De vrouw met wie ik praat, heeft een weelderige boezem en doet schamper over haar levenspartner. "Hij drinkt te veel", zegt ze. "Soms kijkt hij urenlang naar documentaires over de zoektocht naar Hitler in Argentinië. Ik denk dat hij manisch-depressief is."
...

De vrouw met wie ik praat, heeft een weelderige boezem en doet schamper over haar levenspartner. "Hij drinkt te veel", zegt ze. "Soms kijkt hij urenlang naar documentaires over de zoektocht naar Hitler in Argentinië. Ik denk dat hij manisch-depressief is." Ik laat na op te merken dat ze manisch-depressief tegenwoordig 'bipolair' noemen. Zelf geef ik de voorkeur aan de oude term. Ik wantrouw dingen die opeens van naam veranderen, of het nu geestesziekten zijn, politieke partijen of financiële instellingen. Ik hou er niet van als er aan de wereld geprutst wordt, en al zeker niet aan de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. "Hoe bedoel je, manisch-depressief?" vraag ik. "You know," zegt ze, zonder dringende reden om over te schakelen op het Engels: "Hoge pieken, diepe dalen. Daar komt bij dat hij al jaren naar een uitvinding op zoek is die zijn leven zal veranderen. Hij bouwt een duikboot in de kelder en een cockpit op zolder. Daar zit hij vaak aan te prutsen tot het ochtend wordt." Dat vind ik sympathiek van de man. Sommigen kijken op naar figuren die beroemd zijn omdat ze beroemd zijn. Dat is geruststellend als je zelf geen bijzonder talent hebt. Anderen bewonderen sportieve prestaties. Zelf heb ik een zwak voor mensen die een verbetering aan de wereld aangebracht hebben. Mijn helden zijn James Watt, Madame Curie, Thomas Edison, Elon Musk en anderen die Angelina Jolie aan de haak sloegen of een baanbrekende vondst gedaan hebben. Zijn het geen X-stralen of een levensreddend geneesmiddel, dan wel het draaiende bankje dat ervoor zorgt dat je kont altijd droog blijft. Desnoods een strijkplank die je rechtop zet en die dan een spiegel wordt. Ooit belde ik met een man die rijk is geworden door een halfmaantje uit beschuiten te sparen, zodat je ze die zonder te breken uit hun verpakking kunt pulken. "Verklap je uitvinding aan niemand", bezwoer hij mij. Dat schijnt regel nummer één te zijn als je niet wilt dat de kaas van je brood geroofd wordt. Ik weet wel: de grens tussen het genie en de dorpsgek is duister. Uitvindersbeurzen zijn plekken waar je liever niet komt, aangeklampt als je er dreigt te worden door de ontdekker van een revolutionaire wasspeld. Zolang ze niet zijn doorgebroken, zitten uitvinders in het hoekje van de kladschilders en modelbouwers. Ze zijn niet het type waarvoor vrouwen gillend in zwijm vallen, zoals voor Elvis. Maar wat heeft Elvis aan de wereld verbeterd? "Naar het schijnt heeft hij nu toch raak geschoten", zegt de vrouw met wie ik nog steeds in gesprek ben over haar echtgenoot/uitvinder. "Hij bedacht een revalidatietoestel dat voor een continue mobilisatie van knie en heup zorgt. Een zegen voor kinesisten! De patenten zijn aangevraagd, en hij gelooft dat zijn vondst binnenkort wereldwijd verkocht kan worden." Daar kijkt ze van op; blijkbaar heeft ze hem onderschat. Het verschil tussen gek en geniaal is het succes, moet ik denken. Maakt niet uit wat de kip kakelt, als ze maar gouden eieren legt. Toegegeven: een revalidatietoestel is niet de meest sexy uitvinding. Maar Marc Coucke begon ook met shampooflesjes.