Johann Strauss zou niet tevreden zijn. Zijn schönenblauen Donau ligt er grijsgroen bij. De negentiende-eeuwse hit nog herdopen is onbegonnen werk, bovendien walst het niet : An der schönen graugrünen Donau. De Ouwe Donau dan maar. Die loopt als een leeslint door de geschiedenis. De Grieken en Romeinen kenden hier de weg. Djenghis Khans paardenleger brandschatte tot aan de Donau. De kruisvaarders volgden de oever oostwaarts. Een paar eeuwen later trok het Ottomaanse leger in tegenovergestelde richting. De roemruchte dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije was een halve eeuw lang een Europese grootmacht, met de Donau als ruggengraat. En na zijn annexatie van Oostenrijk pootte Hitler in Mauthausen een van zijn gruwelkampen neer. Misschien schaamt de rivier zich wel voor haar verleden en durft ze niet meer te pronken met haar legendarische kleur.
...

Johann Strauss zou niet tevreden zijn. Zijn schönenblauen Donau ligt er grijsgroen bij. De negentiende-eeuwse hit nog herdopen is onbegonnen werk, bovendien walst het niet : An der schönen graugrünen Donau. De Ouwe Donau dan maar. Die loopt als een leeslint door de geschiedenis. De Grieken en Romeinen kenden hier de weg. Djenghis Khans paardenleger brandschatte tot aan de Donau. De kruisvaarders volgden de oever oostwaarts. Een paar eeuwen later trok het Ottomaanse leger in tegenovergestelde richting. De roemruchte dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije was een halve eeuw lang een Europese grootmacht, met de Donau als ruggengraat. En na zijn annexatie van Oostenrijk pootte Hitler in Mauthausen een van zijn gruwelkampen neer. Misschien schaamt de rivier zich wel voor haar verleden en durft ze niet meer te pronken met haar legendarische kleur. JIntussen is de Donau populairder bij fietsers dan bij generaals. De beroemde Radweg loopt van de bron in het Zwarte Woud tot aan de Zwarte Zee, bijna drieduizend kilometer verderop. Het mooiste stuk ligt tussen Passau en Wenen, beweren kenners. Omdat wij bij voorkeur de allermooiste partjes kiezen, springen we in het zadel in de Duitse grensstad Passau. Algauw is duidelijk waarom de Radweg zowat tot het typevoorbeeld van een fietsroute is uitgegroeid : de bewegwijzering is feilloos, de weinige auto's vormen geen bedreiging, en de omgeving is rustgevend groen. Op de eerste etappe, naar Schlögen, rijden we uren langs beboste flanken. Nu eens op de linker- dan weer op de rechteroever. Kleine veerbootjes zetten ons over voor een paar euro. De Oostenrijkers zijn spaarzaam op hun bruggen. Liefhebbers van de onbetreden paden noemen de Donau Radweg wat misprijzend een fietssnelweg. De eerste dagen delen we de route inderdaad met alle denkbare peddelaars. Nederlanders en Duitsers uiteraard, de voorspelbare fietsers. Maar ook een zwerm Amerikanen die per twee all the way to Vienna rijden, hun tandems hebben ze netjes laten overvliegen naar Europa. Wielertoeristen in flashy strakke pakjes flitsen langs jonge gezinnen waarvan de ukken net de steunwieltjes zijn ontgroeid. Het laatste veertje van de dag brengt ons meteen tot vlak bij het hotel in Schlögen, op de rechter-oever van de Schlögener Schlinge, waar de Donau het moet afleggen tegen een granietmassief en terugdeinst in een nauwe haarspeldbocht. Herman Uytterhoeven van Eigen-Wijze Reizen had me vooraf verzekerd dat ik het uitzicht op de haarspeldbocht fenomenaal zou vinden, ik hoefde maar even naar boven te lopen in het bos en dé foto was zo gemaakt. Na een halfuurtje flink doorstappen, klimmen en puffen kom ik bij de uitkijkpost, en zie beneden mij compleet niets meer. Een regengod heeft treiterend de hele Schlinge volgepropt met grijze rotswol. Wel mooi, maar niet echt wat ik zocht. We rijden Linz binnen over de foeilelijke Nibelungenbrug, ontworpen door Albert Speer, architect en rechterhand van Hitler. De Führer droeg Linz een warm toe, hij had hier een tijdje op school gezeten. Het Donaustadje zou een grote rol spelen in zijn Derde Rijk, want op Wenen had hij het helemaal niet begrepen : te veel verwaande artiesten, bronzen keizers, koffiehuizen vol bourgeois, en dan was er nog Sigmund Freud, die Joodse psychoanalist. Nee, dan liever een bescheiden, hardwerkend provinciestadje. Linz is de dans mooi ontsprongen, na de bouw van de brug zijn alle andere urbanistische plannen van Speer voor onbepaalde tijd uitgesteld. Het stadje, met een handvol eeuwenoude kerken, statige burgerhuizen en een renaissancistisch Landhaus, pakt trots uit met beroemde bewoners. Anton Brückner en Wolfgang Amadeus Mozart werkten er respectievelijk twaalf jaar en vier dagen, Beethoven bleef er één zomer. Maar Linz leeft ook in het heden, pal naast de Nibelungenbrug is het Lentos verrezen, een glimmend glazen museum. In de immense ruimten gaat actuele kunst in dialoog met klassiekers uit de twintigste eeuw. Of het glazen huis gebouwd is voor Linz 2009, vraag ik aan de balie. ?Nee, als Culturele Hoofdstad hebben we alleen geïnvesteerd in tijdelijke exposities, het museum is al in 2003 gebouwd." Voorlopig hebben we nog geen meter geklommen, daar brengt dag drie verandering in. Voorbij Langenstein laten we de Donau achter ons, linksaf de heuvel op, naar KZ-Gedenkstätte Mauthausen. Het concentratiekamp heeft net een grondige renovatie ondergaan, het ziet er zelfs iets te netjes uit. In 1938 werd het al gebouwd, ?met het oog op een oorlog". Niet de vernietiging van de Joden was hier de prioriteit, de meeste slachtoffers waren Oost-Europese politieke gevangenen. Ze stierven in de granietwinning van uitputting of ziekte, vaak ook werden er gevangenen van de beruchte trap geduwd (in SS-taal waren dat 'de parachutisten') of neergeschoten, anderen vroren dood of gooiden zich op de afsluiting van 380 volt. Bij de gedenkstenen in vele talen liggen verse en verdroogde boeketten, een donkere wolk houdt een minuut halt boven de binnenkoer, aan de prikkeldraad wappert een Roemeens wimpeltje. Een klas Amerikaanse tieners krijgt een rondleiding door de gaskamer en het crematorium. Tientallen mobieltjes maken dezelfde foto's. Sneakers schuiven zo stil mogelijk door de catacomben. ?Any questions ?" Ja, altijd diezelfde : ?Why ?" Op weg naar Grein rijden we door moerasgebied tot bij de pas ommuurde dorpjes Mitterkirchen en Mettensdorf. In 2002 stond het Donauwater er vier meter hoog in de straten. Zoveel Donau vinden zelfs de Oostenrijkers niet aangenaam, de dorpen houden zich voortaan schuil achter metershoge dijken. Vandaag brandt de zon, elke druppel water is welkom, dat maakt het verhaal van de overstroming nog hallucinanter. In Grein reppen we ons om een schaduwplekje op een terras te bemachtigen naast het oude stadhuis. Boven dat AltesRathaus huist het oudste theatertje van Oostenrijk. Het houten Stadttheater uit 1791, met zijn 167 zitplaatsen, kraakt vervaarlijk bij elke voetstap, en de balkons staan al lang niet meer waterpas. Destijds kochten abonnees een sleutel waarmee ze hun klapstoel konden losmaken. Op de benedenverdieping, achter een simpel gordijntje, zat het toilet. Zodat niemand een minuut hoefde te missen van het schouwspel. Wederzijds. Volgens de routebeschrijving komt de eigenaar van Gasthof Aumühle de fietsers oppikken in Grein. Maar we slaan de service over en fietsen gezwind de flank op, het bos in. Die vlaag van overmoed kost ons zes kilometer lastig klimmen, nu eens over een grindweg, dan weer pokdalig asfalt of een eindeloos stuk zand. Morgenavond is er weer zo'n taxi, naar Maria Taferl, tweehonderd meter boven de Donau. Dát aanbod zullen we niet afslaan. Maar voor we die taxi bellen, bezoeken we het Kokoschka-Haus in Pöchlarn. Twee goedlachse dames, vrijwilligers, houden zijn geboortehuis open. Oskar heeft hier niet echt gewoond, zodra hij de wieg was ontgroeid, verhuisde het Tsjechische gezin alweer. Maar Pöchlarn wil de schilder niet loslaten : elke zomer belicht een thematentoonstelling het leven en werk van de kleurenvulkaan. Maria Taferl ligt hoog genoeg om de bui letterlijk te zien naderen. Een bui zonder eind, lijkt het wel, wachten heeft dus weinig zin. Ingepakt en dichtgeritst wagen we ons aan de steile, watergladde afdaling, de remmen glibberen. In één beweging rijden we door naar Melk. Het klooster van Melk, en zeker de kloosterbibliotheek met haast tweeduizend manuscripten, is bekend terrein voor de lezers van Umberto Eco's De naam van de Roos. Je kunt er net zolang in ronddwalen tot je bijna weer droog bent. De kloosterkerk torent uit boven de omgeving, een baken van hoogbarok, een uitroepteken van kerkelijke macht, een ereplaats op de Unescolijst van Werelderfgoed. Vanaf hier fietsen we haast permanent onder Unescovlag. De hele wijnstreek Wachau is werelderfgoed, straks komen we door Tulln, dat verbonden is met het dertiende-eeuwse Nibelungenlied, en het eindpunt Wenen is bijna integraal opgelijst. In het levendige Tulln zou volgens het epos uit de dertiende eeuw - een onontwarbare mix van historische feiten en volkse vertel-lingen - de Bourgondische koning zijn dochter Kriemhilt hebben voorgesteld aan Atilla, leider van de Hunnen, die tijdens zijn huwelijksnacht zou sterven. De hele scène staat er meer dan levensgroot gebeeldhouwd op de Donaukade, een stevige fontein zorgt voor extra grandeur. Meer tot de verbeelding spreekt het Schiele Museum, iets verderop. Egon Schiele, zoon van een spoorwegbeambte in Tulln, belandde rond zijn 22 een aantal weken in de gevangenis. De jongens en meisjes uit de buurt, die weleens voor hem poseerden, hadden pornografische prenten zien hangen in zijn atelier. Bovendien leefde hij in zonde met Wally, zijn roodharige vriendin. Tulln heeft die periode niet onder de mat geveegd, maar er een museum aan gewijd, zelfs zijn cel is nagebouwd. Het museum is een prima opwarmertje voor de Schiele-lawine die ons straks in Wenen wacht. De eindbestemming is in zicht, we peddelen Wenen binnen over het Donau Insel, een twintig kilometer lang autovrij park, als middenberm tussen de rivier en het parallel gegraven kanaal. De eerste niet-fietser die ons tegemoetkomt, is een poedelnaakte wandelaar op teenslippers. ?Beware, beware, beware of the naked man", fluistert Randy Newman me in het oor, dus fietsen we door. Het adammysterie is vlug ontrafeld als we dwars door een hele kolonie roze robben fietsen : een flink deel van het eiland is FKK-zone, een naturistenligweide. Wie moe is van het liggen, wandelt maar wat rond. Een paar honderd meters Freikörperkultur maken van Wenen natuurlijk geen cultuurstad. Daar heeft het zijn beroemde opera voor, en meer musea dan een normaal mens aankan : we houden het op het Kunsthistorisch, kasteel Belvédère en het MuseumsQuartier. Maar we beginnen met de Gaudí van Wenen, Hundertwasser, die leefde volgens een zelfverzonnen elfde gebod : de rechte lijn is goddeloos. Zijn muren, vloeren en daken golven psychedelisch, voor zijn gevels plukte hij het kleurenboek van de tegelfabrikant leeg. Zijn schilderwerk mag er dan behoorlijk gedateerd uitzien, zijn huizen blijven kinderlijke vrolijkheid uitstralen. Tegenover het sneeuwwitte Leopold Museum staat het basaltgrijze Mumok als een sombere klomp op het MuseumsQuartier. Ertussen zomert het, kleuters slalommen op hun autoped tussen de wandelende grijsaards, moeders laten hun peuters pootjebaden, het plastic meubilair ligt en zit vol hip volk. Het Leopold Museum is een bad in de wereld van Klimt en Schiele, de grote twee van de Wiener Secession. Het overdadige bladgoud van Klimt (een idee dat hij oppikte uit de mozaïeken van Ravenna) doet algauw de ogen knipperen, maar zijn landschappen zijn een revelatie. Wie met de fiets in Wenen belandt, wacht een verrassing : de stad is dooraderd met liefst duizend kilometer fietspad. Van het barokke kasteel Belvédère naar het Prater met zijn reuzenrad, van oost naar west, van Uno City naar Schloss Schönbrunn (Sissi's zomeroptrekje) : volg de fietsende Weners. Op een van onze ritjes belanden we in het Stadtpark bij de potsierlijk vergulde Johann Strauss. Hij lijkt zich van geen blauw of grijsgroen bewust, glimmend van trots houdt hij voor eeuwig die hoge noot aan op zijn viool. TEKST EN FOTO'S IGNACE VAN NEVELMozart werkte 4 dagen in Linz, voor hem volstond dat om een symfonie te schrijven