Daar sta ik dan, aan de kant van de weg, met het lichtje van de accu dat opeens ging branden en dan het lampje van de airbag en van het ABS en vervolgens de pinkers die het lieten afweten, waarop de dieselpomp de geest zou hebben gegeven mocht ik verder zijn gereden - want dieselpompen hebben geesten, zoveel is over hen geweten.
...

Daar sta ik dan, aan de kant van de weg, met het lichtje van de accu dat opeens ging branden en dan het lampje van de airbag en van het ABS en vervolgens de pinkers die het lieten afweten, waarop de dieselpomp de geest zou hebben gegeven mocht ik verder zijn gereden - want dieselpompen hebben geesten, zoveel is over hen geweten. Van armoe heb ik de wegenwacht gebeld, zoals in de reclame was hij al onderweg. Tien minuten later houdt een nerveuze maar vriendelijke pechverhelper halt, hij lijkt op de acteur die George Clooney capsules afluist in de reclamespotjes van een bekend koffiemerk. "De alternator ?" suggereer ik. De pechverhelper kijkt mij aan en knikt alsof ik een diepe wijsheid heb gezegd. Vroeger was ik stroef in de omgang met handwerkslieden, omdat ik een bureaumannetje was met een kop gevuld met wattige nonsens en nutteloze weetjes, terwijl zij van wanten wisten en de geheimen kenden van nokkenassen en spanningsmeters. De laatste tijd echter begrijpen wij elkaar beter, in die mate dat zij soms 'maat' tegen mij zeggen, wellicht omdat ik vaker zelf de handen uit de mouwen steek en het verschil leerde kennen tussen EGR-klep en luchtmassameter. Praktischer dingen dan die waaraan ik mijn jeugd heb verspeeld, zoals het lezen van De man zonder eigenschappen. Misschien had ik beter mijn instinct gevolgd en was ik op mijn twaalfde naar de vakschool gegaan in plaats van mij negen uur Latijn per week in de maag te laten splitsen. Dan was ik nu een white van man die in het zwart werkte en niet opdaagde als het hem uitkwam. Al vlug zitten de wegenwachter en ik ervaringen uit te wisselen uit onze beider loopbanen. Ik verneem dat er wel degelijk vrouwen bestaan die, zoals het cliché wil, vragen of ze in natura mogen betalen. "Niet veel", geeft hij toe, "maar ze lopen rond." Ook toont hij mij hoe je met een paar welgemikte tikken de alternator weer voor een paar dagen aan de praat kunt krijgen. Dergelijke dingen interesseren mij, wellicht door mijn verlangen zoveel mogelijk zelf te kunnen en grip te houden op een almaar ongrijpbaarder wereld. Met dat doel heb ik de afgelopen maanden onder meer geleerd in een netbook RAM-geheugen bij te steken, eigenhandig een verrekijker te collimeren en een mechanisch uurwerk af te regelen. Lapmiddelen tegen vervreemding. Lichtvoetig controleert de wegenwachter of de accu nog wel voldoende spanning levert. Zijn bewegingen hebben de magie die de bekwame vakman kenmerkt. "Jij doet je job nog graag he ?" vraag ik. "'t Zou erg zijn he anders", grijnst hij, en ik moet denken aan de vastbenoemden en de bureaucraten, aan de postjesjagers en de beroepsstakers. Ik ben blij dat deze vent is verschenen om mijn dag goed te maken. "De laatste jaren neemt de brutaliteit wel toe", zegt hij. "De mensen hebben voor niets nog respect. Zo kregen we onlangs een vervangwagen binnen, iemand had de splinternieuwe motor eruit getakeld en die vervangen door een versleten exemplaar. Zoiets hou je toch niet voor mogelijk ?" Hij laat dat echter aan zijn hart niet komen, maar roept iets naar zijn collega in de toegesnelde takelwagen, die knipoogt en vertrekt met mijn auto achterop, als een gestrande walvis. Van achter een afrastering staart een shetlandpony ons dommig aan terwijl de pechverhelper mij de sleutels van de vervangwagen overhandigt. Even later rijd ik, bij valavond, door een laan met aan weerszijden hoge gebouwen van glas, alsof ik terug in Manhattan was. De middeleeuwse torens van het Rabot steken kabouterachtig af tegen de lucht, die nu zeer snel verduistert en waarin twee heldere 'sterren' verschijnen die ik sinds kort herken als de planeten Jupiter en Venus. Dat schouwspel, die kosmische horlogerie, doet mijn hart sneller kloppen en tilt mij uit boven de werkelijkheid van geldautomaten en de woningaftrek. Ik begrijp niet hoe ik zo lang heb kunnen rondkruipen als blinde mol, zonder Mars te onderscheiden van de rode reus Aldebaran. De geluidsinstallatie van de vervangwagen speelt willekeurig nummers van mijn iPod af, waaronder het Amerikaanse radionieuws ten tijde van Pearl Harbor. De nieuwslezer zegt ijzig kalm dat het nu zeker oorlog wordt. Dat geluidsfragment draagt bij tot de sfeer van bevreemdende grootsheid, tezamen met de wegmarkeringen en de achterlichten van auto's vol bleke figuren die zich ergens vandaan ergens naartoe spoeden, onophoudelijk. Ik voel mij met dat alles verbonden en tegelijk ver weg, als een buitenaards wezen dat de kunst verleerd is door de tijd te reizen. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders