Zowat de helft van de Vlaamse jongeren let op wat ze eten. Een klein derde van de meisjes probeert minder te eten, en de kleine helft filtert uit het voedselaanbod datgene waarvan ze denken dikker te worden. Dat blijkt uit een onderzoek van Kathleen Custers van de Leuvense school voor Massacommunicatieresearch bij zevenhonderd ASO-jongeren.
...

Zowat de helft van de Vlaamse jongeren let op wat ze eten. Een klein derde van de meisjes probeert minder te eten, en de kleine helft filtert uit het voedselaanbod datgene waarvan ze denken dikker te worden. Dat blijkt uit een onderzoek van Kathleen Custers van de Leuvense school voor Massacommunicatieresearch bij zevenhonderd ASO-jongeren. En daarmee is het nog maar eens bewezen : jongeren en hun bord, het is geen evidente relatie. Een en ander durft bovendien al eens te ontsporen (zie ook kader). Gevolg : ouders houden het hart vast bij elke onaangeroerde aardappel. Maar wanneer moet je je als ouder of als vriend werkelijk zorgen maken ? Hoe snijd je het heikele onderwerp van een eventuele eetstoornis aan ? En vooral : hoe vermijd je als ouder dat het fout loopt ? Of An Vandeputte ons misschien een antwoord kan geven. Als psychotherapeute begeleidt ze al jaren patiënten met eetstoornissen, ze adviseert het kabinet van Vlaams minister van Welzijn, en ze coördineert het kenniscentrum Eetexpert. En ja, ze kan een antwoord geven. Maar ze benadrukt meteen het belang van een goed kader rond dit verhaal. "Jongeren weten intussen al veel over alle mogelijke stoornissen en probleemgedrag, maar bitter weinig over het normale groeiproces. Waarom vertellen we niet vaker over die onvermijdelijke onzekerheid die elke jongere moet doorspartelen. Waarom benadrukken we niet dat het ook zonder eetstoornissen verdomd moeilijk is ? Op de duur gaat een jongere aan zichzelf beginnen te twijfelen als hij geen eetstoornis heeft." An Vandeputte : Uiteraard. Maar dat gebeurt al in overvloed. Hoe vaak pakken media niet uit met anorexiaverhalen ? Anorexia, boulimia, obesitas : in haast elk schoolboek duikt er ook al een tekst over op. Een beetje jammer, want dat maakt van eten een zeer geladen onderwerp in plaats van een leuk sociaal gebeuren. Volgens internationaal onderzoek doen we er geen goed aan om in te zoomen op problemen en ziektebeelden. Zo versterken we ongewild het negatieve zelfbeeld waarmee kinderen en tieners vaak kampen. Het is beter om te werken aan welbevinden, zelfvertrouwen, een natuurlijk eetpatroon en mediaweerbaarheid. We zijn een maatschappij van controlefreaks. We reduceren gezondheid tot bewegen en eten, omdat we zo een gevoel van controle krijgen. We berekenen hoeveel we mogen eten in verhouding met onze beweging. En omgekeerd. Maar dat is een heel verkrampte manier om met gezondheid en voeding om te gaan. Onze grootouders kenden als kind vaak voedselschaarste. Tekorten aan calorieën, eiwitten en vitaminen. Na de oorlog werd voedsel plots heel toegankelijk. Kaas, friet, vlees, chocolade. Vet in de pan, en vet om het lijf, was een teken van welstand. Ondervoeding werd vanaf de jaren vijftig overvoeding. Ook door de opkomst van de auto, de supermarkt en de bewaarmiddelen, en omdat de mensen meer en meer een zittend bestaan gingen leiden. Bij de volgende generatie, in de jaren zeventig, bleken de nevenwerkingen op onze gezondheid : zwaarlijvigheid, cholesterol... Er kwam een reactie. Een slankheidsrage die evolueerde tot een gezondheidsrage, met functionele voeding, biolabels, voedingssupplementen enzovoort. Precies. We willen geen overgewicht, maar ook geen fixatie op ons bord, met eetstoornissen tot gevolg. En dus zitten we volledig verkrampt aan tafel. Vroeger werd er klokvast getafeld, met de hele familie. Dat structureerde de dag en dat smeedde verbondenheid. Eten was een sociaal gebeuren. Bovendien at je wat de pot schafte, want ijskasten bestonden nog niet. Nu is dat helemaal anders. Tweeverdieners beginnen pas aan de avond na een lange file. Kinderen hebben naschoolse activiteiten, iedereen zit nog zelden samen rond de tafel. Ook het aanbod is helemaal anders, door de microgolfovens en de kant-en-klaarmaaltijden. Eten is geen vaststaand en dus geen natuurlijk gegeven meer. Kijk eerst en vooral naar je eigen bord. Hoe eet je zelf ? Kinderen kijken mee. Als moeder hardop zegt dat ze aan het diëten is, voelen kleuters al : "Eten, dat is niet evident. Dat mag je blijkbaar niet altijd." Spreek daar gewoon zo weinig mogelijk over. Doe dat in stilte. En houd die lightproducten voor jezelf, die horen niet thuis op de gezinstafel. Absoluut. Zorg ervoor dat je de boodschap geeft dat eten plezant is. Laat ze eventueel meehelpen het eten klaar te maken. Maak je niet te veel zorgen om wat ze eten, probeer vooral te zorgen voor een vaste eetstructuur. Drie maaltijden en 2 à 3 tussendoortjes, en that's it. Misschien nóg belangrijker : onthoud dat elke leeftijd zijn eigen eetgewoontes heeft. Als een kleutertje eens niet veel eet, maak je daar geen zorgen om. Vermoeidheid of verdriet zorgen er wel eens voor dat dat gebeurt. Maar dat haalt die bij de volgende maaltijd wel in. Kleuters hebben een soort zelfregulerend systeem, zeker. Dwing ze niet hun bord leeg te eten, dan verzuurt alleen maar de relatie met hun bord. Wel is het goed om kleuters nieuwe smaken te leren kennen. Smaken die ze voor hun zesde leren kennen, trekken hun smaakpalet voor altijd verder open. Maak ze nieuwsgierig. Soms vergt het wel tien proefbeurten voor een kleuter iets lekker gaat vinden. De frigocultuur is daarbij geen goede hulp. Als een kind iets niet lust, grijpen veel ouders naar een Petit Gervais. "Heeft hij toch iets gegeten." Dat is goed bedoeld, maar dat verhindert ze nieuwe smaken te ontdekken. Op de duur zal dat kind alleen nog maar aardbeiensmaak lusten, en moet zelfs de melk naar aardbei smaken. Wil een kleuter niet eten ? Geen probleem. Laat het even proeven, doe het bord weg, en laat het met rust. Geef het niets in de plaats. En wacht gewoon tot de volgende maaltijd. En ook die leeftijd heeft zijn eigen gewoontes. Typisch zijn de zogeheten food jags : altijd hetzelfde willen eten. Spaghetti, bijvoorbeeld. Lagereschoolkinderen eten niet langer alleen wat ze nodig hebben. Ook omdat ze daar zin in hebben. Stilaan gaan ze meer eten, en kweken ze wat vetreserves om de puberteit in te zetten. Pubers groeien op korte tijd supersnel. Dat vergt extra calorietoevoer en dat doet eten. Maar pubers experimenteren op alle vlakken. Ook in hun eetgedrag. De ene dag eten ze het frietkot leeg, de andere maand slaan ze op dieet, dan worden ze vegetariër of veganist. Laat het gebeuren, besteed er niet veel aandacht aan. Nu panieken we misschien iets te snel. Je tienerdochter die voor de spiegel staat en zegt dat ze een dikke poep krijgt ? Dat is normaal pubergedrag. Ze wil daarmee zeggen : "Mama, kijk, ik groei, zie wat hier allemaal gebeurt met mij ?" Dat is het moment om te vertellen hoe je je zelf voelde op die leeftijd. Hoe onzeker. Hoe bang over de toekomst. Kinderen horen dat graag. Laat niet meteen het woord anorexia vallen als je tienerdochter over haar vetbandjes doorzeurt. We problematiseren te snel. Ook in de media. Hoe goed bedoeld ook, zo lokken we ze vaak naar probleemgedrag. We moeten naar een cultuur waarin jongeren meer informatie krijgen over het normale groeiproces. Ze zoeken nu eenmaal naar houvasten. En in een wereld waarin dun verheerlijkt wordt, luidt de redenering : als ik dat onder controle krijg, dan komt het goed. Het rolmodellenaanbod zou diverser moeten. Modellen met uitstraling hebben we nodig. Die vertellen over wie ze zijn, dat hun uiterlijk niet alles is, hoe onzeker ze zijn. En neen : dikke modellen vind ik ook niet de oplossing, daar overtuig je tienermeisjes niet mee. Er moet gewoon uitstraling zijn. En vooral : we moeten jongeren mediaweerbaarder maken. Ze de ogen doen opentrekken over photoshop. Ze kritischer maken. Er zijn trekken die terugkeren. Perfectionisme bijvoorbeeld. Prestatiedrang. Onzekerheid. Een negatief zelfbeeld. Daarbinnen heb je enerzijds de groep die heel hard controle wil houden over de werkelijkheid. Zij mijden al wat onzeker maakt : relaties, nieuwe hobby's, reizen. Ze eten zuinig, en leven zuinig. Anderzijds heb je de impulsieve groep : die zoeken de kick en de sensatie in de eetstoornis. Er spelen dus een rist psychosociale factoren mee in de ontwikkeling van een eetstoornis. We merken dat jongeren met een laag zelfbeeld meestal niet zo'n goed sociaal netwerk hebben. Ze voelen zich alleen, hebben schrik om gepest te worden. Net die groep is veel meer beïnvloedbaar door de media. In de vriendengroep wordt die invloed doorgaans genuanceerd. Ook als ouder moet je erover praten. Ze weerbaarder maken. Hetzelfde voor die pro-anorexiawebsites. Het heeft geen zin die te verbieden. Ze vinden dan wel buitenlandse websites. Grijp de gelegenheid om erover te praten. Geef je mening. Een gezond leven vergelijk ik altijd met een huis met vele kamers. In elke kamer moet je geregeld verblijven. Eten is zo'n kamer. Maar ook slapen, vrije tijd, werk, familie, vrienden. Een gezond leven heeft élk van die elementen nodig. Als je merkt dat je kind heel wat kamers verwaarloost en zich in één ervan terugtrekt, weet je dat er iets mis is. Stel geen diagnose. Begin over jezelf : "Ik merk dat je niet meer afspreekt met vrienden, en ik maak me zorgen." - "Ik zie dat je weinig eet, en dat maakt me wat ongerust." Geef ik-boodschappen, veroordeel niet meteen. Ook niet als er echt een eetstoornis zou blijken. Kader de stoornis ook. Opgroeien is een angstaanjagende gebeurtenis. Gaandeweg verdunt je supportersgroep. Dat wil je ook, je wilt het alleen doen. Jongeren vergelijken die zoekende jaren van op eigen benen staan ook al eens met een donkere grot. Je moet erdoor en je weet niet waar je uitkomt. Risicojongeren nemen voor die grot een afslag. Ze zoeken iets waarover ze wél controle hebben, zodat ze die grot niet door moeten. Eetstoornissen zijn zo'n strategie. Maar ook drugsgebruik. Of dwangmatig studeren en topresultaten willen behalen. Let er dus op om elke stoornis te kaderen. Dan begrijp je ook dat je niet alleen de stoornis op zich kunt aanpakken. Vergelijk het met een jungle. De jongere heeft het gevoel erdoor te moeten en ziet zijn stoornis als een sikkel om zich in die jungle te beschermen. Het heeft geen zin om ze midden in de jungle die sikkel af te nemen. Zo voelen ze zich nog meer verloren. Help ze eerst uit die jungle. Of geef ze andere wapens. Dan pas zullen ze bereid zijn hun wapen af te geven. Toch wel. Iemand met een eetstoornis die voor zijn achttiende levensjaar binnen het jaar behandeld wordt, heeft haast 100 procent kans op herstel. Vaak zijn het clb'ers die de eerste symptomen opmerken. Zij hebben nu eenmaal de groeicurves en kunnen vergelijken met leeftijdsgenoten. We hebben de doorverwijzing naar huisartsen, diëtisten en psychologen intussen goed gestroomlijnd. De meeste hulp wordt op tijd geboden. Absoluut. We willen het als ouder vaak iets te goed doen. En de vele doemberichten over eetstoornissen doen ons vaak sneller dan nodig zorgen maken en verkrampen. Begeleid je kind in het groot worden. Laat ze duidelijk zien dat gezondheid meer is dan eten en bewegen. En laat ze over je schouder meekijken. Vooral met tien-, elf- en twaalfjarigen is het belangrijk om veel samen te doen. Op die leeftijd zijn ze bijzonder nieuwsgierig naar de aanpak van hun ouders. Maar goed, er zijn geen schuldigen in dit verhaal. We hebben de maatschappij die we hebben. En ik geloof sterk in actie en reactie door generaties. Trendwatchers zeggen trouwens dat we nu al beginnen te evolueren naar een meer authentieke, onthaaste keuken. Weer de appeltaart van tante Julia, en zelf brood bakken zoals grootmoeder dat deed. Het zou mooi zijn. Maar ook dat is geen must. Zolang we gewoon maar weer wat betere vrienden worden met ons bord. Uitgebreide informatie over eetstoornissen, en over de (preventieve) hulp die je als ouder kunt bieden : op www.eetstoornis.be Door Guinevere Claeys Illustratie Sebastiaan Van Doninck