Natuurlijk loop ik nog altijd graag rond in de Marais, tussen Beaubourg en de Bastille. Jaren logeerden mijn vrouw en ik er in het bijzonder charmante Hotel de Nice, op een pleintje aan de rue de Rivoli vlak bij het stadhuis. Een merkwaardig hotel met een heel eigen, smaakvolle maar enigszins overladen decoratie, waar de gastvrouw bij elk van onze bezoeken steeds meer op Amélie Poulain begon te lijken. Meer dan één keer hoorde ik buitenlanders haar vragen of zij dat echt was. Maar op den duur ken je alle straatjes tussen Beaubourg, place de Vosges en Bastille, je hebt in al die hoogst charmante winkeltjes weleens iets gekocht en je kent de kelners van de restaurants bij naam. De musea heb je lang geleden al bezocht en op de banken van alle pleintjes heb je al eens gepicknickt. Met andere woorden : je kent Parijs. Denk je. Want dan begint Parijs voor Gevorderden. Dan is het tijd voor de exploratie van het onbekende urbane labyrint, achter het toeristische decor, in de coulissen op zoek naar de echte ziel van de Lichtstad.
...

Natuurlijk loop ik nog altijd graag rond in de Marais, tussen Beaubourg en de Bastille. Jaren logeerden mijn vrouw en ik er in het bijzonder charmante Hotel de Nice, op een pleintje aan de rue de Rivoli vlak bij het stadhuis. Een merkwaardig hotel met een heel eigen, smaakvolle maar enigszins overladen decoratie, waar de gastvrouw bij elk van onze bezoeken steeds meer op Amélie Poulain begon te lijken. Meer dan één keer hoorde ik buitenlanders haar vragen of zij dat echt was. Maar op den duur ken je alle straatjes tussen Beaubourg, place de Vosges en Bastille, je hebt in al die hoogst charmante winkeltjes weleens iets gekocht en je kent de kelners van de restaurants bij naam. De musea heb je lang geleden al bezocht en op de banken van alle pleintjes heb je al eens gepicknickt. Met andere woorden : je kent Parijs. Denk je. Want dan begint Parijs voor Gevorderden. Dan is het tijd voor de exploratie van het onbekende urbane labyrint, achter het toeristische decor, in de coulissen op zoek naar de echte ziel van de Lichtstad. Een gelegenheid om dat te doen, diende zich via een onverwachte weg aan. We waren begonnen met huisruil, om verre horizonten te verkennen. Maar we kregen een reeks aanbiedingen uit, jawel... Parijs. We waren een beetje verbaasd : naar Parijs gaan en niet naar Hotel de Nice ? Want het eerste Parijse voorstel kwam uit een buurt die ons helemaal onbekend was. Het 15de arrondissement, waar ik eerder geen voet gezet had, tenzij dan in de gigantische Tour Montparnasse, het letterlijke hoogtepunt van de stad. Meer vond ik er niet over in mijn toeristische gids. Vreemd, want dit is het grootste en dichtst bevolkte van de twintig arrondissementen van Parijs. Zo kwamen we terecht in een typisch Parijs appartement, vierhoog, zonder lift en geen veertig vierkante meter groot. Dat was op zich al een beleving om te voelen hoe de gemiddelde Parisien leeft. Een hele kunst om niet tegen elkaar op te lopen in het minuscule keukentje en de juiste draai te vinden om in de douche te stappen. We logeerden vlak bij het prachtige Parc Georges-Brassens, genoemd naar mijn favoriete Franse chansonnier, die in deze buurt zijn laatste jaren sleet. Het Parc opende in 1985 op de plek waar ooit de grote slachthuizen Vaugirard stonden. Twee enorme bronzen stieren en een grote klok getuigen nog van die tijd. Net als de open gietijzeren hangars waar elk weekend zestig handelaars tweedehandsboeken aanbieden. Het is een ideale plek om tot rust te komen in het gezelschap van buurtbewoners, maar niet één toerist. Nochtans is de Jardin des Senteurs meer dan de moeite waard : volledig gericht op slechtzienden, die er hun weg vinden met het geluid van kleine fonteintjes en de geur van vele planten. Leuk is ook dat er wijn gemaakt wordt, zo knoopt het park opnieuw aan bij het agrarische verleden van dat stuk Parijs. We liepen met plezier verloren in de wijk rond het park, in de kleine straatjes van een verkaveling uit de jaren twintig, met la Villa Santos-Dumont waar Brassens woonde. Daar lijkt het wel of je in een Provençaals dorpje ronddoolt, dat nog de sfeer van de wilde beginjaren van de vorige eeuw uitademt, toen veel artiesten hier woonden en werkten. Wat verder keken we verbaasd naar La Ruche, een bizar gebouw in de vorm van een bijenkorf. Dat werd gebouwd door een rijke mecenas, die de overblijfselen van Gustave Eiffels wijnpaviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1900 opkocht om in dit unieke gebouw een zestigtal werkruimtes te schenken aan kunstenaars, die hij zijn bijtjes noemde. Onder anderen Chagall, Zadkine, Modigliani, Brancusi, Léger en Soutine vonden er een onderkomen. Er zijn nog altijd ateliers en van achter het gietijzeren hek vermoedden we sculpturen en andere kunstwerken in een mysterieuze, overwoekerde tuin. La Ruche is helaas niet publiek toegankelijk, tenzij voor wie met een gewillige kunstenaar mee naar binnen glipt. Onze gastvrouw had ons met veel enthousiasme verteld over een groene wandeling. Ik had al gehoord van de Coulée Verte, aan de Bastille. Daar kun je bijna vijf kilometer lang tussen het groen naar het Bois de Vincennes stappen over vroegere spoorbeddingen, onder bruggen en over viaducten. Ook in het 15de arrondissement kun je op stap langs de Petite Ceinture. Opnieuw lijkt dit een goed bewaard lokaal geheim, want het is even zoeken naar toegangen tot dit bijna twee kilometer lange wandelpad. Je raakt op een aantal plaatsen met de trap of met de lift op het parcours. Hier liep vroeger een drukke spoorlijn met veel vrachtverkeer naar de fabrieken van Citroën, die vlak bij de Seine lagen. Die verdwenen in het begin van de jaren zeventig uit Parijs en zo kwam een enorme ruimte vrij waar twintig jaar later een groot park werd ingericht. Het lijkt wel het kleine, modernistische broertje van Versailles zoals het zijn 24 hectare naar de Seine spreidt, met exotische planten en bloemen in twee grote serres omringd door fonteinen. We waren er op een mooie zaterdag en heel veel mensen profiteerden van deze unieke plek in Parijs : een park vlak bij de rivier. In een luchtballon krijg je van 150 meter hoogte een uniek panorama over de stad. Enig minpunt van het Parc Citroën is het duidelijke gebrek aan onderhoud, waardoor de initiële ambitie niet altijd waargemaakt wordt. Maar die onvolmaaktheid en het kleine verval geeft aan het geheel een speciale cachet. Dit deel van het 15de arrondissement was tot het begin van de negentiende eeuw een vissersdorpje aan de Seine, dat geen deel uitmaakte van Parijs. De naam ervan roept bij ons heel andere associaties op : Javel. Dat komt door de eerste chemische fabrieken alhier, waar het bekende bleekwater geproduceerd werd. Het merkwaardige metrostation draagt nog de naam, samen met die van André Citroën. Het kleurrijke rechthoekig gebouwtje is net als La Ruche een overblijfsel van de Wereldtentoonstelling van 1900. Hoe de industrie van Javel en Citroën de hele omgeving beïnvloedde, blijkt ook in een merkwaardige kerk, Saint Christophe de Javel. De kerk is de eerste ooit die in gewapend beton is opgetrokken. De architect wou met moderne middelen de aloude middeleeuwse technieken imiteren. Daardoor is ze een bizarre vermenging geworden van modernisme en gotiek, met immense muurschilderingen en kleurrijke ramen. Op de voorgevel troont een betonnen Sint Christoffel, die in de kerk zelf afgebeeld wordt omringd door reizigers die zijn bescherming afsmeken vanuit hun moderne vervoersmiddelen. Saint Christophe de Javel is overigens niet de enige kerk het bezoek waard voor wie ronddwaalt in dit deel van de stad. Net achter Montparnasse ligt de Notre Dame du Travail, geheel in gietijzer opgetrokken voor de arbeiders die op het einde van de negentiende eeuw werkten op de bouwwerven van de Wereldtentoonstelling van 1900. De kerk heeft meer weg van een enorme hangar. De architect wou zo aan de arbeiders een vertrouwde omgeving bieden en ontwierp daarom een ijzeren structuur, zoals in de stations of fabrieken uit die periode. Natuurlijk moet je de Notre Dame bezoeken als je voor het eerst in Parijs bent, maar originele kerken als Saint Christophe de Javel of Notre Dame du Travail bieden het voordeel dat je geen uren in de rij te staat aan te schuiven. En hier hoef je geen ticket te betalen. Vlak bij metrostation Javel is de statige Pont Mirabeau, een van de 37 bruggen over de Seine. Mijn vrouw wou die zien, omdat Apollinaire er een gedicht over schreef dat later door Léo Ferré op muziek werd gezet. Het vliedende water van de Seine als metafoor voor de vergankelijkheid van de liefde. We wandelen mijmerend de brug over, met de melancholische verzen als refrein. Wie ze niet uit zijn hoofd kent, vindt ze op een bronzen gedenkplaat aan het begin van de majestueuze brug, die door vier rondborstige kariatiden ondersteund wordt. Ik wou mijn vrouw ook de volgende brug tonen, de Pont de Grenelle. Het is niet bepaald een romantische wandeling van de ene brug naar de andere, want dit deel van de kaaien van de Seine draagt nog de roestige littekens van hun onverwerkt industrieel verleden tonen. Maar het is de moeite waard. Want snel duikt geheel onverwacht een standbeeld op dat men allerminst in Parijs verwacht : het Amerikaanse Vrijheidsbeeld. Frankrijk had het originele exemplaar aan New York geschonken. De Amerikaanse expats zamelden uit dankbaarheid geld in om Parijs in 1889 een kopie te schenken. Wie zijn fotoapparaat goed richt, krijgt het ultieme symbool van Amerika en dat van Parijs, de Eiffeltoren, samen op één beeld. Hoe langer we in het 15de arrondissement waren, hoe meer we er van hielden. Het vergt een grotere inspanning om het te appreciëren dan de bekende stadsdelen. Hier rijden geen bussen vol Japanse toeristen rond die haastig te veel foto's nemen. Maar wij namen de tijd om rustig op zoek te gaan naar veel verborgen moois. Zoals het schitterende hoekappartement op de Place Etienne-Pernet, waar je net zo goed onverschillig voorbij kunt stappen : wie niet naar boven kijkt, zal nooit de exuberantie gezien hebben van de façade die met een orgie van stenen fruit versierd is. En als we moe gewandeld waren, zochten we de rust op van de talrijke squares, de mooie, goed verzorgde stedelijke oases midden het drukke verkeer die van Parijs een stad maken waar het goed leven is. En 's avonds aten we lekker in een lokale brasserie en gingen we naar buurtcinema Chaplin. Die ongekende, maar onweerstaanbare charme van deze mythische wereldstad beleef je zoveel beter als je het erop waagt om weg te blijven van de toeristische evidenties en Parijs van binnenuit te verkennen. In het 15de bijvoorbeeld.Tekst Luckas Vander TaelenHet lijkt wel of je in een Provençaals dorpje ronddoolt, dat nog de sfeer van de wilde beginjaren van de vorige eeuw uitademt, toen hier veel artiesten woonden en werkten Wie zijn fototoestel goed richt, vangt het Vrijheidsbeeld en de Eiffeltoren samen in één beeld