"Ik wil niet alleen modetaferelen tekenen.
...

"Ik wil niet alleen modetaferelen tekenen. Het gaat me er vooral om mensen af te beelden. " Waarom dan is Jean-Philippe Delhomme de uitverkoren tekenaar van de internationale modewereld ? JESSE BROUNSLucie Lettuce, 24, staat aan het hoofd van de Groenlandse vestiging van een internationaal reklamebureau. "Ik ben biezonder tevreden dat ik naar hier ben getransfereerd", wil ze maar wat graag kwijt. "We hebben enkele enorme budgetten, zoals dekoöperatieve van het zeehondevet, waar ik mensen als Lord Snowdon aan wil laten werken. "Een van haar jonge kollega's is minder gelukkig. "Ik had een fantastisch idee voor de Atlas-keukens", klaagt ze. "Ik wou een advertentie maken met Paul Bowles in Marrakech. Maar die vraagt zoveel geld voor een gedicht van drie lijnen over kookpannen dat we wel verplicht zijn iets anders te bedenken. "Als er iets is dat Laurence niet kan verdragen, dan is het wel haar leven op voorhand te plannen. Voor oudejaar wou ze haar beste vrienden op het laatste moment bij haar thuis uitnodigen. Ware het niet dat die allemaal hun antwoordapparaat aan hadden staan. Alexandra, autentiek prinsesje, lijdt aan nachtmerries. "Ik zit in de metro. Mijn oude kamermeid en de chauffeur zijn verkleed als kontroleur, willen mijn abonnement zien. Ik begrijp hen niet, dus slaan ze dubbel van het lachen. En ze geven me een boete van 25 frank die ik niet kan betalen. "Wat hebben Lucie, Laurence en Alexandra (en Jocelyn, Ségolène, Hortense, Elise en de anderen) gemeen ? Veel. Ze zijn jong, mooi, en burgerlijk. Bezorgd om uiterlijke verschijnselen. Ze werken in de mode, de reklame, de journalistiek. En ze komen stuk voor stuk uit de verfpotten van de Franse illustrator Jean-Philippe Delhomme. Delhomme (36) begon zijn carrière als tekenaar bij het muziektijdschrift Rock & Folk, werkte daarna onder andere voor de bladen Lire, Métal Hurlant, Cosmopolitan en L'echo des Savannes. Hij brak pas echt goed door toen hij in de tweede helft van de jaren tachtig voor het blad Glamour zijn kwasi-legendarisch geworden polaroids begon te tekenen. Portretten van meisjes zoals Lucie en Laurence, vergezeld van een beschrijvende tekst, een citaat, een biografie in enkele lijnen. De technieken van de humoristische prent, en later het stripverhaal, werden door Delhomme zo aangewend dat ze door vrouwelijke lezers werden geapprecieerd. Vereerd, zelfs. Delhommes Polaroids de jeunes filles, die tot tweemaal toe in boekvorm verschenen, een keer in Frankrijk en een andere keer in Japan, waren beslist uniseks. Een zeldzaam fenomeen, want het werk van het merendeel der illustratoren in deze wereld wordt nog steeds door een overwegend mannelijk publiek gekonsumeerd. Nu is het er Jean-Philippe Delhomme nooit om te doen geweest specifiek voor vrouwen te tekenen. "Mijn tekeningen stonden destijds, zo rond 1986, 1987, in L'echo des Savannes gepubliceerd", zegt hij. "Anne Chabrol, hoofdredaktrice van Glamour, had mijn werk in dat blad gelezen en was bovendien pas getrouwd met een goede vriend van me. Ze heeft me gevraagd voor haar nieuwe blad te tekenen. Ik kon zelf de teksten schrijven bij mijn illustraties. Wat voor mij persoonlijk belangrijk was, want het was de eerste keer dat ik dat kon doen. " "Het idee was dat ik mijn werk zou aanpassen aan de behoeftes van een modeblad. Maar ik heb nooit gewerkt met een uitsluitend vrouwelijk publiek voor ogen. Ik heb altijd gehoopt dat mijn werk voor Glamour door zoveel mogelijk verschillende mensen zou worden gelezen. Ik wou prenten tekenen die ik ook zelf interessant vond, die zo ruim mogelijk waren opgevat. Vergelijk het met een telefoongesprek : als je een meisje aan de lijn hebt, ga je dan vanzelf meisjespraat verkopen ? Ik heb, met andere woorden, steeds getracht grappige tekeningen te maken. Tekeningen waarmee mijn vrienden konden lachen, en mijn vriendinnen. ""De reakties varieerden. Sommige mensen, art directors vooral, waren verbaasd dat mijn prenten elke maand verschenen, nummer na nummer. Er waren er ook die dachten dat ik autentieke polaroids natekende, en anderen die liever echte polaroids afgedrukt hadden zien staan. Niet iedereen vond de tekeningen goed, verre van zelfs. Maar uiteindelijk is zowat iedereen bijgedraaid. "Jean-Philippe Delhomme was bij Glamour betrokken van het eerste tot het laatste nummer, dat verscheen in februari van dit jaar. Naast de reeksen Polaroids de jeunes filles en LeThéâtre de la Vie schiep hij voor het blad ook Modes de vie, een heuse strip, een ironische kijk op de modewereld waarin kleren, trends, sociaal gedrag, en dus ook fashion victims centraal staan. (Voorbeeld : vier trendwatchers vergaderen over hun op te stellen cahier met tendensen voor de toekomst. Een van de meisjes draagt een ultra-branché T-shirt van Kim Gordons label X-girl. Een mannelijke assistent komt aangedraven met een stukje oranje similileder, een ander meisje stelt zo'n ouderwets speelgoedje voor waaruit, als je het omdraait, koegeluiden ontsnappen. Terwijl de drie assistentes de idiootste voorspellingen doen, heeft de chef, een karikatuur van de echte Li Edelkoort, alleen oog voor het speelgoedje.) Delhomme heeft Modes de vie graag getekend, maar noem hem alstublieft geen striptekenaar. "Ik ben nooit echt in strips geïnteresseerd geweest, ook vroeger niet. En het omgekeerde geldt ook : de meeste striplezers zijn niet geïnteresseerd in mijn werk. Wat overigens de nodige problemen meebrengt. Uitgevers schrikken ervoor terug boeken te maken met illustrators, omdat ze redeneren dat er geen publiek voor is. Maar als je de boeken van illustrators tussen de strips rangschikt, dan bereiken ze nooit de juiste mensen, en dus verkopen ze slecht. Een vicieuze cirkel. "Hoe dan ook. Glamour bestaat dus niet meer. Jean-Philippe Delhomme tekent voorlopig geen strips meer. Wat niet wil zeggen dat de illustrator om werk verlegen zit. In het juninummer van de Franse Vogue verscheen van zijn hand een zes bladzijden tellende reportage over Londen, waar hij momenteel het grootste deel van zijn tijd doorbrengt. Hij publiceert ook met regelmaat in het Amerikaanse reisblad Condé Nast Traveller, en af en toe in Playboy. Maar zijn grootste opdrachtgever van de voorbije jaren is geen tijdschrift. Wel een warenhuisketen, en niet de minste. Barneys, met winkels in New York, Los Angeles en Chicago, heeft de reputatie het hipste shoppingimperium van de Verenigde Staten te zijn. Vooral sinds de eigenaars, Gene en Bob Pressman, de voormalige respektabele konfektiezaak voor mannen transformeerden tot het mekka van transatlantische trendies van beide geslachten, en die aanleiding ter hand namen om de oorlog uit te roepen tegen andere warenhuisketens. De konkurrentie zou kost wat kost de grond worden ingeboord. En de oorlog zou worden uitgevochten op glanzend tijdschriftenpapier en in televisiespots. "Ik ben Barneys zelf gaan opzoeken, twee en een half jaar geleden. Een van hun art directors had nog voor Glamour gewerkt. Ze vonden mijn voorstellen interessant, en ik mocht meteen een aantal pagina's tekenen om in de Amerikaanse Vogue de door Barneys verkochte Franse kledingmerken voor te stellen. De Pressmans waren tevreden. Even later kreeg ik te horen dat ik de hele campagne mocht doen. Daarna is het biezonder snel gegaan. Barneys is een echt familiebedrijf, je moet niet langs drieduizend verschillende afdelingen voor er een beslissing wordt genomen. ""Het was sinds mensenheugenis geleden dat een Amerikaanse warenhuisketen nog campagne had gevoerd met tekeningen. Reklamebureaus waren er altijd van uitgegaan dat je geen kleren kon verkopen zonder foto's. Barneys heeft de voorbije twee jaar het tegendeel bewezen. "Delhomme heeft in totaal vier campagnes voor Barneys gemaakt : advertenties voor tijdschriften, billboards, animatiefilmpjes voor televisie, mailings, uitnodigingen, brochures. De stijl van de tekeningen verschilt weinig van de polaroids uit Glamour. Portretten, alweer, van vooral meisjes in kleren van beroemde ontwerpers. De bijhorende teksten zijn niet van Delhomme zelf, wel van Glenn O'Brien, die voor Madonna Sex schreef, en daarvoor als journalist werkte bij Andy Warhols maandblad Interview. De ene keer illustreerde Delhomme de tekst van O'Brien, de andere keer schreef O'Brien de tekst bij een illustratie van Delhomme. "Als je in New York rondloopt, " zegt hij, "zie je overal reklame voor warenhuizen, maar vreemd genoeg zijn er nauwelijks affiches. De winkels palmen de busflanken in, en hier en daar zo'n enorm billboard. Calvin Klein, The Gap, Macy's : ze gebruiken allemaal foto's. Mijn tekeningen, die voor het eerst werden gebruikt toen Barneys een nieuw warenhuis opende op Madison Avenue, stapten af van dat principe, maar terzelfder tijd werd de illustratie behandeld alsof het een foto was. Bij elke advertentie stonden de ontwerpers gecrediteerd van de kleren die door de personages worden gedragen. Soms ging dat heel ver, stond er in piepkleine letters gedrukt : Lou is wearing her own clothes, in plaats van het gebruikelijke Clothes by Dolce & Gabanna. Ook de naam van de kapper, een echte, werd vermeld. "Voor de eerste advertentiecampagne werd Delhomme gevraagd voor elk belangrijk Amerikaans blad een andere, op de leest geschoeide illustratie te maken. De advertentie in de zondageditie van The New York Times was niet dezelfde als die in Vanity Fair, die verschilde van de advertentie in Harper's Bazaar, en zo verder. "De mensen van Barneys bezorgden me de kleren, en daarna deed ik mijn zin. Er waren geen restrikties, ik kon doen wat ik wou. Ze stonden voor alles open. Wat echt wel zeldzaam is. "Om de te adverteren kleren zo getrouw mogelijk weer te geven, liet Delhomme ze showen door een model van Barneys, van wie hij op zijn beurt polaroids nam. Maar even vaak zat hij in zijn atelier aan het werk met een jurk of een mantelpak van de een of andere dure couturier op zijn bed uitgestald, of aan een kapstok in de deuropening gehangen. De tweede Barneys-campagne werd gevoerd naar aanleiding van de opening van een warenhuis in Los Angeles. Delhomme mocht zes enorme billboards vullen, op Sunset Boulevard, de ene na de andere. "Het was best wel indrukwekkend", zegt hij, "mijn eigen werk zo te zien hangen, in die proporties. "Voor de derde campagne waagde hij zich aan animatiefilmpjes. De vierde, op dit ogenblik in roulatie, is meteen ook de laatste. Maar, no regrets. "Vier opeenvolgende campagnes, dat is al ongewoon veel. Bovendien staat Barneys erom bekend altijd andere dingen te doen, voortdurend te innoveren. Dus is het eigenlijk maar normaal dat ze nu van taktiek veranderen. "Het kreatief team dat verantwoordelijk was voor de campagnes met Delhomme is onlangs opgestapt, misschien speelt dat ook mee. Jean-Philippe Delhomme, chouchou van modefreaks, is in tegenstelling tot wat zou kunnen worden vermoed, zelf niet geobsedeerd door mode. De muziek waar hij naar luistert in zijn atelier op de zesde verdieping van een achterhuis in het negende arrondissement van Parijs mag dan wel hip zijn, zelf ziet hij er heel gewoontjes uit. "Mode inspireert me, maar wat me echt interesseert, dat is het uitbeelden van bepaalde types van mensen. Met oog voor het detail weliswaar. Sinds Barneys heb ik wel meer plezier aan de mode. Ik observeer de nuances, volg wat er verandert. Ik ben beter op de hoogte dan vroeger. "Wat Delhomme in de mode de voorbije jaren het meest is opgevallen, is het verschijnsel dat hij sociale camouflage noemt. "De term is van een vriend van me, de ontwerper van het kledingmerk A.P.C. ""De jaren tachtig waren ontzettend elitair", legt hij uit. "Het was de periode van excessen. De Franse tijdschriften van de tweede helft van de jaren tachtig waren ontzettend snobistisch. Daar putte ik heel wat inspiratie uit voor mijn tekeningen. Iedereen, zo leek het, leefde toen tussen Parijs, New York, en Tokyo. Iedereen kleedde zich in het zwart. Dat soort stijlsnobisme was toen nieuw. Maar tegenwoordig is het veel moeilijker om excessief te zijn. De bladen zijn neutraal geworden, niets is nog spectaculair. Ook de hippe Britse tijdschriften, i-D, The Face, Time Out zelfs, verrassen niet meer. ""Snobisme is nu ingewikkelder, subtieler. Minder een kwestie van wat je draagt dan wat je bent. Je hoort nu kleren te dragen alsof je er niet om geeft. Vandaar : sociale camouflage. "Jean-Philippe Delhomme, steeds onderweg, leeft dezer dagen bijna permanent in Londen, waar hij werkt aan alweer een reklamecampagne, voor een automerk deze keer, wat weer eens wat anders is dan prêt-à-porter. De animatiefilmpjes voor Saab zijn uitsluitend bestemd voor de Amerikaanse markt. Twee eerste spots werden onlangs voor het eerst uitgezonden, twee andere volgen binnenkort. "De auto is niet de held van de filmpjes, zoals hij dat bijvoorbeeld wel is in de uitstekende Twingo-campagne van Philippe Petit-Roulet", vertelt Delhomme. "In mijn filmpjes gaat het om de personages, om mensen die op het punt staan belangrijke beslissingen te nemen. Er worden de hele tijd vragen gesteld. En als u besliste u niet meer te scheren ? En als u besliste nooit meer een pak te dragen ? En als u besliste een boek te schrijven ? Boodschap : intussen kan u al met Saab rijden. ""De reklame voor auto's is in de VS verschrikkelijk konservatief. Alle aandacht gaat doorgaans naar de motor en de remmen. Deze campagne is een enorme stap voorwaarts, een echte vernieuwing, en dat maakt het interessant werk. "Dat zijn werk nog nauwelijks in Frankrijk te zien is, stoort hem allerminst. Jean-Philippe Delhomme is een overtuigd kosmopoliet, een moderne wereldburger, net zo goed op zijn plaats in New York als in Parijs. "De nadruk leggen op je nationaliteit, dat is typisch Frans snobisme", zegt hij. "Neen, het is goed om geregeld van land te veranderen. Ik verplaats me graag, en als je tekent, ben je niet echt aan een land gebonden, dus dat komt goed uit. In deze sektor geeft niemand er een bal om waar je vandaan komt. Als je werk maar goed is. "