Hij lijkt een beetje op Einstein, Edvard Grieg, maar dan met korte beentjes. Toch volgens zijn standbeeld naast de houten villa in Troldhaugen (Trollenheuvel) bij Bergen waar de 'Chopin van het Noorden' graag mocht componeren. Hij overleed er trouwens ook, in 1907. Een lieflijke plek, hoog op een rots die steil naar de fjord afhelt en met uitzicht over met dennenbomen begroeide eilandjes. Volgens de reisgidsen zou het nu moeten regenen. Met ongeveer 260 regendagen per jaar geldt Bergen immers als een van de natste plekken van Scandinavië.
...

Hij lijkt een beetje op Einstein, Edvard Grieg, maar dan met korte beentjes. Toch volgens zijn standbeeld naast de houten villa in Troldhaugen (Trollenheuvel) bij Bergen waar de 'Chopin van het Noorden' graag mocht componeren. Hij overleed er trouwens ook, in 1907. Een lieflijke plek, hoog op een rots die steil naar de fjord afhelt en met uitzicht over met dennenbomen begroeide eilandjes. Volgens de reisgidsen zou het nu moeten regenen. Met ongeveer 260 regendagen per jaar geldt Bergen immers als een van de natste plekken van Scandinavië. Maar de nazomer heeft lak aan statistieken : de zon blikkert op het kristalheldere water, een mild briesje doet de berken sidderen. Spontaan begin ik Solveigs lied te neuriën, de evergreen uit Griegs bekendste werk, de Peer Gynt Suite. Huize Trollenheuvel ligt erbij alsof Edvard en zijn Nina er elk moment van de trap kunnen komen, zijn jas en hoed hangen nog aan de kapstok. Meubelen en Steinwayvleugel werden speciaal op maat gemaakt voor het echtpaar (geen van beiden haalde 1m50). En op foto's waarop Grieg met tijdgenoten vereeuwigd werd, poseerde hij altijd een paar meter vóór de rest van het gezelschap, kwestie van het perspectief zijn werk te laten doen. Wie niet groot is, moet slim zijn. Bergen is de toegangspoort tot de fjorden en mijn eerste - aangename - kennismaking met Noorwegen. Het mooiste panorama over de stad heb je van op Fløyen, een van de zeven bergen die de stad omringen en die met een kabelbaan te bestijgen is. Diep onder ons koestert de oude Hanzestad zich in de najaarszon, omgeven door staalblauw water. Bryggen (de werf), de oude stadskern met zijn kleurige houten huizen en stapelplaatsen staat op de Unesco-erfgoedlijst, houtwormen en al. Vroeger was dit vooral een mannenbastion, de prostituees huisden in hoger gelegen straten. Om hen van de deftige dames te onderscheiden, moesten de meisjes van plezier in sober grijs gekleed zijn, met dito hoed en zonder juwelen. Als we de gids mogen geloven is grijs tot op heden geen populaire kleur bij de vrouwelijke inwoners. Maar in de smalle Bryggse straatjes zijn nu vooral restaurants, kunstgalerieën en juwelenwinkeltjes gevestigd. Bij valavond schepen we in op de Ms Richard With, een van de twaalf Hurtigruten cruiseschepen die heen en weer varen tussen Bergen en Kirkenes, een traject dat internationaal bekendstaat als de mooiste zeereis ter wereld. De originele With, zeekapitein en stichter van Hurtigruten, was een van de eersten die de nood aan een transportroute tussen Bergen en het Hoge Noorden inzagen, voor het vervoer van passagiers én goederen. Op 2 juli 1893 voer het eerste stoomschip tussen Trondheim en Hammerfest. Post die er 's winters tot vijf maanden over deed, bereikte Hammerfest voortaan in een paar dagen. Die dubbele functie -- cruiseschip en cargo -- spreekt mij wel aan. Dit is geen cruise waarbij je in feestverpakking aan de kapiteinstafel verwacht wordt. De sfeer is informeel, ook al omdat er geregeld lokale inwoners met auto of fiets inschepen en in de volgende haven weer van boord gaan. En het tikkeltje stoere van een cargo, die honderd wc-potten of twintig kisten bananen over de poolcirkel vervoert, maakt het alleen maar échter. Hóe echt ervaar ik de eerste nacht al, als ik om 1.50 uur wakker gedaverd word door het afremmen van de scheepsmotor en het ratelen van het anker. Vanuit mijn patrijspoort kan ik de nachtelijke bedrijvigheid op de kade gadeslaan. Hetzelfde scenario herhaalt zich om 4.15 en 7.00 uur. Mijn kajuit, sober maar comfortabel, is de allerlaatste op dek 3, vlak boven de schroef. Ik neem me voor om een andere hut te vragen, in de herfst zijn ze lang niet allemaal bezet. Maar ik vergeet het en de volgende nachten slaap ik dwars door alle herrie heen. Op 25 september 2012 vaart Hurtigruten voor het eerst in de geschiedenis de Hjørunfjord binnen, als onderdeel van het nieuwe Autumn Gold-programma. Adembenemend hoe het minder bekende, maar even spectaculaire broertje van de Geirangerfjord 35 kilometer diep in de massieve Sunnmøre Alpen snijdt. Links en rechts alpenweiden, viskwekerijen, eenzame boerderijen en smalle watervallen die van de rotsen klateren. Een kleine kotter, omzwermd door meeuwen, steekt ons voorbij, blonde kindertjes zwaaien met Noorse wimpels. In het dorpje Urke (tachtig inwoners) zingen ze ons toe, keurig drietalig. Vandaar gaat het met de bus naar Hellesylt, door de smalste vallei van Noorwegen, Norangsdalen. Hobbitland lijkt het wel, met grasoverwoekerde hutjes waar vrouwen en jonge meisjes vroeger 'overzomerden' om schapenkaas te maken. Nog verder een roerloos meer, dat robuuste bergen weerspiegelt, inclusief resten smoezelige sneeuw van vorige winter. En midden in deze godvergeten vallei staat Hotel Union, een kruising tussen een uit zijn krachten gegroeide koekoeksklok en een Normandisch kasteeltje, in 1996 uitgeroepen tot een van de bijzonderste hotels ter wereld. Ooit waren keizer Wilhelm II, koningin Wilhelmina, tsarina Alexandra en de Noorse koning Oscar II hier kind aan huis, naast Karen Blixen en Arthur Conan Doyle. Slapen in Hotel Union is als slapen in een museum, want alle kamers zijn in hun oorspronkelijke staat bewaard. En uiteraard is er ook een huisspook, van het onfortuinlijke kamermeisje Linde dat zelfmoord pleegde toen ze erachter kwam dat haar minnaar, een hoveling van Wilhelm II, getrouwd was. Geregeld zou ze in kamer zeven verschijnen. Wie daar niet van gediend is, moet een mandje met uien voor de deur zetten. Je kunt die uien natuurlijk ook domweg opeten, in een geurige soep met paddenstoelen, bijvoorbeeld. Niet voor niets heet deze excursie A taste of Norway. In Ålesund, de volgende aanlegplaats, ruikt het doordringend naar vis. We wandelen langs het binnenhaventje met plezierbootjes naar de oude binnenstad, beroemd om haar Jugendstil architectuur. 'Oud' is relatief. In 1904 verwoestte een brand nagenoeg alle houten huizen in de binnenstad en maakte meer dan tienduizend inwoners dakloos. Hulp kwam van de al eerder vernoemde Duitse Keizer Wilhelm II, die een groot liefhebber van Noorwegen was. Hij stuurde een leger architecten en bouwvakkers naar Ålesund, die in minder dan een decennium de stad herbouwden in de stijl die toen furore maakte : de art nouveau of Jugendstil. Cruisen maakt de amateurfilosoof in mij wakker. Wat is er meer ontspannend dan met een mok hete thee binnen handbereik de steeds herfstiger en spaarzamer bevolkte landschappen voorbij te zien glijden ? Omdat we zo dicht bij de kust varen, is er nauwelijks sprake van golfslag, pilletjes tegen zeeziekte zijn beslist overbodig. Je zult daar maar geboren zijn, in zo'n dorp met een handvol inwoners of zo'n eenzame houten boerderij, karakteristiek donderrood geverfd. Olof, een Noorse jonggepensioneerde die bij elke aanlegplaats zijn mountainbike van het schip rolt om een eind te gaan fietsen, vertelt me dat er in grote gebieden een nijpend gebrek aan buschauffeurs, wegenwerkers en horecapersoneel is. In gedachten zie ik Afghaanse asielzoekers verpakt in warme wollen mutsen en wanten de vacatures invullen, maar dat is wellicht een wat simplistische oplossing. Ook in Trondheim, nochtans een universiteitsstad, valt me de rust op. Een absolute must see in de oorspronkelijke hoofdstad van Noorwegen is de imposante gotische Nidaroskathedraal met het graf van St. Olaf, de koning die in de elfde eeuw het christendom in Noorwegen invoerde. Zoals in veel steden aan het water is het oude havengebied tot een uitgaansbuurt geconverteerd, met winkels, horeca en cultuurcentra in een industriële architectuur. Stalletjes met veen- en doorduinbessen, een lokale delicatesse, brengen kleur in de wat grijze dag. Ook aan boord is er aandacht voor de lokale gastronomie, aangepast aan het seizoen. 's Morgens en 's middags zijn er somptueuze buffetten, waar vooral de vele bereidingswijzen van haring en zalm mij verleiden, om van het uitgebreide aanbod aan desserts nog te zwijgen. 's Avonds wordt er à la carte gegeten. Het merendeel van de passagiers zijn oudere koppels, waarbij een groep Amerikanen met badge op de borst (Mabel en Fred - Oregon, Janice en Jeff - California) de meest pittoreske exemplaren levert. Hoe ze die flessen goedkope whisky door de veiligheidscontroles gesmokkeld hebben is mij een raadsel. Een speciale species onder de opvarenden zijn de noorderlichtjagers. Jack, een Australische werkstudent, heeft jaren gespaard om deze trip te kunnen maken. Ik herinner mij een reportage waarin de Britse comédienne Johanna Lumley ruggelings in de Noorse natuur een milde vorm van hysterie vertoonde bij het ervaren van de verbluffende natuurlijke lightshow en ik begrijp zijn fascinatie. Elke nacht ligt hij op de loer om er een glimp van op te vangen, maar eigenlijk is het nog net iets te vroeg in het jaar om er volop van te genieten. Ook de hop on, hop off-passagiers hebben elk hun eigen verhaal. Zoals Frida, een vriendelijke middelbare hippie uit Tromsø die in Oslo het huis van haar overleden vader was gaan leegmaken en op de lange terugweg besloot haar bestelwagen op de boot te zetten omdat ze de eenzaamheid niet meer aankon. Tussen Nesna en Ørnes kruisen we op 66° 33' de noordpoolcirkel, gesymboliseerd door een globe op een onooglijk eilandje. Dit is de grens met het land van de middernachtszon, waar 's zomers het licht nooit uitgaat. Daar hoort natuurlijk een ceremonie bij : de kapitein en een als Neptunus vermomde helper gieten de 'dopelingen' met sadistisch genoegen een pollepel vol ijsblokjes in de kraag. Van een verfrissing gesproken ! Een ander toeristenspektakel is het Vikingfeest in Borg, op de Lofoten. De Vikingkoning is een iel mannetje dat duidelijk het toelatingsexamen voor de lokale toneelschool gerateerd heeft en we worden naar mijn smaak iets te vlot naar de souvenirshop geloodst. Maar de busrit naar Svolvær langs donkerrode hutten met visdroogrekken en verlichte houten huizen als bakens in de nacht loont wel de moeite. Voor de avontuurlijksten onder de passagiers is er de volgende morgen een halsbrekende rit met een snelle RIB-zodiac van Bodø naar Saltstraumen, waar de krachtigste getijdenstroming ter wereld heerst. In fluogele astronautenpakken met kap, sneeuwbrillen en handschoenen zien we eruit als Marsmannetjes. En nee, dit is geen aanrader voor herniapatiënten. Als de speedboot stil ligt, halen inzittenden en lokale fauna opgelucht adem. Zeearenden hebben ze hier, aalscholvers en een grote variëteit aan eenden en ganzen. De papegaaiduikers geven niet thuis, die komen pas op 14 april terug uit het zuiden, elk jaar stipt om 17.45 uur ! De oevers worden steeds kaler, hier en daar houdt een eenzame rood-witte vuurtoren de wacht. In Tromsø, een door sneeuwbergen omringd universiteitsstadje met een eind-van-de-wereldsfeer, gaan we van boord. Poolreiziger Amundsen heeft hier zijn museum, een ijskathedraal is de grootste attractie. Maar mijn voorkeur gaat uit naar een intiem houten museum dat de Russische vissers portretteert die hier al van in de negentiende eeuw een voet in huis hebben en het stadje een multiculturele toets geven. Over mijn schouder zie ik de Richard With de haven uitvaren, met aan boord Aussie Jack, de noorderlichtjager. May the green light be with him. DOOR LINDA ASSELBERGSAan boord zitten er ook noorderlichtjagers : elke nacht liggen ze op de loer om een glimp op te vangen van de lichtshow