Een stad laat zich niet samenvatten in een tijdschriftenartikel. Dat geldt in veelvoud voor een metropolis als Tokio, het hart van 's werelds belangrijkste stedelijke agglomeratie, met 33.750.000 inwoners. Misschien iets meer, of minder. Niets schrappen, alles past : Tokio is even eindeloos als mysterieus, net zo horizontaal als verticaal, een wirwar van elektriciteitskabels, spoorlijnen, kanalen, rivieren, jumbotrons, brede lanen en onooglijke steegjes. Oorverdovend, ook : elk metrostation heeft een eigen muzikaal thema, er bestaat geen toestel dat niet praat of zingt, de gokautomaten van de pachinko's op kop.
...

Een stad laat zich niet samenvatten in een tijdschriftenartikel. Dat geldt in veelvoud voor een metropolis als Tokio, het hart van 's werelds belangrijkste stedelijke agglomeratie, met 33.750.000 inwoners. Misschien iets meer, of minder. Niets schrappen, alles past : Tokio is even eindeloos als mysterieus, net zo horizontaal als verticaal, een wirwar van elektriciteitskabels, spoorlijnen, kanalen, rivieren, jumbotrons, brede lanen en onooglijke steegjes. Oorverdovend, ook : elk metrostation heeft een eigen muzikaal thema, er bestaat geen toestel dat niet praat of zingt, de gokautomaten van de pachinko's op kop. De structuur van Tokio is los. De stad meandert. Er is geen echt hart, wel verscheidene stadskernen (zoals Shibuya, Shinjuku, Ikebukuro of Shinagawa), elk met een eigen centrum. Zo'n centrum is bijna altijd een treinstation in konijnenpijpstijl. Tokyo Station, deels een kopie van Amsterdam CS, is een uitzondering. Over de knooppuntstations is zonder uitzondering een grootwarenhuis gebouwd, uitgebaat door de treinmaatschappijen, al kan het ook omgekeerd zijn. Die vreemde combinatie van treinen en winkels noopt tot overwegingen van filosofische aard. Rij ik in de trein van een grootwarenhuis ? Koop ik mijn sushi in de supermarkt van een transportmaatschappij ? Hoe dan ook is Tokio een stad die aan elkaar hangt met gangen en tunnels, veeleer dan met straten en trottoirs. Rond de centrale stadskernen loopt een treinspoor dat de verscheidene stationswarenhuizen met elkaar verbindt. Tokio houdt niet op voorbij die gordel, in tegenstelling tot steden als Brussel of Parijs. Een aantal toonaangevende wijken, zoals Daikanyama of Shimo-Kitazawa, ligt erbuiten, maar de officiële bezienswaardigheden bevinden zich grotendeels in de cirkel. Dat geldt eveneens voor de nieuwe architectuur. Opgelet : nieuw betekent in Japan dat de verf aan de muren nog vochtig is. Architectuur met historische waarde, of tenminste een verhaal, bestaat nog nauwelijks. Dat is enerzijds een gevolg van natuurrampen en oorlogsgeweld. Anderzijds blijft Japan zich heruitvinden. Dat ogenschijnlijke gebrek aan respect voor het verleden is op een bepaalde manier verfrissend. Het belangrijkste nog overeind staande Japanse gebouw van de twintigste eeuw (of toch ongeveer) is de Nakagin-capsuletoren, een kleinschalig flatgebouw van de metabolistische architect Kisho Kurokawa uit 1970. Achter een sinds jaren niet meer gelapt raampje op de gelijkvloerse verdieping kan de toevallige voorbijganger nog het oorspronkelijke modelappartement bewonderen. Het flatgebouw verdwijnt in de schaduwen van twee recente wolkenkrabbers : het minimalistische, 48 verdiepingen tellende hoofdkwartier van reclamegigant Dentsu, ontworpen door de Franse architect Jean Nouvel, en een tweehonderd meter hoog gebouw voor Nippon TV van de Brit RichardRogers. De nieuwe torens contrasteren sterk met de Japanse architectuur van de jaren tachtig en negentig. Die was overwegend ijskoud, met als vermoedelijk uitgangspunt : gebouwen zijn machines, geen roomtaarten. Het stadhuis, een dubbele wolkenkrabber van architect Kenzo Tange in Shinjuku, is een goed voorbeeld. Dat bijna gotische complex uit 1991 heeft iets dreigends, terwijl de Japanners toch gesteld zijn, wil het cliché, op alles wat kawaii is, schattig, zeg maar. De luxehotels uit dezelfde periode zijn comfortabel doch luguber, wat ook blijkt uit het gebruik dat regisseurs ervan maken als decor voor min of meer deprimerende films, zoals Sofia Coppola's Lost In Translation (in het Park Hyatt Hotel) of Ryu Murakami's Tokyo Decadence van enkele jaren geleden, gedomineerd door eindeloze sadomasochistische seks- scènes in dure suites met een wijds uitzicht. Zelf logeerde ik tijdens een recent verblijf in een gebouw van Tange, het Akasaka Prince Hotel, een wolkenkrabber uit 1982 met een oeverloos witte lobby, waar men zich zelfs bij dertig graden Celsius verloren waant in een sneeuwstorm. Prachtig, dat wel, maar ook koel en intimiderend. De jaren nul zijn anders. De eenentwintigste eeuw is misschien niet lager (wel integendeel), maar zeker lichter. Er worden thans opvallend meer buitenlandse architecten gevraagd. Dat is logisch : een internationale ster geeft een project extra cachet, en dat geldt evenzeer voor de bouwkunde als voor marketing en reclame. Net als elders in de wereld is het vooral de luxe-industrie die celebrities inlijft. Voorbeelden genoeg in chic Aoyama. Comme des Garçons, altijd in de voorhoede, liet jaren geleden al een pand inrichten door het Britse bureau Future Systems, thans wereldberoemd dankzij hun aan een ruimtetuig verwante filiaal van Selfridges in Birmingham. Louis Vuitton, Fendi en Dior vroegen Japanse architecten, respectievelijk Jun Aoki, Kengo Kuma en Kazuyo Sejima, de belangrijkste vrouwelijke architect in Japan. Toyo Ito, wereldberoemd, onder meer door zijn brug in Brugge, bouwde een pand voor de schoenenmaker Todd's dat de vormen van een boom imiteert. Tadao Ando, die nog beroemder is, werkt aan een groot complex langs Omotesando, de lokale versie van de Champs-Elysées. Een melancholische rij achter klimop verstopte woningen uit 1927 (zoiets als de prehistorie, naar Japanse normen) moest midden vorig jaar wijken. De bomen ervoor zijn blijven staan. Het enige écht spectaculaire amalgaam van shopping en architectuur in Aoyama is de zaak die de Zwitsers Herzog & De Meuron voor Prada hebben gebouwd. Die asymmetrische glazen honingraat, acht verdiepingen hoog, omringd door een deels verticale tuin, is haast zeker de mooiste klerenwinkel ter wereld. Ook elders voedt de mode de architectuur. Hermès heeft in Ginza een wolkenkrabber van Renzo Piano, een van de architecten van het Centre Pompidou in Parijs. De toren, van glazen baksteen, zit grotendeels weggestopt in een zijstraat. Hermès heeft destijds een fortuin betaald voor de grond. Sindsdien zijn de prijzen naar beneden getuimeld. Ginza, ooit de meest prestigieuze avenue van Tokio, bewaart die reputatie bovendien alleen in middelmatige reisgidsen. Toch heeft Hermès, tenminste financieel, geen slechte keuze gemaakt. In Harajuku, trefpunt van hippe kids, heeft het architectenbureau Wonderwall, geleid door Masamichi Katayama, een imperium van cool bij elkaar gebouwd, onder meer in opdracht van het door tieners vereerde streetwearmerk A Bathing Ape. En dan is er nog Roppongi Hills, het immobiliënproject waar de voorbije maanden hectoliters drukinkt aan zijn geofferd. Roppongi was in het verleden een dure uitgaansbuurt : het nachtelijke verzamelpunt van zakenreizigers en expats. Roppongi Hills daarentegen zoekt het daglicht. Het is een stad in een stad ( "The city where new ideas are born", volgens de glansbrochures), in de traditie van bijvoorbeeld het Rockefeller Center in New York. Een oppervlakte van 11,6 hectare, met een handvol shopping malls (waaronder, erg revolutionair, een winkelstraat in openlucht), een Grand Hyatt-hotel, een cinemacomplex van de Virgin-groep, een voor digitale televisie uitgeruste studio van Asahi TV, een park in traditionele Japanse stijl, 793 appartementen verspreid over twee torens en twee lagere gebouwen, en 2762 parkeerplaatsen. Het baken van het hele complex is de 238 meter hoge Mori Tower, een glazen kantoorgebouw van vierenvijftig verdiepingen (ontworpen door Kohn Pedersen Fox Associates in New York) dat wordt bekroond door een panorama en een full-size privé-museum. Het uitkijkplatform is een geduchte concurrent voor de Tokyo Tower, de van 1954 daterende, rood en wit geschilderde imitatie van de Eiffeltoren, om de hoek. Het Mori Museum heeft geen eigen collectie. Op dit moment, en nog tot 11 april, loopt er een expositie over Japanse kunst, Roppongi Crossing : New Vision of Japanese Art. De directeur, David S. Elliott, is een Brit, de eerste buitenlander aan het hoofd van een Japans museum. Het project Roppongi Hills, met gemak het meest ambitieuze stadsvernieuwingsproject in Japan sinds de Tweede Wereldoorlog, is het geesteskind van Minoru Mori, op zijn negenenzestigste de belangrijkste makelaar van Japan. Het concept van de verticale, ge- integreerde stad is al vaker getest sinds Le Corbusier zijn unités d'habitation bouwde, onder meer in Marseille en Berlijn : massieve flatgebouwen compleet met winkelstraat, crèche, spartelbad op het dak en feestzaal. Het Japanse project is in zekere zin een minder strenge, beter gemengde variant van die theorieën. Waarbij de verlaten, barre grasvelden onder aan de torens zijn vervangen door gesofisticeerd stadsgewoel. In het Amerikaanse weekblad Time verkondigde Mori dat hij in het verleden dezelfde denkfout heeft gemaakt als Le Corbusier : in Ark Hills (1986), een project van vijf hectare in de wijk Aksaka, waren appartementen, kantoren, winkels en openbare ruimte gescheiden door een lege open ruimte. In Roppongi Hills is alles veel gemengder. Een bezoek aan het complex moet een positieve ervaring zijn, heet het, geen vervreemdend avontuur. De architectuur echoot het complexe aspect van organisch gegroeide stadswijken, zoals Greenwich Village of Saint-Germain-des-Prés. Het masterplan is van Jon Jerde Partnership, gespecialiseerd in ongewone shopping malls. Jerdes uitgangspunt : ervoor zorgen dat het complex voor bezoekers niet zo immens lijkt als het in werkelijkheid is. Materiaalkeuze, verlichting en akoestiek spelen in dat verband een belangrijke rol. Het helpt ook als een straat niet kaarsrecht loopt, maar schijnbaar spontaan kromt. Roppongi Hills gebruikt kunst, design en mode te zijner glorie. Kunstenaar Takashi Murakami, in wiens op industriële leest geschoeide ateliers van Tokio, New York en Parijs onder meer accessoires voor Louis Vuitton werden bewerkt, ontwierp een reeks mascottes voor het complex. In de verschillende shopping malls zijn souvenirwinkeltjes geplaatst waar foulards, postkaarten, boekjes, stickers, buttons en andere, nergens elders verkrijgbare Murakami-parafernalia worden verkocht. Het Mori Museum is later open dan andere musea en de cinema's programmeren ook na middernacht vertoningen, een unicum in Tokio. Het straatmeubilair op de begane grond is ontworpen door beroemde designers, zoals Droog Design, Shigeru Uchida, Tokujin Yoshioka en Tom Dixon. Er staat ook een tien meter hoge spin (ze heet Maman) van Louise Bour- geois. De verschillende logo's van Roppongi Hills zijn het resultaat van een internationale wedstrijd, die werd gewonnen door de Britse grafisch designer Jonathan Barnbrook (diens bekendste werk is het vele kilo's wegende koffietafelboek I Want to Spend the Rest of My Life Everywhere, With Everyone, One to One, Always, Forever, Now van Damien Hirst). Barnbrook baseerde zijn logo's op zes cirkels, gesuggereerd door de kanji-karakters voor Roppongi, die zes bomen voorstellen. De cirkels zijn de geabstraheerde versies van die bomen en ze wijzen ook op de melange van activiteiten. Een andere graficus, de wereldberoemde Bruce Mau, werd ingeschakeld als conceptualist ; hij stelde een boek samen over het project. Wat te denken van Roppongi Hills ? Een pretpark in torens ondergebracht blijft alles welbeschouwd een pretpark, zelfs indien het verkleed is als commercieel gesamtkunstwerk. Een populair pretpark, dat wel : tijdens de eerste zes maanden kreeg Roppongi Hills 26 miljoen bezoekers over de vloer. Twee keer zoveel als de beide parken van Disney in de baai van Tokio. n Tekst Jesse Brouns