig heeft om de schuur verder op orde te krijgen. Er moet een vloer gelegd worden. De ramen ontbreken nog. Het wandelpad moet verder vrijgemaakt worden. Ik vraag Cuyvers of hij hier niet beter dertig jaar geleden mee begonnen was. Hij lacht. "Fysiek was het verstandiger geweest om dit op mijn 22ste te doen", zegt hij. "Maar ik zou toen niet de inzichten, de ervaring en het geduld gehad hebben. Mijn tijd in New York, China, Kinshasa en Sarajevo was nodig om dit te kunnen doen. Ik geniet er nu enorm van en heb het gevoel dat ik doe wat ik moet doen. Onlangs zagen twee wandelaars me bezig en riepen : 'Monsieur, vous avez vraiment de la chance !' Ik kan hen alleen gelijk geven."Voor de tweewekelijkse reeks De lange mars portretteren journaliste Elke Lahousse en fotografe Eva Vermandel mensen die van ver komen. Mensen van ginder en mensen van hier die mentaal, fysiek, in hun carrière of in afstand een hele weg hebben afgelegd. Verhalen over de dingen die een mens onderweg meedraagt.DOOR ELKE LAHOUSSE & FOTO'S EVA VERMANDEL"Je moet er eens op letten hoe weinig publieke ruimten er vandaag in onze samenleving nog zijn"