In de hals van de kaartjesknipper, piepend onder de kraag van zijn diensthemd, staat een zin getatoeëerd die hij ongetwijfeld stoer vindt : Victoria aut morte. Op zulke momenten ben ik blij dat ik Latijn geleerd heb, negen uur per week zelfs, toen ik twaalf was en de hormonen begonnen te ruisen. Dankzij die lessen bij 'den Aap' weet ik dat de spreuk van de conducteur De overwinning of de dood betekent. Onder een mal kepietje krijgt zo'n slagzin iets tragisch. Ze is geknipt om met het zwaard in de vuist de Rubicon over te steken, niet om in een tweedeklascoupé zwartrijders te grazen te nemen.
...

In de hals van de kaartjesknipper, piepend onder de kraag van zijn diensthemd, staat een zin getatoeëerd die hij ongetwijfeld stoer vindt : Victoria aut morte. Op zulke momenten ben ik blij dat ik Latijn geleerd heb, negen uur per week zelfs, toen ik twaalf was en de hormonen begonnen te ruisen. Dankzij die lessen bij 'den Aap' weet ik dat de spreuk van de conducteur De overwinning of de dood betekent. Onder een mal kepietje krijgt zo'n slagzin iets tragisch. Ze is geknipt om met het zwaard in de vuist de Rubicon over te steken, niet om in een tweedeklascoupé zwartrijders te grazen te nemen. Niettemin is het geruststellend woorden van tweeduizend jaar oud te zien opduiken onder het hemd van een kaartjesknipper. Meestal verandert taal sneller van gedaante. Woorden zijn levende dingen, vluchtig als edelgassen. Dat merkte ik onlangs weer toen ik een jonge vrouw hoorde zeggen dat een andere jonge vrouw 'een schraal wijf ' was. Ik moest denken aan kippenlijven, maar schraal bleek hier iets anders te betekenen. Een schraal wijf is een trut of een bitch, iemand met een gestoorde attitude. Je kunt dus schraal zijn, maar er sappig uitzien. Dat zijn lagen die erbij komen, en tegelijk gaan er dingen verloren. Spreekwoorden en zegswijzen bijvoorbeeld : ik denk dat een aanzienlijk deel daarvan met uitsterven bedreigd is. Nogal wat mensen met een Go Pass kijken mij onbegrijpend aan als ik het heb over, pakweg, warm en koud blazen. "Wat bedoelt hij daarmee?", zie je ze fronsen. Zo fronste ik toen ik de eerste keer het woord pitchen hoorde gebruiken. Ik vroeg niet wat het betekende, uit misplaatste schaamte, maar besloot het stiekem op te zoeken. Net zoals de mens heeft ook taal de neiging te verouderen, en daar bestaat geen botoxkuur voor. Neem nu het gebruik om 'U' met hoofdletter te schrijven. Dat loopt als prikkeldraad doorheen de generaties. Schrijft iemand 'u' als 'U', dus in kapitalen, dan kun je er gif op innemen dat die persoon minstens 65 jaar oud is. Hetzelfde met 'Jan en ik', dat ergens onderweg onopgemerkt in 'ik en Jan' is veranderd. De beleefdheid om de ander eerst te vernoemen, ligt op apegapen. De wereld is ruwer en egocentrischer geworden. Een ander laten voorgaan wordt een teken van ouderdom - zoiets als een kraaienpoot of rimpel. Op dezelfde manier ongeveer is het gebruik van zegswijzen iets van het vorige millennium. Voor wollige spreuken is geen plaats in het tijdperk van de selfie. Er zijn gevallen waarin ik dat betreur ; sommige uitdrukkingen waren spitsvondig en je moet het kind niet met het badwater weggooien. Ik hield van die zachte heelmeesters met hun stinkende wonden, en ik zal het jammer vinden als er geen parels meer voor de zwijnen worden geworpen. Maar je had ook een heleboel spreuken die erg cliché waren. Wat mij betreft, is er zo stilaan wel genoeg van twee walletjes gegeten, voor Pampus gelegen, warm en koud geblazen en ijzer gesmeed terwijl het heet was. Ik heb het gehad met paarden die je niet in de bek mag kijken en met schoenmakers die bij hun leest blijven. Zulke uitdrukkingen verdienen een plaats in het rusthuis voor afgeleefde & opgebruikte zegswijzen. Daar zullen ze verzorgd en gewassen worden, door jonge vrouwen die dapper de washand hanteren terwijl ze over schrale wijven keuvelen. Weemoedige naturen kunnen terecht op Wikipedia. Daar staat een hoop oude wijsheid verzameld in de Lijst van uitdrukkingen en gezegden. 'De koe van de pastoor eet iedere dag mals gras', wat minder raadselachtig is dan het lijkt op het eerste gezicht. Of : 'Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.' De Nederlandse dichter Jacob Cats was zo door die uitdrukking gefascineerd dat hij er in 1632 een poëem aan wijdde, dat nu volstrekt ongenietbaar is. JEAN-PAUL MULDERSIk hield van die zachte heelmeesters met hun stinkende wonden, en ik zal het jammer vinden als er geen parels meer voor de zwijnen worden geworpen