Negentien was Georges Simenon toen hij in 1922 op een koude dag zijn geboorteplaats verliet, richting Parijs. "Mijn hele leven heb ik gewacht om te ontsnappen", schreef hij bij wijze van afscheid. En nee, het is niet meteen een flatterend beeld dat hij in het autobiografische Un homme comme un autre van de Vurige Stede schetst : "Luik telde in die tijd nog veel smalle straatjes met middeleeuwse huisjes ; het afvalwater liep zomaar tussen de plaveien door. De geur van die straatjes was beslist karakteristiek te noemen, ik hoef er maar aan te denken en hij prikkelt opnieuw mijn neusgaten." Het liefst had wereldburger Simenon nooit meer omgekeken, maar hij kon zijn Luikse wortels niet verloochenen. In 1943 verscheen Pedigrée, "le plus grand roman que Liège ait jamais inspiré", waarin inwoners en situaties zo herkenbaar waren dat Simenon er zich processen mee op de hals haalde. Maar ook in verhalen die zich níet in zijn geboortestad afspelen, wemelt het van Luikse taferelen. "Ik heb geen verbeelding", beweerde de man die honderden boeken en novellen schreef. "Ik haal alles uit mijn jeugd."
...

Negentien was Georges Simenon toen hij in 1922 op een koude dag zijn geboorteplaats verliet, richting Parijs. "Mijn hele leven heb ik gewacht om te ontsnappen", schreef hij bij wijze van afscheid. En nee, het is niet meteen een flatterend beeld dat hij in het autobiografische Un homme comme un autre van de Vurige Stede schetst : "Luik telde in die tijd nog veel smalle straatjes met middeleeuwse huisjes ; het afvalwater liep zomaar tussen de plaveien door. De geur van die straatjes was beslist karakteristiek te noemen, ik hoef er maar aan te denken en hij prikkelt opnieuw mijn neusgaten." Het liefst had wereldburger Simenon nooit meer omgekeken, maar hij kon zijn Luikse wortels niet verloochenen. In 1943 verscheen Pedigrée, "le plus grand roman que Liège ait jamais inspiré", waarin inwoners en situaties zo herkenbaar waren dat Simenon er zich processen mee op de hals haalde. Maar ook in verhalen die zich níet in zijn geboortestad afspelen, wemelt het van Luikse taferelen. "Ik heb geen verbeelding", beweerde de man die honderden boeken en novellen schreef. "Ik haal alles uit mijn jeugd." Hoe dan ook, in Luik is Simenon niet minder dan een legende. Hij is een wandelroute, een straat, een buste en een jeugdherberg. De wandeling (met audiogids) voert je langs betekenisvolle plekken uit zijn jeugd : zijn geboortehuis, uiteraard, en talrijke andere woningen, want in haar ambitie om sociaal hogerop te raken, deed moeder Simenon haar gezin wel dertien keer verhuizen. Maar de wandeling voert ook langs de kapel waar Georges koorknaap was, het plein waar hij zijn eerste pijp kocht en het straatje waar "vrouwen, de meesten foeilelijk, in hun hemd op de stoep rondhingen en de passanten in hun kamertje probeerden te lokken. Soms pikten ze hen de hoed van het hoofd en liepen ermee naar binnen, zodat er voor de 'arme sukkelaars' niets anders op zat dan de vrouwen te volgen om hun hoofddeksel terug te krijgen." Georges zat nog op het college toen hij in de rue Capitaine voor het eerst voor de liefde betaalde, met een horloge dat hij van zijn vader gekregen had, iets waarvan hij later veel spijt zou hebben. Je suis resté un enfant de choeur is de titel van een van zijn autobiografische dictées ; dat moeten we wel met een flinke korrel zout nemen. Maar laat ik niet op de dingen vooruitlopen. Simenons geboortehuis vind je in de rue Léopold, een wat verloederde winkelstraat met hoge, ooit chique huizen zoals je ze ook in Parijs aantreft. Georges y est né, Joséphine y trouve son bonheur, staat op de gevel van nummer 24. De Joséphine in kwestie is Joséphine Baker, de wulpse Afro-Amerikaanse danseres met wie de volwassen Simenon een langdurige affaire had en van wie hij beweerde dat ze de enige vrouw ter wereld was die met haar kont kon lachen. Helaas, als Joséphine hier al ooit aan haar trekken kwam, dan is het lang geleden, want de rolluiken van de winkel met Afrikaanse specialiteiten zijn dicht, er ligt een dikke laag stof op. Maar ook ten tijde van Simenons geboorte, op 12 februari 1903, "op de tweede verdieping, kamer en keuken zonder water of gas", was dit geen oord van luxe. In feite werd de schrijver een paar uur later geboren, op 13 februari dus, maar zijn bijgelovige moeder liet de geboorteakte aanpassen. Simenon en zijn moeder, het is een verhaal apart. Henriette Brüll, van Limburgse oorsprong en verkoopster in L'Innovation, liet er geen twijfel over bestaan dat Georges' jongere broer Christian haar lieveling was. Simenon zou er een moedercomplex aan overhouden, dat volgens keukenpsychologen de oorzaak was van zijn turbulente relaties met vrouwen. In verschillende boeken nam hij wraak op zijn moeder, onder andere door ongenadig haar tweede huwelijk te fileren. Toen hij aan haar sterfbed verscheen, zou ze gevraagd hebben : "Waarom ben je eigenlijk gekomen ?" Simenons vader, een weinig ambitieuze verzekeringsagent, stierf jong. Het gezin was intussen allang over de Pont des Arches naar Outremeuse verkast, een eilandje in de Maas dat ooit de reputatie van een rebelse vrijstaat had. Moeder Simenon verhuurde een tijdlang kamers aan studenten en reizigers van allerlei nationaliteiten en overtuigingen, een opening naar de wereld waarmee de jonge Simenon zijn voordeel deed. Door de vroegtijdige dood van zijn vader kon hij geen hogere studies doen : op zijn zestiende was hij al reporter voor de Gazette de Liège en ging hij enthousiast achter sensationeel nieuws uit de Luikse demi-monde aan. Binnen het jaar had Georges Sim (zijn pseudoniem) een eigen rubriek. Vooral rechtszaken fascineerden hem en de kennis die hij opdeed, kwam hem later goed van pas bij het schrijven van policiers. In dat verband is ook een gebeurtenis uit 1922 van belang. Simenon maakte deel uit van de wat obscure kunstenaarsvereniging La Caque (Het pekelvat), een groep bohemiens die roekeloos met drugs en andere buitensporigheden experimenteerde. Een van de leden was schilder Joseph Klein, die zijn naam niet gestolen had en die vaak het mikpunt van pesterijen was. Op 2 maart 1922 werd Klein na een bacchanaal dood teruggevonden, met een strop opgehangen aan de deurklink van de Saint-Pholienkerk. Zelfmoord of een afrekening, zoals de geruchten suggereerden ? Simenon zou de laatste geweest zijn die Klein levend gezien had. Hij schreef in de Gazette een artikel over de zaak en verwerkte de gebeurtenissen in een van zijn eerste Maigrets, Le pendu de Saint-Pholien ( Het lijk bij de kerkmuur). Ook in latere boeken wemelt het van zelfmoorden, vaak verhangingen. Volgens sommige biografen zou Simenon zo zijn vroegere spitsbroeders (die in de zaak vrijuit gingen) op hun schuld gewezen hebben. Het kerkje van Saint-Pholien, mét gedenkplaat voor Joseph Klein, staat er nog. Recht tegenover is er een antiquariaat, L'Enseigne du Commissaire Maigret. De knus-rommelige tweedehandszaak heeft een hele afdeling gewijd aan Simenons oeuvre, met foto's, boeken en documenten, waaronder een brief van de erven van de schrijver die de boekwinkel toestemming geeft om de naam Maigret te gebruiken. De eigenaar van een hotel aan de Boulevard de L'Est had minder geluk : elk van zijn kamers verwees naar een intrige uit een Simenonboek, maar de erfgenamen weigerden om hun familienaam te laten gebruiken. De hotelier vond er niet beter dan zijn zaak Si Mais Non te noemen. Niet dat het veel uithaalde, het hotel in belle-époquestijl staat tegenwoordig leeg. Op zijn negentiende stortte Simenon zich - "op handen en voeten", schreef hij zelf - in het huwelijk met kunstenares Régine 'Tigy' Renchon, die hij in La Caque had leren kennen. Niet lang na de affaire Klein vertrokken ze naar Parijs. In 1922 schreef hij zijn eerste roman populaire, volgens de legende op een caféterras, terwijl hij op zijn vrouw zat te wachten. Binnen de kortste keren werkte hij voor verschillende opdrachtgevers, onder verschillende pseudoniemen. Over Simenons waanzinnige productiviteit doen veel straffe verhalen de ronde. "Ik verveel mij", zo zou hij ooit tegen Tigy gezegd hebben. Waarop zij suggereerde dat hij misschien een boek kon schrijven. "Jamaar, wat moet ik vanmiddag dan doen ?" zou hij geantwoord hebben. Aangezien Le petit Sim destijds betaald werd per pagina geleverde kopij, werd hij al gauw een welgesteld man. Maar hij wist dat hij tot meer in staat was dan pulpromans en feuilletons in damesbladen. Begin de jaren dertig waagde hij zich aan zijn eerste romans durs : de verhalen werden ernstiger, de levensvisie pessimistischer, maar zijn handelsmerk, de zuinige schrijfstijl, bleef. Een bekend voorbeeld uit die periode is Les fiançailles de Monsieur Hire, later verfilmd met Michel Blanc in de hoofdrol. "Ik gebruik geen bijwoorden", verklaarde Simenon. "Ik heb genoeg aan woorden met drie dimensies." Tijdgenoten erkenden hem als een groot schrijver. André Gide met name stak zijn bewondering niet onder stoelen of banken : "Simenon is een geniaal schrijver en de meest waarachtige romancier uit de hedendaagse literatuur." Zoals over zo veel dingen deed Simenon zelf cynisch over zijn schrijverschap : "Hoe minder intelligent je bent, hoe groter de kans dat je romanschrijver wordt. Anders zou je toch theses schrijven." Of : "Schrijven is geen beroep, het is een roeping om ongelukkig te zijn." "Hij was groot, krachtig, maar zijn gezicht leek in niets op het beeld dat men zich van een volmaakte rechercheur vormt. Hij had ook niets van een politieman. Zijn gezicht was rond en nogal rood. Het gezicht van een goede plattelander. De ogen waren wat naïef, een indruk die nog werd versterkt door een stompe neus. Onder het lopen knikte hij licht met zijn hoofd, alsof hij voortdurend met zichzelf in gesprek was. Hij stopte zijn pijp met dezelfde zorg die hij aan alles besteedde, stak hem op en begon te roken terwijl hij door het vertrek ijsbeerde." Zo beschrijft Simenon zijn bekendste personage, commissaris Jules Maigret. De eerste échte Maigret ( Pietr-le-Letton) verschijnt in 1931, de laatste ( Maigret et Monsieur Charles) in 1972. En nee, de wereldberoemde rechercheur zag niet in Parijs het levenslicht, maar in het Nederlandse Delfzijl, waar Simenon tijdens een boottochtje met motorpech in de haven lag. Vandaar dat er ook een standbeeld staat ter ere van de commissaris. Simenons uitgever zag oorspronkelijk geen heil in de serie : "Uw policiers zijn geen echte policiers, ze zijn niet wetenschappelijk en evenmin geschreven volgens de regels van het spel. Er zijn geen echt sympathieke of antipathieke personages, geen jeunes premiers of heldinnen, het verhaal eindig niet goed of slecht. Kortom : een ramp." En het is waar : Maigret is een atypische flic. Meer psycholoog dan politieman, de misdadigers die hij beroepshalve achternazit, wil hij vooral begrijpen. Klassieke whodunits zijn de Maigrets niet. Vaak is de spanning ondergeschikt aan de sfeerschepping en de ontrafeling van de menselijke drijfveren. Zeker in de laatste weet je als lezer al vanaf het begin wie de moordenaar is. Toch worden de Maigrets ook nu nog gretig gelezen. Veel verhalen werden verfilmd, de meest uiteenlopende acteurs gaven op het grote en kleine scherm gestalte aan de commissaris : van Jean Gabin tot de Japanner Kinya Aikawa. Veel had Simenon niet gemeen met zijn beroemdste creatie. Terwijl de hondstrouwe burgerman Maigret na zijn overuren steevast terugkeert naar de stoofpotjes van zijn echtgenote, was Simenon een societyfiguur. Er zijn foto's van hem op het Filmfestival van Cannes, in witte smoking, aan de zijde van Brigitte Bardot. Hevige driften speelden hem zijn leven lang parten. Hij leverde een nimmer aflatend gevecht met de drankduivel en was zijn partners systematisch ontrouw. Na de Tweede Wereldoorlog liet hij zich scheiden van Tigy en trouwde halsoverkop met zijn Canadese secretaresse, Denyse Ouimet. Dat belette hem niet om er een liaison met zijn dienstmeisje Boule op na te houden. Tegen Fellini pochte hij dat hij de liefde bedreef met tienduizend vrouwen, vaker achter een deur dan in een bed. In bepaalde perioden van zijn leven ging hij dagelijks naar de hoeren. Veelzeggend is zijn uitspraak : "De vrouwen die je betaalt, zijn niet de duurste." Nog een geluk dat hij ook een enorme schrijfdrift had. Zijn 'papieren kathedraal', noemde hij zijn immense oeuvre. Simenon was er immers niet vies van om zijn eigen legendes aan te dikken. Zo beweerde hij ooit dat na een dag typen zijn hemden precies 800 gram meer aan zweet wogen. Hij schreef in een roes en was dan niet te genieten. " Je suis en roman", zo noemde hij die staat van agitatie. Comprendre, pas juger (begrijpen, niet veroordelen), luidde Simenons levensmotto, maar hij maakte het zijn vele bewonderaars niet gemakkelijk om hem te begrijpen. Er is de kwestie van zijn (vermeend) antisemitisme. In de Gazette de Liège schreef hij als achttienjarige een reeks opruiende artikelen over 'het joodse gevaar'. Jeugdzonde of rechts opportunisme ? De katholieke Gazette was toen principieel anti-joods. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Simenon in de Vendée, waar de uitgesproken individualist zich ten dienste stelde van anderen en vluchtelingen uit België opving. Maar niet een groep joodse Antwerpse diamantairs, met de uitleg dat ze niet de Belgische nationaliteit hadden. Ironisch genoeg werd de schrijver er in 1942 door de Gestapo van verdacht zelf jood te zijn. Hij moest geboortebewijzen van ouders, groot- en overgrootouders voorleggen. Nog tijdens de oorlog sloot hij een contract met de Duitse maatschappij Continental, die verschillende van zijn boeken verfilmde. Op de premières waren officieren van de Wehrmacht aanwezig. Na de oorlog vertrok Simenon spoorslags naar Amerika, hij had geen zin in een proces. Zijn broer Christian, die in Luik een kopstuk was van de Waalse pro-Hitlerorganisatie Rex, hielp hij om in dienst te gaan bij het vreemdelingenlegioen. " Nous sommes tous des ratés, puisque ça finit par la mort", (We zijn allemaal mislukkelingen omdat we nu eenmaal dood gaan) schreef Simenon in een van zijn somberste buien. Zijn laatste jaren werden overschaduwd door de zelfmoord van zijn dochter Marie-Jo (25), die naar verluidt een ongezonde obsessie voor haar vader koesterde. Zelf stierf de auteur in 1989 in Lausanne. De as van de ontrouwe zoon kwam niet in zijn geboortestad Luik terecht, zijn laatste gezellin Thérèse strooide ze uit onder een boom in zijn tuin, waar eerder die van zijn dochter terechtkwam. In 2003 werd bij de honderdste verjaardag van zijn geboorte in Luik een grote herdenking gehouden, waarbij alle facetten van zijn complexe persoonlijkheid - vleiende en minder vleiende - belicht werden. Nu is het wachten op het aan hem gewijde museum waarvan al zo lang sprake is. Wie in de voetsporen van Simenon door Luik wil wandelen, kan bij Office du Tourisme (Féronstrée 92) de Simenonwandelroute met plattegrond en audiogids ophalen. 04 221 92 21. www.liege.be Door Linda Asselbergs - Foto's Wouter van VaerenberghZelf pochte de schrijver dat hij de liefde bedreef met tienduizend vrouwen, vaker achter een deur dan in een bed Hevige driften speelden Simenon levenslang parten