Ik ben geen danscritica, verre van, zelfs geen uitgesproken dansliefhebber, maar toch heb ik de meeste voorstellingen van Rosas gezien. Verbluft keek ik in 1983 in de Leuvense stadsschouwburg naar het eerste stuk: Rosas danst Rosas. Daarna belandde ik telkens opnieuw in pluchen zetels, op harde stoelen of metalen stellingen om het paradepaardje van de Belgische hedendaagse dans te bewonderen. Elena's Aria, Bartok/Aantekeningen, Ottone, Ottone, Achterland, Drumming en I said I brachten mij telkens opnieuw in een vreemde verwarring. Weerloos werd ik meegezogen in een helse werveling van bewegingen en gebaren. Natuurlijk was er op de achtergrond altijd wel een verhaal, maar op dit punt schiep het programmaboekje vaak meer onduidelijkheid dan klaarheid. De tekst ging meestal over "articulaties en desarticulaties", de "congruentie van diversiteit, chaos en orde", "aleatoire procédés" of "tegenstrijdige individuele passages". Dat intellectualistische vertoon ergerde mij, net als het blasé sfeertje van dansfanaten en -critici onder elkaar. Vaak miste ik iets - beroering? het emotionele moment? - in het geheel, maar toch bleef ik kijken, want de details en de onderdelen fascineerden mij. Zo was er altijd dat ene Japanse meisje, in een flodderjurkje of mantelpakje, op blote voeten, naaldhakken of kleurloze pumps. Terwijl haar leeftijdsgenoten in de loop der jaren een voor een afhaakten, bleef zij eindeloos dansen, springen, vallen, rennen, rechtveren, zuchten en schreeuwen. Alsof de wetten van de zwaartekracht en de grenzen van het lichaam speciaal voor haar een uitzondering maakten. Fumiyo Ikeda. Na al die jaren kan ik haar eindelijk vragen waar háár grens ligt.

In 1992 stapte je uit de vaste kern van Rosas, en leek het even alsof je een punt achter je danscarrière zou zetten.

Na negen jaar dansen bij Anne Teresa De Keersmaeker vond ik dat het welletjes was geweest. Niet dat ik ruzie had gemaakt of het dansen beu was, maar het leek me tijd om even af te remmen en (aarzelt)... misschien ook een kindje te maken. Ik wist dat het niet gemakkelijk zou zijn om zwanger te worden, want ik was fysiek zo diep gegaan dat ik bijna geen vet meer had. Net zoals bij sommige atletes was mijn lichaam ook hormonaal veranderd en menstrueerde ik haast niet meer. De ene maand had ik wat bloedverlies, de andere niet. Achteraf bekeken denk ik dat ik die eerste periode bij Rosas inderdaad over de grens ben gegaan. Soit, de dokter zei: "Fumiyo, als jij ooit een kind wil krijgen, zal je eerst een beetje dikker moeten worden." Dus besloot ik om een tijdje niet meer te dansen en eens grondig na te denken over wat ik verder met mijn leven wilde.

Ik stopte op het hoogtepunt van mijn carrière. Zeker op technisch vlak stond ik aan de top, en kon ik alles dansen wat ik wilde. Ik begon Nederlands te studeren en amuseerde mij met allerlei kleinere projecten: een korte film, een theaterstuk met mijn man Josse De Pauw, toch nog een dansproductie met Anne Teresa, een toneelstuk met NeedCompagny, tot ik plots, in juni 1994, zwanger was. Dat was het definitieve signaal om alles radicaal los te laten. "Maar Fumiyo, je kan toch af en toe nog eens aan een theaterproductie meewerken?" vroegen mijn vrienden en collega's. Maar neen, ik wilde al mijn aandacht en energie aan mijn zwangerschap besteden. Nadat ik jarenlang een heel strikt schema had gevolgd - werken, dansen, reizen, elk uur gepland -, was ik plots alleen en had ik alle tijd om naar mezelf en mijn buik te luisteren. Ik hield mij ook ver van andere zwangere vrouwen en hun gesprekken over baby's en bevallingen. Veel liever wilde ik alleen zijn en met het kind in mijn buik praten. Mijn inzet ging echt heel ver, ik nam nauwelijks tijd voor mezelf. Ik volgde ook zwangerschapshaptonomie en wilde absoluut thuis bevallen, wat ik uiteindelijk ook heb gedaan.

Ook na Hana's geboorte - in februari 1995 - bleef ik heel strikt en perfectionistisch. Ik gebruikte geen pampers, alleen maar katoenen doeken, en heb twee jaar en negen maanden borstvoeding gegeven. Achteraf bekeken heb ik me in die periode veel te sterk afgesloten. (lacht) Nu is dat net omgekeerd. Tegenwoordig wil ik terug mijn eigen leven leiden: werken, dansen, optreden, op tournee gaan, en niet meer veel met Hana bezig zijn.

Heel even heb ik naar nog een kindje verlangd, maar nu niet meer. Met twee kinderen zou ik nog vaker van huis weg willen zijn. Vele ouders willen niet toegeven dat het hen spijt dat ze een kindje hebben gemaakt. Maar ik durf gerust bekennen dat die gedachte soms bij me opkomt. Ik ben heel blij dat Hana er is - 's nachts slaapt ze trouwens nog altijd tussen ons in -, maar met haar alleen is het echt genoeg.

Meestal betekent een zwangerschap het einde van een dans- of sportcarrière op topniveau. Maar jij kwam terug.

Toen Hana 7 maanden was, ging P.A.R.T.S. open, de dansschool van Anne Teresa, en begon ik les te geven terwijl ik nog borstvoeding gaf. Nog wat later begon ik zelf ook weer te dansen. Tot mijn ontzetting merkte ik dat mijn lichaam na de zwangerschap erg veranderd was en helemaal anders aanvoelde. Alle spieren waren weg! Zo gaat dat: als je niet meer danst, verdwijnen eerst de spieren, en dan komt het vet. Dat heb ik deze week nog maar eens gemerkt. Ik was ziek, had een oorontsteking en voelde onmiddellijk hoe mijn spiermassa veranderde en zwakker werd. Toch heb ik, dankzij mijn zwangerschap, geleerd om op een andere manier met mijn lichaam om te gaan.

Als twintiger luisterde ik veel minder naar de signalen van mijn lijf. Je bent jong, je hebt een goede conditie en je vliegt erin. Alles gaat vanzelf, je doet maar door, zonder te doseren, je danst zware stukken en je recupereert vanzelf. Je doet je pijn, maar je bijt op je tanden om niet te huilen en na drie dagen is de pijn vanzelf weer verdwenen.

Als ik nu een video-opname uit die tijd bekijk, weet ik zeker dat ik nooit meer zo wil dansen. Niet dat ik die manier van bewegen nu haat - ik heb mooie herinneringen aan die producties -, maar die tijd is voorbij. Wat ik nu wil is: dansen zoals ik nu dans. Op dit moment is mijn conditie uitstekend. Alles is weer stevig, soepel en sterk. Als ik nu pijn voel, stop ik meteen en ga ik naar de osteopaat. Ik dans nu anders, én beter.

(glimlacht) Misschien ben ik gewoon wat ouder geworden, en ook een beetje losser. Vroeger gaf ik alles-alles-álles, op elk moment. Ik danste niet 100 procent, neen, altijd 200 procent of meer. Nu geef ik mezelf nog steeds totaal, maar beter gedoseerd, veerkrachtiger en evenwichtiger. Nu lukt het mij beter om mezelf op de juiste momenten te geven en in te houden. (lang stil) Misschien is dat de enige manier om nog te blijven dansen.

Intussen ben je 37, straks 38, en de oudste danseres van het gezelschap. Is het in de danswereld moeilijk om ouder te worden?

Mijn leeftijd houdt mij nauwelijks bezig. Sommige collega's bij Rosas hebben het daar veel moeilijker mee. "Hoe lang zal ik nog kunnen dansen? Wat als het niet meer gaat?" vragen ze zich voortdurend af.

"Binnenkort word je 40", zei mijn moeder onlangs aan de telefoon. "Dan ga je toch niet meer blijven dansen?" Ik was echt gechoqueerd. In plaats van mij een complimentje te geven, vroeg ze wanneer ik zou stoppen. "Misschien is ze wel jaloers", troostte Josse mij. Ik weet het niet. Mijn ouders hebben mij slechts één keer met Rosas gezien, in Tokio. Ze hebben een restaurant in Japan, werken heel hard en ik begrijp best dat het voor hen moeilijk is om naar een voorstelling te komen kijken. Zolang ik in Japan woonde, hebben ze mij gevolgd en aangemoedigd. Maar sinds mijn vertrek is hun interesse verdwenen. Nog altijd vind ik het jammer dat zij nooit trots op mij zijn geweest. Al ben ik bijna 38 jaar, toch blijf ik als een kind verlangen dat mijn ouders op een dag zullen zeggen: "Bravo, meisje, goed gedaan."

Neen, ouder worden als danseres schrikt mij niet af. Kijk naar Steve Paxton en Trisha Brown, 60-plussers die nog altijd op het podium staan. Oké, ze doen geen 50 of 60 optredens per jaar meer, maar ze stáán er nog altijd. En Kazuo Ohno, de Japanse danser, is 80 en danst ook nog op de scène. (lacht) Al moet ik toegeven dat hij stilaan toch een beetje oud wordt. En ook Anne Teresa wil nu opnieuw op het podium. Met die voorbeelden voor ogen zal ik dus ook nog wel een tijdje kunnen meedraaien.

Per jaar maken we één nieuw stuk, dat betekent 4 à 5 maanden repeteren. De rest van het jaar reizen we rond en treden we op. Tegenwoordig verzorgt Rosas zeker 50, soms zelfs 60 of 70 optredens per jaar. Misschien zal ik deze inspanning over 10 jaar niet meer kunnen opbrengen, maar dat besef stimuleert mij nog meer om er nu van te genieten. Weten dat alles zo tijdelijk is, maakt de liefde voor de dans alleen maar groter.

Fysiek gaan jullie tot op het bot. Is het nog wel leuk om telkens opnieuw het uiterste van je lichaam te vragen?

(denkt lang na) Het dansen zelf, op de scène, is niet zo zwaar. Extreme inspanningen op het podium zijn korte, intense bundelingen van energie die hooguit enkele seconden duren. Wat is tenslotte 100 meter rennen? Een inspanning die minder dan 10 seconden duurt. Maar elke dag opnieuw werken, trainen, repeteren, op je voeding en je lichaam letten, dát kan weleens zwaar wegen. Je moet het vooral heel graag doen, anders hou je het niet vol.

Weet je wat het mooiste is? Dat magische moment waarop je alleen, met twee of met een hele groep op het podium staat, en de energie plots voelt samenvloeien en ten top stijgen. Wat er dan gebeurt, is onbeschrijfelijk. Plots zie je jezelf heel scherp en voel je die spanning in al je vezels. Je weet niet vanwaar die energie komt en waarheen ze gaat. Misschien gebeurt het slechts één keer op twintig voorstellingen. Gewoon, zomaar, onverwacht. (blaast, maakt een snelle, flitsende beweging met haar hand) Tjááák.

Onlangs gebeurde het tijdens een voorstelling van I said I, tijdens mijn solo met saxofonist Fabrizio Cassol en DJ Grazzhoppa. In een fractie van een seconde was er plots die rilling, die frisson, en zaten we met z'n drieën heel hoog en heel scherp. (blaast, zucht) Heel even dacht ik nog: "Wat gebeurt hier? Hoe is zoiets mogelijk?" maar toen was er alleen nog dat gevoel van: "Kom, ga maar door", en was ik helemaal weg. Het was (zoekt naar woorden)... als een orgasme. Die energie is nog drie dagen blijven nazinderen. De volgende voorstelling, in Amsterdam, zeiden we tegen elkaar: "Deze avond doen we het anders." Zulke momenten zijn zo uitzonderlijk dat je niet mag proberen ze na te streven of te herhalen. Het zijn piekmomenten die je overkomen, maar die je nooit mag zoeken.

Als je de video van die bewuste avond zou bekijken, zou je misschien niets speciaals opmerken, want het is een vibration die zich aan de binnenkant afspeelt. Misschien dans ik wel voor die uitzonderlijke momenten.

Klopt het dat de enorme adrenalineopstoten tijdens een voorstelling iets verslavends hebben?

Absoluut. Er is iets met adrenaline. Op den duur heb je die shots echt nodig. Soms zie ik mensen die zich volproppen met zoete dingen, schreeuwen, zich kwaad maken of ontzettend agressief worden op straat. Zelf kan ik ook iets heel donkers en gevaarlijks in mij voelen opkomen, maar die agressie bewaar ik voor op de scène. Dat lijkt mij een gezonde reflex, een prima kanalisering van spanningen en emoties. Als ik dans, barst ik los en geef ik het uiterste van mezelf. In I said I spelen we bijvoorbeeld 2,5 uur aan één stuk door een catastrofe: heel expansief, veel rennen, alles geven, echt uitputtend. Maar hoe diep ik ook ga en wat een furie ik op de scène ook neerzet, altijd ben ik mij ergens, in een klein plekje in mijn achterhoofd, bewust van het feit dat ik spéél. Het is niet de totale opwinding - de paniek als je huis afbrandt of de doodsangst bij een ongeval - die geen plaats laat voor enige andere emotie. Dansen is anders. De adrenaline piekt, maar toch behoud je een balans. Je lichaam wéét hoe ver het kan gaan en bouwt automatisch een reserve in zodat je er de volgende dag opnieuw kan staan.

Na de voorstelling blijft de opwinding nog een hele tijd voortduren en kan ik niet onmiddellijk gaan slapen. Meestal word ik pas rond drie uur 's ochtends een beetje rustiger. Vroeger maakte ik me weleens zorgen als ik niet genoeg geslapen had - jonge collega's hoor ik daar soms ook over klagen -, maar sinds ik een kind heb, weet ik dat ik ook na een slapeloze nacht kan dansen. Nu denk ik: "Slecht geslapen? Oké, volgende nacht beter." Zo eenvoudig is het.

De kunst van het recupereren is een deel van dit beroep. De dag na een voorstelling maak ik mij heel rustig klaar voor de volgende inspanning: ik doe niet te veel, wandel een beetje, neem sommige passages nog eens door in mijn hoofd en zet alles mentaal weer op zijn plaats. Vaak dansen wij twee, drie avonden na elkaar. Vijf voorstellingen op rij is echt de limiet. Fysiek ben je kapot, en toch zou ik ook dan nog willen doorgaan, nog twee of drie avonden langer, want de kwaliteit van het spel verbetert naargelang je dieper gaat.

Misschien is het wel de Japanse mentaliteit van keihard werken, presteren en uitblinken die je zo ver drijft?

Ach neen, ik denk dat het meer met karakter en persoonlijkheid te maken heeft dan met cultuur. Josse vindt ook dat ik heel ver ga en zegt weleens dat ik een slaaf van Rosas ben. Maar ik hou gewoon van wat ik doe. Het podium is essentieel voor mij. Als ik niet meer zou kunnen dansen, zou ik een andere manier zoeken om toch op de scène te staan, opnieuw die concentratie en opwinding te voelen, en de smaak van adrenaline te proeven.

Natuurlijk heb ik ook al een mindere periode meegemaakt, maar op dit moment vind ik dansen weer echt leuk. Vroeger, als klein meisje, was het mijn droom om danseres te worden. Maar nu wil ik dánsen, puur, zuiver om het plezier van het dansen.

Het klinkt misschien melig, maar tegenwoordig sta ik graag op, blij om aan het werk te kunnen gaan. (lacht) En ook blij om thuis weg te zijn, weg van man en kind, leuke dingen te doen, op de scène te staan, in beweging te zijn, te genieten van intense dansmomenten, nieuwe bewegingen te zoeken, te improviseren, ruimte te maken om iets nieuws te laten ontstaan. Dat amuseert mij echt.

Je bent vaak weg van huis, op tournee. Ben je goed bestand tegen de verre verplaatsingen, het onregelmatige ritme, de lange afwezigheden thuis?

Het enige wat ik echt moeilijk vind, is de combinatie van dansen en de zorg voor mijn kind. Die voortdurende organisatie weegt soms loodzwaar. Vaak ben ik blij om op tournee te kunnen gaan en alleen maar te dansen. Ik slaap trouwens veel beter in het buitenland dan thuis. Dan ben ik rustig, alleen, en kan ik alle tijd voor mezelf nemen, zonder aan Hana, aan Josse en aan mijn huishouden te hoeven denken. Dan kan ik lezen, met de anderen op café of op restaurant gaan en opstaan wanneer ik wil. Soms neem ik Hana mee, maar dat vind ik geen ideale oplossing. Eigenlijk ben ik een eenzaat. Als ik in het buitenland verblijf, denk ik wel aan Josse of Hana, maar ik mis hen nooit. (geschrokken) O jee, als Josse dit leest! Maar ik heb mijn familie en mijn ouders ook nooit gemist, en ook nooit heimwee gehad. Wat ik soms wél mis, is dit land. Als ik weer eens een maand in Duitsland of in Amerika ben, kan ik echt naar België verlangen. Dan bel ik naar huis en zeg: "Ik wil stoemp met saucissen eten!" België is echt wel mijn moederland geworden.

Zeg dat wel. Als ze in de keuken thee gaat zetten, verwacht ik even iets Japans. Geen uitgebreide theeceremonie natuurlijk, maar toch ook niet die banale theezakjes in een pot kokend water.

"Misschien lijk ik op een Japans meisje," legt ze met een oosterse glimlach uit, "maar eigenlijk ben ik dat niet. Er zijn vier kamertjes in mijn hoofd: één voor Japans, één voor Frans, één voor Engels, één voor Nederlands. Naargelang de situatie wandel ik van het ene kamertje naar het andere. Nu spreek ik Nederlands met jou, straks Japans met Hana, en morgen, bij Rosas, spreek ik Frans en Engels."

Je woont in het Pajottenland, met een Vlaamse man en dochter, maar toch blijf je een kind van twee culturen.

Ja, maar na 21 jaar in België voel ik mij toch veel meer een Belgische dan een Japanse vrouw. Een echte Japanse zou hier niet zo lang kunnen blijven. Ik was jong en onervaren toen ik hier aankwam. In Japan was ik zelfs nooit in een discotheek geweest, en hier leerde ik de wereld kennen: roken, drinken, joints roken, mannen. Ik heb dus weinig Japanse achtergrond.

Als kind was ik vaak alleen en volgde ik, tegen mijn zin, pianolessen en Japanse kalligrafie. Dansen, dat was het enige waar ik echt van hield. Toen ik 15 was, vloog ik om de twee weken van Fukui, het stadje waar ik woonde, naar Tokio om dansles te volgen. Net toen ik mij begon af te vragen of het niet beter zou zijn naar Tokio te verhuizen, vernam ik dat Mudra, de beroemde dansschool van Maurice Béjart, over de hele wereld audities organiseerde. Dat was mijn kans! En ja, ik werd aangenomen en kwam op mijn zestiende in België terecht. Drie jaar lang volgde ik de Mudra-school. Daar ontmoette ik Anne Teresa De Keersmaeker, die in New York ging verderstuderen. Toen ze terugkwam, vroeg ze mij om samen te werken, en in januari 1983 zijn we met Rosas gestart.

In die periode heb ik ook Josse leren kennen. Ook in mijn relatie met hem vind ik het verschil tussen onze karakters veel groter dan het verschil tussen onze culturen. Pas sinds Hana's geboorte zijn we ons iets meer bewust van onze andere achtergrond en hoor je ook Japans in ons huis. Vroeger spraken we Frans en Nederlands, nu alleen Japans en Nederlands. Ik wil dat Hana mijn moedertaal leert spreken en neem haar ook mee naar Japan, zodat zij beseft dat ze een taal kent die aan de andere kant van de wereld gesproken wordt.

Ik denk dat we een goed evenwicht hebben bereikt tussen onze beide culturen. In de dingen die we niet leuk vinden - een tentoonstelling, een theaterstuk, een theepot, een vaas of een zetel - vinden we elkaar veel meer dan in de dingen waar we allebei van houden. Ik haat sommige Japanse dingen zoals hij sommige Belgische dingen haat. Wat we allebei verafschuwen, bindt ons meer dan wat we allebei appreciëren. Stel je voor, Josse droomt van een tatami in dit huis. Maar dat wil ik echt niet.

Onder haar lange, zwarte haren, oranje T-shirt en zwarte, leren broek tekent zich de lichaamsbouw van een jong meisje af, een kind haast. Strak, gespierd, geen greintje vet. Wij zijn van dezelfde generatie, maar onze genen en het leven dat we hebben geleid, heeft ons lichaam een totaal andere vorm gegeven. Zou ze, net als ik, soms naakt voor de spiegel staan en haar lichaam vergelijken met dat van twintig jaar geleden? Zou ze het ook angstvallig inspecteren op veranderingen, tekenen van bloei of verval? Of zou ze, trots en ijdel, als een mannequin voor zichzelf poseren?

"Kijk je vaak naar het lichaam van andere mensen?" vraag ik haar.

"Ja, maar voor mij heeft een mooi lijf niets te maken met dik of dun, groot of klein, fijn of struis. Een mens die zich goed voelt in zijn vel, vind ik mooi."

"En je eigen lichaam? Vind je dat mooi?"

"Nooit over nagedacht", lacht ze gegeneerd, haast verontschuldigend.

"Wil je daar even over nadenken?" vraag ik voorzichtig.

"Neen, dat wil ik helemaal niet", klinkt het beslist. "Er zijn te veel lichaamsdelen waar ik niet van hou. Waarom stel je mij trouwens die vraag?"

"Ik dacht dat dansers veel met hun lichaam bezig zijn en zichzelf ook mooi vinden", mompel ik, een beetje beduusd.

"Neen, dat is niet zo. Echt waar, er is niets dat ik mooi vind aan mijn lichaam. Niks, helemaal niks. Bij het dansen moet het totale beeld - de energie - natuurlijk mooi zijn, en daar kan ik soms ook wel tevreden over zijn. Maar mijn lichaam op zich, of bepaalde lichaamsdelen? Neen. Liefst zou ik mijn maag of mijn hart mooi willen noemen, maar niet iets dat je kan zien. Andere mensen vind ik veel mooier. (lacht) Sommige mensen zeggen dat ik mooie oren heb. Oké, dáár kan ik mee leven.

Bij mijn laatste bezoek zei mijn moeder: 'Jij krijgt rimpeltjes, en zelfs grijze haren.' Ik stond perplex. Wat doet dat er nu toe? Oké, ik krijg grijze haren, maar ik ben echt niet van plan ze te verven. Het leven is zoals het is. Leven is voor mij dansen, en dansen is bewegen. Als ik dans, beweegt mijn lichaam. Het dansen en de rest van mijn lichaamsbeleving hebben niets met elkaar te maken. Ik wil ook niet in de spiegel kijken als ik dans, en ik hou ook niet van stopmomenten met mijn lichaam."

Dat zal de fotografe geweten hebben. We hebben afgesproken in de repetitieruimte van Rosas, een gigantische zaal, vol met spullen en toch leeg. Een wirwar van gekleurde kleefbanden op de vloer, drie piano's - één vleugel en twee gewone - een drumstel, stoelen, zetels en een tafel met een kommetje rozijnen en een grote ruiker bloemen, nog in de verpakking, zonder water, verwelkt nog voor hij in een vaas heeft gepronkt.

Met de gigantische spiegelwand als decor begint Fumiyo te dansen, zonder muziek, met bruuske, dan weer vloeiende bewegingen. Haar beheerste ademhaling en het geschuifel van haar voeten vormen een ritmesessie op zich. Fumiyo rolt, buigt, draait, kronkelt, springt, valt, schuift, loopt, wentelt, holt, bukt, zit, hurkt, zwiert, tolt, stapt, rent. Plots staat ze recht, ontevreden: "Sorry, het lukt niet. Het komt door de spiegels."

Pas als de lange, bleke gordijnen haar spiegelbeeld uit haar blikveld hebben verdreven, slaagt Fumiyo erin het hectische gamma van bewegingen moeiteloos om te toveren in een dans: haar solo in het nieuwe stuk In Real Time, dat straks in première gaat.

"Nu nog een close-up", vraagt de fotografe. "Heel even recht in de lens kijken."

"Als ik maar mag bewegen", pleit Fumiyo. "Ik zal heel langzaam dansen, heel traag bewegen, maar laat mij alsjeblief niet stilstaan."

We kletsen nog wat na, onder de Brusselse lentezon. Fumiyo is gespannen, nerveus voor de première: "In het nieuwe stuk wil Anne Teresa meedansen. Ik weet niet hoe dat moet gaan - zelf dansen én alles in het oog houden - en vind het jammer dat zij niet in de zaal zal zitten om naar ons te kijken. Ik werk al zoveel jaren met haar samen, en vind het nog altijd fijn om voor haar te dansen. Als zij na een voorstelling zegt dat het goed was, weet ik dat het écht goed was. Net als Josse is zij onvoorstelbaar gedreven. O ja, nog altijd. Op dat vlak is geen van beiden veranderd. Ik ken hen al zo lang, en tegelijkertijd ken ik hen helemaal niet. Van dat soort mensen gaat een kracht uit die aantrekt en even later weer afstoot. Bij die twee zijn mijn keuzemogelijkheden beperkt: ofwel met hen meegaan, steeds verder, steeds sterker, ofwel weggaan, definitief breken. Mensen als Josse en Anne Teresa moet je heel graag zien om mee te kunnen samenwerken of samenleven.

Met Josse is het nog moeilijker omdat hij mijn man is. Pas op, ik heb veel van hem geleerd. Hij is veel losser en soepeler dan ik, soms op het randje. Zijn moeder zou zeggen dat hij gewoon lui is. Maar toch kan hij ook heel hard zijn, de laatste tijd zelfs meer en meer. Zoals gisteren, toen ik het moeilijk had. "Ik voel me niet goed, ik ben ziek, heb de hele week niet gewerkt en in bed gelegen", kloeg ik. Ik had verwacht dat hij iets liefs zou zeggen, maar neen, hij zei gewoon: "Komaan, dat is het leven, je moet erdoor." (lacht) Die man heeft altijd gelijk. Soms word ik er zot van. Zelf kan ik goed luisteren en veel verdragen, maar als ik echt iets wil, probeer ik toch wel mijn idee door te drukken. Josse en ik hebben respect voor elkaars werk. Het is goed dat we allebei zo intens bezig zijn en elk ons eigen leven leiden. Dat houdt de dingen in balans.

Soms wordt het me allemaal te veel en wil ik weg, alles achterlaten, stoppen met dansen en in een ander land een nieuw leven beginnen. (schatert) Maar wat zou ik daar moeten doen? Ik heb nooit, nooit iets anders gedaan.

"In Real Time" is een productie van Anne Teresa De Keersmaeker & Rosas, Toneelspelersgezelschap STAN en Aka Moon. Voorstellingen in Brussel (Van Volxemlaan 164, 1190 Brussel): 18-21 mei en 24-27 mei, telkens om 20 uur. Info en tickets: De Munt, Koninginnestraat, 1000 Brussel, Tel. 070/233.939 en bij FNAC. In Parijs, Théâtre de la Ville: 2-3 juni en 5-9 juni om 20.30 u. In Antwerpen, deSingel: 13-16 juni om 20 u. In Amsterdam, Stadsschouwburg: 18-20 juni om 20 u.

Annemie Struyf / Foto's Lieve Blancquaert