Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde
...

Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde's Morgens is het hier muisstil maar 's nachts niet. Toch niet in de winter, want dan zijn er muizen", vertelt Peter Gabriëlse. Vorig jaar kwamen ze en masse opdagen en richtten een ware ravage aan. Dat zat zo. Peter had vele kilo's appelen uit zijn ruim honderd fruitbomen tellende boomgaard op zolder gedeponeerd om te bewaren. Dat vonden blijkbaar ook de muizen een goed idee want ze stortten zich gretig op de geurige voorraad. "Een paar muizen vind ik geen probleem," zegt Peter lachend, "maar aan de aantasting van het fruit te zien, moeten het hele legers zijn geweest!" Besluit: voor dit najaar moet hij een andere oplossing uitdokteren om zijn fruit tegen de kleine schrokkoppen te beschermen. Dat is in dit pand, zoals in alle landhuizen, een oud zeer. Tegen de vele knaagdieren halen muizenvallen of zelfs een poes niets uit. Onder de plankenvloer op zolder ontdekte Peter Gabriëlse tot zijn verbazing ook ontelbare noten. "Sterk toch? Wie heeft die daar gebracht? Helemaal naar boven. Een muis, een rat?" Nieuwsgierig vroeg Gabriëlse aan de buurman of er ooit notelaars hadden gestaan. Dat was inderdaad zo, maar "voor zijn tijd", aldus de bejaarde man. "Ik vind het fascinerend hoe je in zo'n oud huis kleine sporen ontdekt van vroegere bewoners, en daar horen die diertjes bij", zegt Peter. "Op zolder vond ik ook een foto van een huwelijksfeest dat hier werd gevierd in de jaren '20. Er stond een massa mensen op, van wie velen in dit huis moeten hebben gewoond, want het telt veel kamers, er was plaats genoeg. Je kan je nu nog moeilijk voorstellen hoe druk het toen was."Sommige sporen herinneren ook aan historische episodes. Zo werd in een andere zolder een restant bewaard van een soort muurkast met een muurschildering van een altaar. Daar stond een schuilkapel die gebruikt werd in de woelige jaren na de Franse Revolutie. Peter herstelde de schildering en vond hier en daar een deel van de oorspronkelijke meubels terug. "Er is niet veel weggegooid, maar er zijn wel dingen verplaatst. Sommige stukken liggen dan op een of andere zolder en werden generaties lang bewaard. Doordat alle kamers vol troep lagen, moest ik eerst heel wat opruimen. Dat moest voorzichtig gebeuren, want tussen de rommel stak er af en toe een boeiend stuk. Maar de vorige eigenares had me wel verwittigd dat ik niets zou vinden van de oorspronkelijke bewoners die het pand in 1726 verbouwden, omdat het huis leeggehaald werd tijdens de Franse Revolutie. De eigenaar kon destijds verhinderen dat het gebouw werd afgebroken, maar zijn inboedel werd wel verbrand, met boeken en al", vertelt Peter Gabriëlse. Het verbaast hem hoe sterk de geschiedenis op het Franse platteland nog voortleeft. "De kennis van de revolutietijd hebben de mensen niet uit boeken, ze vertellen erover alsof het gisteren was en ze het zelf nog hebben meegemaakt. Zo doet in de streek het verhaal de ronde dat dit huis al vóór 1726 bestond en dat het oorspronkelijk een jachthuis was van Henri IV, waarvan iedereen ook weer weet wie hem vermoord heeft. En de mensen vertellen er graag bij dat een boer uit de omgeving enkele jaren geleden met tractor en al in de grond verdween, in een onderaardse gang die van hier zou leiden naar een ander kasteel." Dit soort verhalen hoort bij de pastorale sfeer die Peter Gabriëlse zo op prijs stelt. Hij vindt ook de traagheid waarmee alles gebeurt boeiend. Hier bewonen families generaties lang dezelfde woning. Oude huizen worden zelden afgebroken en vervangen, tenzij ze natuurlijk van vakwerk zijn. Maar veel gebouwen zijn robuust van architectuur, met dikke muren van kalksteen en bazalt.Peter Gabriëlse valt voor de rust, de schoonheid van zijn huis en het ongerepte landschap. Voordien woonde hij in Overslag, een klein dorp nabij Zelzate, in een oud huis - notabene uit 1746, twintig jaar jonger dus dan zijn huidige woning - dat letterlijk op de grens stond: de stoep was Belgisch grondgebied, de woning Nederlands. Het was ook een parel van een woning, maar Peter ergerde zich aan de drukte en aan een nieuwbouw die recht voor zijn neus werd opgetrokken. "Ik wil niet geconfronteerd worden met de geluiden, de radio's en de auto's van de medemens én ik wil ruimte zien. Dat is bij ons zo moeilijk geworden." Daarom zocht hij eerst in Noord-Frankrijk een woning. Uiteindelijk vond hij zijn stek veel dieper in het land, in de buurt van Caen, in wat La Basse Normandie wordt genoemd. Over zijn zoektocht vertelt Peter: "Ik had dat mooie tijdschrift gekocht, Les Belles Demeures en France, en ben daardoor wel een en ander op het spoor gekomen, waaronder een prachtig huis in een stadje. Maar het was me te druk en de streek stond vol dennenbomen die me deden denken aan de Ardennen: daar word ik zo intreurig van. Dus schreef ik de makelaar een briefje waarin ik hem mijn bezwaren uitlegde en ook vertelde dat de woning te ver landinwaarts lag. Maar in het volgend nummer van het tijdschrift stond er een heel klein fotootje van dit huis, Le Château, dat er fascinerend uitzag. Dus belde ik toch nog even die makelaar op met de vraag om het te bezoeken. Uiteindelijk bleek het nog verder te liggen ook." De kogel was meteen door de kerk: Peter Gabriëlse zette één voet binnen, in de traphal, en was 'verkocht'. Hij deed een bod en de verkoper ging akkoord. "Op zo'n moment schrik je wel wat, want het ging allemaal aan zo'n snel tempo. Opeens moest ik naar Frankrijk verhuizen en veranderde heel mijn leven." Die uitspraak is wellicht wat overdreven, want Peter had al heel wat ervaring: ook zijn vorige woning was stokoud en werd met eenzelfde hand gestoffeerd. De architectuur van het landhuis maakt de woning wel extra aantrekkelijk. Zuiver landelijk is de stijl niet, vergeleken met de bijna prehistorisch uitziende boerderijen in de omgeving. Het huis van Gabriëlse heeft een klassiek grondplan van een landhuis, met een middengang, geflankeerd door een reeks salons die rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Dat wil zeggen dat er geen gangetjes tussen de kamers zitten. Dit systeem van bouwen is van oorsprong Romeins en werd onder meer via Vitruvius, een Romeins bouwmeester die over architectuur publiceerde, herontdekt in de Renaissance en vervolgens gevulgariseerd door architecten als Serlio, Vignole en Palladio. Maar renaissancistisch is het huis niet, het werd in de 'moderne' stijl van 1726 gebouwd. De architectuur en afwerking waren voor hun tijd nogal vooruitstrevend. Hoewel je dat begrip steeds moet relativeren, want in die tijd waren de architecten, meestal een soort aannemers, er niet op uit om iets moderns en opvallends uit te proberen. 'Modern' waren onder meer de grote vensterramen. In een vroegere tijd werden alleen blokramen gebruikt met een middenstijl, hier zie je grote vensters met meer glas, die volledig opendraaien. Oorspronkelijk zat er wel glas-in-lood in de vensters. Ook de stucplafonds en de rondom lopende lambriseringen waren nieuw. Bovendien staat er op de woning een toit à la Mansart. Zo'n dak werd uitgevonden om de zolder bewoonbaar te maken voor personeel. Het begrip is afgeleid van de naam van de zeventiende-eeuwse architect François Mansart, die deze daken vaak gebruikte. Het is een functionele oplossing die extra elegantie schenkt aan het gebouw. Ook het interieur is zeer goed bewaard. "Onder afschuwelijke behangsels heb ik veel teruggevonden, zelfs een versierde schouw", vertelt Peter Gabriëlse. Zijn eerste werk bestond erin om alle latere toevoegingen, vooral uit de naoorloogse periode, te verwijderen en om de woning 'terug te brengen' naar de achttiende eeuw, zonder dat alles werd hersteld, want Peter conserveert graag de bestaande toestand. Gedeeltelijk ontpleisterde wanden en vlekkerige muren storen hem niet, als alles constructief maar in orde is. Onder het behang vond hij ook heel wat terug van de originele, 'gestorven' kleuren, zoals hij ze noemt. Een perfecte context voor zijn oudheden en kunstkasten. Peter was vroeger decorontwerper en verwierf bekendheid met kleine kunstkasten, opgevat als verzonnen interieurs. Hij bouwt ze met fragmenten van oude deuren, behangselpapier en soms zelfs archeologica. Je merkt amper een verschil tussen zijn eigen interieurs en de kunstkasten. Dat maakt een bezoek aan de woning zo inspirerend. Van alle interieurs die ik ooit mocht bewonderen, is dit het meest poëtische. Niemand kan zo subtiel stofferen als Peter Gabriëlse, en dat met spullen die een ander zou weggooien: een vel behangselpapier, een potscherf of een verharde schilderborstel. Op terugweg door het golvende Normandische landschap bedenk ik dat het oude huis veel gelijkenis vertoont met de omgeving: her en der heb je, op de top van een heuvel, een prachtig vergezicht, maar alles zien kan je niet zolang je er niet bent doorgereden. Ook de woning die we net hebben bezocht, biedt diepe doorzichten via openstaande deuren, maar in de kamers zelf kan je niet kijken. In de meeste moderne huizen wordt elke vorm van geheimzinnigheid tot nul herleid, omdat je té veel te zien krijgt. Zo'n oud huis laat je ook meer genieten van de opeenvolging van tijdstippen en van de seizoenen. Aan de stand van de zon weet je hoe laat het is, en voel je ook het seizoen aan. Dat maakt deze hermitage tot een oord van bezinning. Ontroerend mooi is het bijvoorbeeld als je 's morgens bij het opstaan merkt dat het huis zit ingepakt in de mist en je door het raam net een tak van een boom ontwaart. Dan ga je denken aan al die vroegere bewoners die ook van die momenten hebben meegemaakt, en bijna ongemerkt gaat de klok trager tikken. Le Château ligt ver af van de bewoonde wereld en het moet er wel af en toe eenzaam zijn. "Maar," fluistert Peter, "pas als je de poëzie van deze woning niet voelt, verdwaal je hier en is de eenzaamheid groot. Zelfs op een regenachtige dag is het fascinerend om naar de koeien te kijken die onder een boom staan te schuilen." De kunstkasten van Peter Gabriëlse worden op 9, 10 en 11 november geëxposeerd in het Douviehuis in Watou. Peter Gabriëlse zelf is te bereiken via fax: +33 233 64 27 12