Jan Haeverans / Foto's Tom Marees
...

Jan Haeverans / Foto's Tom MareesNet zo kan de bezoeker zich nauwelijks voorstellen dat het lieflijke Istrië behoort tot een land waar kort geleden nog een bloedige oorlog werd uitgevochten. Waar moderne gladiatoren voor het oog van de camera met machinegeweer en zwaar geschut hun vroegere landgenoten naar het leven stonden. De pittoreske stadjes, het glooiende landschap, het deugddoende klimaat, het valt nauwelijks te rijmen met de rauwe beelden die ons uit dit deel van Europa bereikten. Elke Istriër die we ernaar vragen, benadrukt dan ook met klem dat in dit stukje Kroatië 'geen schot gelost is', behalve dan die ene bom ergens op een militair vliegveld.Nochtans heeft de regio in de loop van de geschiedenis meer dan zijn deel gehad van de oorlogsellende. De eerste vechtjassen die de Istriërs over de vloer kregen, waren de Romeinen uit het nabijgelegen Italië, die hier hun imperialistische ambities kwamen uittesten. Al in 177 voor Christus brachten ze het plaatselijke Illyrische koninkrijk ten val in de slag van Nesactium, een plaatsje dicht bij Pula. Een nederlaag die de streek trouwens geen windeieren heeft gelegd. De omvang van het amfitheater, gebouwd in de eerste eeuw na Christus, in dezelfde periode als het Colosseum, geeft een aardig idee van de rijkdom die Pula onder het Romeinse bewind wist te vergaren. In de kelders van het nog steeds indrukwekkende gebouw, waarlangs vroeger de dode dieren én mensen uit de arena verwijderd werden, belicht een tentoonstelling de reden van die plotse economische voorspoed: de handel in wijn en olijfolie. In korte tijd groeide de stad uit tot een machtige metropool van waaruit schepen beladen met amforen gevuld met het kostbare vocht vertrokken naar Italië, aan de overkant van de Adriatische Zee. Pula's glorie mag sindsdien dan al flink getaand zijn, een haven is er nog steeds, maar dan wel een voor pleziervaartuigen. En zelfs de commerciële scheepvaart is hier niet helemaal verdwenen: een grote scheepswerf domineert met zijn enorme hallen en kranen, en flink wat kabaal, het relatief kleine stadje. Vreemd is wel dat deze industriële activiteit zo vlakbij het centrum eigenlijk niets afdoet aan de mediterrane charme van het plaatsje, dat bekoort met zijn verborgen pleintjes, smalle straatjes en heerlijke etensgeuren die je neus prikkelen. Een korte wandeling door de stad brengt ons langs nog meer goed bewaarde Romeinse overblijfselen: een stuk stadswal, twee indrukwekkende poorten, een triomfboog, en vooral een prachtig tempeltje op het marktplein, dat nog steeds Forum heet. Italië is hier duidelijk niet ver weg. Een beetje meer dolce far niente was welkom geweest, denk ik als ik later die dag sta te hijgen op een oude bunker van het Joegoslavische leger. Het uiterste zuidpunt van Istrië, vroeger een militair domein, is nu een natuurreservaat. Het gebied, een twintigtal kilometer onder Pula, laat zich het best verkennen per mountainbike, al moet een kantoormens als ik zijn krachten leren doseren op de met keien bezaaide wegen. Maar de inspanning loont: het zicht op de kusten langs de twee kanten van het smalle schiereiland is fenomenaal.Op een van de tientallen eilandjes, wijst de gids, zijn er nog dinosaurussporen te zien, en op een ander, eigenlijk maar een grote rots, staat een vuurtoren die te huur is als vakantiewoning. De mensen die daar te gast zijn, kunnen dan 's avonds met hun boot naar het mafste café van heel Istrië varen. Precies op het puntje waar het land eindigt, ligt er immers een openluchtbar die bijna onzichtbaar is tot je er vlak voor staat. De verschillende compartimentjes, verborgen tussen hoge rietstruiken of verscholen onder een afdak van gedroogd zeewier, zijn ingericht met ruwe, primitieve meubels en 'versierd' met objecten die uit de zee zijn opgevist. Heel netjes ziet het er allemaal niet uit, maar wel ontzettend plezant. Zeker als je weet dat hier vlakbij een veertien meter hoge rots ligt van waar de lokale jeugd af en toe een frisse duik in zee neemt. Hopelijk voordat ze zich gelaafd hebben aan het kraantje in de muur van het café, waaruit zowaar rode wijn blijkt te stromen voor ieder die daar zin in heeft.Het is met eerbied dat ik voet aan wal zet op de pier van het eiland Brijuni. Ontelbaar zijn de staatshoofden en beroemdheden die me hier zijn voorgegaan, al zullen zij niet met die aftandse, volgepakte ferry gekomen zijn. Fidel Castro en Haile Selassie hebben hier gelopen, maar ook Sophia Loren. Allemaal waren ze te gast bij Tito, wiens privé-eiland dit ooit was. Tito blijkt hier nog ongeveer even erg geadoreerd te worden als bij ons koning Boudewijn, die hier trouwens ook op bezoek is geweest. Schaamteloos wordt de gewezen communistische leider bewierookt op een nostalgische fototentoonstelling in een museumpje met een hoog jaren-'50-gehalte. We krijgen de maarschalk te zien als een soort Sinterklaas die uitvaart met zijn stoomboot om overal vrede te stichten - op een 'overzichtskaart' van zijn vredesmissies staat er ook een pijl richting België - en arbeiders, kinderen en ook dieren blij te maken. Een ander deel van het museum is overigens gewijd aan de dieren die Tito van verscheidene wereldleiders cadeau had gekregen. Nadat ze hun leven hadden doorgebracht in het safaripark of de dierentuin van het eiland, werden ze na hun dood opgezet en ondergebracht in het museum. Even loop ik me te verkneukelen over de ouderwets-naïeve voorstelling van de dieren in hun 'natuurlijke habitat', tot ik me de toestand van het Afrika-museum in Tervuren herinner. Na de middag zit ik rillend op de fiets. Ik had me voorgenomen om nog eens een bezoek te brengen aan Sony en Blanca, de twee olifanten in het safaripark. En ik zou ook die enorme Romeinse ruïne verkennen, waarvan wordt vermoed dat het ooit het buitenverblijf was van een keizer, en langs de nu lege kooien van Tito's dierentuin fietsen. Ik wou nog even wegdromen bij die heerlijke baai, waar nog de resten te zien zijn van een Romeins legerkamp dat later werd omgevormd tot Byzantijnse versterking en waaruit de laatste bewoner ergens in de Middeleeuwen moet zijn weggetrokken. Maar een verkeerd gevallen middagmaal beslist er anders over: na nauwelijks enkele kilometers moet ik aan de kant om op een bank mijn misselijkheid uit te zweten. En dan gebeurt er iets wat normaal maar zelden voorkomt in Istrië: het begint te regenen. Normaal ben ik niet zo'n liefhebber van kerken. De devotie die er wordt tentoongespreid is me volkomen vreemd en vaak vind ik ze nogal pompeus of zelfs decadent, vanwege de pakken geld die ertegenaan gegooid zijn. Voor de Byzantijnse basilica van Porec wil ik graag een uitzondering maken. Toegegeven, ze blinkt en schittert ook van de rijkdom, maar toch is het bouwwerk elegant en stijlvol. Het is rijk zonder protserig te zijn, harmonieus van kleuren en licht. Maar het meest ben ik onder de indruk van de ouderdom van de kerk: ze werd gebouwd in de zesde eeuw en is uitzonderlijk goed bewaard. Grote delen van de originele vloeren, mozaïeken, kapitelen en reliëfs hebben de slijtage van veertien lange eeuwen met glans doorstaan. Delen van het koor zijn zelfs versierd met ornamenten die uit de ruïnes komen van twee Romeinse tempeltjes wat verderop. Prachtig. Dat vindt duidelijk ook de man die in het museum naast de kerk de mozaïeken restaureert: hij is nors en kort van stof, maar over de steentjes praat hij als betrof het zijn eigen vrouw. In de straten van Porec valt het grote aantal huizen en paleizen in Venetiaanse stijl op. Eeuwenlang is het Istrische kustgebied in handen geweest van de Venetianen, die op die manier hun handelsroute in de Adriatische Zee beschermden en tegelijk wat al te ambitieuze potentiële concurrenten op andere gedachten konden brengen. Het is meteen ook de reden waarom in Istrië naast het Kroatisch ook het Italiaans sinds kort een officiële taal is. Behoorlijk tegen de zin van de centrale regering in Zagreb, want alleen in de kuststadjes is er een significante Italiaanse gemeenschap. De gelijkenis tussen Porec en de dogenstad had nog frappanter kunnen zijn: hadden ze hier eeuwen geleden de straten niet opgehoogd tegen het oprukkende water, dan zouden we er nu ook met gondels door gepeddeld hebben. Hotel Rivièra, tussen de jachthaven en de kustpromenade, ziet er oud en afgeleefd uit. Nochtans moet het ooit prachtig geweest zijn: een statig belle-époquehotel waar de Weense beau monde - Istrië was eind negentiende eeuw een uithoek van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk - van het zachte mediterrane klimaat kwam genieten. Maar toen kwamen de communisten, die de Oostenrijkse hotels en villa's nogal drastisch 'restaureerden', waardoor ze een groot deel van hun charme verloren. Charme is nu eenmaal niet iets waar de Oostblok-architectuur in uitblonk. Toen daarna Joegoslavië uiteenviel en de toeristen wegbleven, werden er oorlogsvluchtelingen uit woeliger delen van Kroatië in de hotels gehuisvest. "Maar die zijn allemaal weer naar huis", verzekert de gids ons, net op het moment dat voor een van de ramen een man verschijnt in bloot bovenlijf en met een handdoek over de schouder. "En het hotel wacht nu op buitenlandse investeerders," gaat hij onverstoorbaar door, "want sinds de oorlog heeft Kroatië geen geld meer om zelf de infrastructuur te moderniseren of te herstellen." Ook recentere hotels hebben daar onder te lijden, wat ze op een bepaalde manier erg hip maakt: ze zien er vaak zeer seventies of eighties uit. Nostalgici zullen zich wel moeten haasten, want nu het toerisme weer ongeveer zijn vooroorlogs peil heeft bereikt, wordt er in ijltempo gerenoveerd. Waarom al dat gejakker op een zaterdagochtend? Driftig komen de Yugo's en Zastava's ons voorbijgeknetterd. Ze weren zich kranig tussen het in hoofdzaak Duitse autogeweld, die paar oude communistjes. De meeste Istriërs houden er trouwens een nogal nonchalante rijstijl op na op de smalle kronkelwegen: bloedstollend voor een chauffeur die de rechte, brede wegen in België gewend is. De omleiding die we volgen, doet ons dan weer wel erg vertrouwd aan: de wegwijzers houden ergens in the middle of nowhere op. De wijnboeren aan wie we de weg vragen, kunnen ons dan misschien niet voorthelpen - ze spreken alleen Kroatisch -, ze stoppen ons toch enkele druiventrossen toe. Het voordeel van verloren rijden is dat je wel eens onverwachte pareltjes tegenkomt. In ons geval Gracice. We waren het op het eerste gezicht onbeduidende dorpje bijna voorbijgereden toen een indrukwekkend oud poortgebouw onze aandacht trok. Een hoogst bizarre plek bleek erachter schuil te gaan. De ruïnes van een oud Venetiaans paleis, vervallen herenhuizen, een grote kerk, stukken van een oude stadsmuur: ooit moet dit een belangrijk centrum geweest zijn, nu is er bijna geen beweging te bekennen, op een tractor na die door de doodse straten rijdt en enkele arbeiders die de kerk een opknapbeurt geven. Nog hooguit een kwart van de huizen is bewoond, en aan de blikken van de inwoners te zien, zijn buitenlandse bezoekers er ook geen alledaagse kost. Een al even vervallen indruk maakt de kasteelboerderij Pineta. Uren zijn we onderweg geweest om er te geraken, niet slecht voor een afstand van in vogelvlucht hoogstens vijftig kilometer. Maar de rit door het binnenland was meer dan de moeite waard. Pineta, in de buurt van Labin, is een van de tientallen boerderijen in Istrië die het agrotoerisme willen promoten. Enkel de vleugel waarin zich de gastenkamers en het restaurant bevinden, is helemaal gerestaureerd, de rest van de kasteelhoeve, waar ook enkele bejaarden uit het dorp onderdak hebben gekregen, is nogal bouwvallig. "Let op waar je stapt", waarschuwt Erna, de schoondochter van de uitbaters, wanneer we de trappen opklimmen naar de statige woning centraal in de hoofdvleugel. "De vloeren zijn behoorlijk vermolmd." Vanaf het balkon op de eerste verdieping hebben we een mooi zicht op de oude kastanjeboom die de binnenplaats beheerst, en op de heuvels van Istrië wat verder. Hier moet baron Lazzarini, vóór de Tweede Wereldoorlog de eigenaar van het domein, ook ooit met zijn geliefde hebben gestaan. De Italiaanse baron was naar verluidt een uitzonderlijk mooie man, maar in plaats van te huwen met een of andere freule koos hij voor een arme jonge boerin die weduwe was geworden. "Hij was goed voor de mensen", zucht Erna. De pasta die we 's avonds in Pineta te eten krijgen mag dan al geen haute cuisine zijn, hij smaakt ons voortreffelijk. En de wijn die erbij geserveerd wordt, zal vast geen gouden medaille winnen op een of ander prestigieus voedingssalon, maar hij glijdt wel lekker binnen. Over de schapenkaas kunnen we kort zijn: overheerlijk. Alles wat we hier voorgeschoteld krijgen, werd ter plekke geproduceerd, op de boerderij zelf of door mensen van het dorp. Een vleugje romantiek gevolgd door lekker eten, de dag is goed geweest.Ooit moet Motovun eruitgezien hebben als Gracice. Na de Tweede Wereldoorlog trokken de mensen immers massaal weg uit het binnenland van Istrië, op zoek naar werk in de grote steden. Hoog op zijn heuvel boven de rivier de Mirna lag het eens zo trotse middeleeuwse plaatsje te verworden tot een spookstad. Tot het filmfestival kwam. Elk jaar in de zomer strijkt het hele circus van acteurs, regisseurs en producenten hier neer. Nieuwe films worden er getoond op het centrale marktplein, in de tuin van een plaatselijk hotel en in de kleine bioscoop. In een mum van tijd is het ingeslapen stadje veranderd in een toeristische trekpleister.Een gelijkaardig fenomeen heeft zich voorgedaan in het nabijgelegen Groznjan, dat zo mogelijk nog charmanter is. Toen in de jaren zestig een muziekacademie hier neerstreek, volgden in haar zog al gauw een hele sliert muzikanten en artiesten, zodat het plaatsje uitgroeide tot een echt kunstenaarsdorp. Al moet de argeloos rondkuierende toerist er nu wel de duizend en één ceramiekwinkeltjes bij nemen. Voor wie het allemaal wat authentieker wil, zijn er in de buurt nog stadjes als Oprtalj en Momjan, waar de geest van het verleden nog ongestoord rondwaart tussen de afgebrokkelde muren en over met gras begroeide pleintjes.Wanneer we afdalen uit de heuvels om in Livade, in de vallei aan de voet van Motovun, naar de doortocht van een mountainbikewedstrijd te gaan kijken, duiken we nog snel even de plaatselijke truffelshop in. Dat schijnt immers dé specialiteit van de streek te zijn. Ik heb altijd een nogal gezond democratisch wantrouwen gehad tegenover deze peperdure lekkernij, en de weeë geur in de winkel lijkt me te bevestigen in mijn scepsis. Tot ik proef. Boem! Paukenslag! Goed dat mijn moeder nogal wat tijd heeft geïnvesteerd in mijn opvoeding, of ik zou me vergrijpen aan de minuscule toastjes met de truffelolie of -crèmes. Groot is dan ook mijn verdriet als ik 's middags mijn pasta met truffelsnippers niet op krijg. De tol van een week uitgebreid tafelen. Later die zondagmiddag staan we een lokale wijn te proeven in een café-restaurant in de buurt van Momjan. "Kwalitatief kan de Istrische wijn tegenwoordig mee met de beste van de wereld", orakelt onze gids. En te oordelen naar de uitgelaten sfeer in het etablissement doet de drank meer dan goed zijn werk, zeker wanneer twee van de aanwezigen ook nog hun accordeon bovenhalen. Ik loop even het terras op dat uitkijkt over de groene heuvels, en het begint zachtjes te regenen. Een Belgisch weertje in een landschap dat wel Italië lijkt, terwijl flarden Slavische accordeonmuziek me tegemoet waaien. Istrië laat zich niet onder één noemer vangen.PraktischReisWeekend Knack reisde op uitnodiging van de Kroatische Nationale Dienst voor Toerisme. We logeerden in hotel Histria in Pula en hotel Zagreb in Porec.Elke weekdag vliegt Croatia Airlines rechtstreeks van Brussel naar Zagreb, waarna u een binnenlandse vlucht kunt nemen naar Pula.MuntEén kuna is 0,13 euro waard.KlimaatDoor zijn ligging aan de Adriatische Zee heeft Istrië hetzelfde mediterrane klimaat als Noord-Italië.DocumentenEen Belgische identiteitskaart volstaat.InfoKroatische Nationale Dienst voor Toerisme, Oud Korenhuisplein 38, 1000 Brussel, tel. 0800-95081 (gratis nummer) en 02-550 18 80. E-mail: kroatie.brussel@wanadoo.be. Website: www.croatia.hrElke Istriër die we naar zijn oorlogservaringen vragen, benadrukt met klem dat er in dit stukje Kroatië 'geen schot gelost is'.