:: 'Down with Love' van Peyton Reed met Renée Zellweger, Ewan McGregor, Sarah Paulson en David Hyde Pierce loopt in de zalen vanaf 8 oktober.
...

:: 'Down with Love' van Peyton Reed met Renée Zellweger, Ewan McGregor, Sarah Paulson en David Hyde Pierce loopt in de zalen vanaf 8 oktober. Toen ik een jaar of tien was, wilde ik Doris Day zijn. Tot groot jolijt van mijn vader overigens, die haar neerbuigend "die met haar blotebillengezicht noemde". Achteraf bekeken was Doris inderdaad niet zo'n geschikt rolmodel, al was het maar omdat ze geweldig truttig kon kijken. Als RockHudson of Cary Grant haar blote schouder probeerden te zoenen, bijvoorbeeld. Mocht er een wereldkampioenschap bestaan hebben voor truttig kijken, Doris had het met vele wipneuslengten gewonnen. Dat hoorde zo, niet voor niets was haar imago dat van the girl who would say no. Op het scherm tenminste, wat de showpianist Oscar Levante de inmiddels legendarische uitspraak ontlokte : " I knew Doris Day before she became a virgin." Maar als tienjarige had ik daar geen boodschap aan. Wat mij in films als Lover come back of Send me no Flowers vooral interesseerde, was miss Day's garderobe. Kanariegele of roze mantelpakjes overdag, met zorgvuldig kleur-gecoördineerde hoedjes, tassen, schoenen en handschoenen. Lange avondjurken 's avonds, met blote schouders en een bontstola, voor that touch of mink. Ik kende niemand die zo elegant was als Doris en droomde ervan om ooit de trotse bezitster de zijn van een paar crèmekleurige naaldhakken, met bijpassende kalfsleren handschoenen. Ik niet alleen, trouwens. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig was Doris Day de grootste box- office-trekker van allemaal. De oorlog in Korea was net afgelopen, Vietnam stond op springen en er was de dreiging van de atoombom. Doris, kittig als een eekhoorntje en geruststellend als een gewatteerde sprei, was een remedie tegen die boze buitenwereld. "Vooral vrouwen liepen storm voor haar films, niet het minst om te zien wat ze nu weer aanhad." Dat beweert Daniel Orlandi, kostuumontwerper van Down with Love, een in 1963 gesitueerde komedie waarin Renée Zellweger en Ewan McGregor met veel verve de esbattementen van Doris en Rock Hudson (of Doris en Cary Grant of Doris en James Garner) overdoen. Renée Zellweger heeft ook een blotebillengezicht, dat helpt. Het verhaaltje is veeleer bijzaak : Barbara Novak (Zellweger) is de auteur van Down with Love, een waanzinnig succesvol prefeministisch zelfhulpboek waarin ze vrouwen voorhoudt dat ze zich geweldig veel sores kunnen besparen door te kiezen voor een carrière en voor sex without the mess, seks zonder bindingen dus. Catcher Block (McGregor), aalgladde sterjournalist en supercoole vrouwengek, neemt zich voor om Barbara onderuit te halen door haar te verleiden en zo te bewijzen dat wat vrouwen écht willen trouwen en kindjes krijgen is. Met die bedoeling neemt hij de identiteit aan van Zip Martin, astronaut en Brave Hendrik. Maar Catcher blijkt niet de enige te zijn met een verborgen agenda... Gooi er nog een paar sidekicks tegenaan, Barbara's heethoofdige uitgeefster Vicki ( Sarah Paulson) en Catchers neurotische hoofdredacteur Peter ( David Hyde Pierce uit Frazier) en het resultaat is een bijwijlen grappige, maar vaak wat geforceerde komedie waaraan vooral veertigplussers plezier zullen beleven. De generaties dus die zich de suggestieve, maar o zo kuise stoeipartijen tussen maagdelijke Doris en haar snode belagers nog levendig kunnen herinneren. Géén cinefielenvoer dus, maar dat waren de originele films ook niet. En de makers hebben verdraaid goed naar die originelen gekeken. Alles zit erin, van de decors in primaire kleuren die een superglamoureus Manhattan voorstellen, compleet met bordkartonnen Empire State en Chrysler Buildings over de obligate lichtreclames van Broadway tot de rijen schoenpoetsers aan Central Station. Maar bovenal is er een geestige parodie op de suggestieve telefoonconversaties in splitscreen waarin Doris en haar tegenspeler met elkaar flirten, terwijl ze keurig elk in hun eigen bed of badkuip liggen. Een bijkomende reden om naar Down with Love te gaan kijken, zijn de somptueuze kostuums, ontworpen door Emmy-winnaar Daniel Orlandi, voormalig assistent van de Amerikaanse couturier Bob Mackie. Doris Day zou bij wijze van spreken haar maagdelijkheid op het spel gezet hebben voor het roze en wit geruite pakje en de witte hoed met opgeslagen rand waarin we Renée Zellweger voor het eerst zien, om nog te zwijgen van de avondjurk met opgenaaide pareltjes. Als je het mij vraagt, wordt de bijdrage van de kostuumontwerper tot het succes van een film schromelijk onderschat. Gilda zou Gilda niet geweest zijn zonder de strapless zwartsatijnen avondjurk met bijpassende lange handschoenen van Rita Hayworth. Wie zou zich de matige komedie The Seven Year Itch herinneren zonder de opwaaiende plissé soleil van Marilyn ? Er was een tijd dat kostuumontwerpers zo beroemd waren dat ze genoeg hadden aan een voornaam : Jean-Louis, Irene, Adrian... De eerste ontwierp niet alleen de beruchte Gilda-jurk, maar ook Doris Day's garderobe voor Pillow Talk. Irene ( Lentz) tekende de pakjes en pillendooshoedjes voor Lover come back. Maar de beroemdste van allemaal was Edith Head (1903-1981 ), een schoolmarm-achtig vrouwtje met een ronde, zwarte bril en een tomeloze ambitie. Haar vijanden beweerden dat ze niet eens kon schetsen en een slecht karakter had, maar dat neemt niet weg dat ze bij leven de meest gelauwerde vrouw in Hollywood was (8 Oscars, 35 nominaties). Van haar is de gevleugelde uitspraak :"Ik moet de eerste onbedorven ster nog tegenkomen, tenzij Lassie." Heads macht was niet te onderschatten. Zo zou de film Houdini oorspronkelijk in zwart-wit gedraaid worden, maar Edith vond dat haar ontwerpen meer tot hun recht moesten komen en dus werd de film in kleur gedraaid. Edith lanceerde bovendien echte modetrends : de sarong in films met Dorothy Lamour en de combinatie Capripants en trui met boothals en schoudersluiting, door Audrey Hepburn met veel flair gedragen in Sabrina. Grace Kelly hield zoveel van haar avondjurk in To catch a Thief dat ze hem aantrok op een van haar eerste dates met prins Rainier. In 2003 verscheen Ediths beeltenis op een postzegel, in een reeks die eer betoont aan de Amerikaanse film. Of hij haar voorbeeld wil volgen, vraag ik aan Daniel Orlandi. Daniel Orlandi : Ik hoef niet per se op een postzegel, maar erkenning krijgen voor je werk is natuurlijk altijd leuk. Ik ben bijvoorbeeld heel blij met de aandacht die de kostuums van Down with Love krijgen in de pers. Het is de eerste keer dat zoveel journalisten met mij willen praten, meestal zijn ze alleen in de acteurs of de regisseur geïnteresseerd. Ik denk dat ook het publiek opgetogen is nog eens een prent te zien met mooi geklede mensen, dat valt op tussen al die films waarin acteurs in jeans en T-shirts rondlopen. Films als Flawless en Meet theParents met Robert de Niro en Phone Booth met Colin Farrell zijn natuurlijk leuke projecten omdat je met interessante mensen werkt, maar met Down with Love heb ik mijn fantasie echt kunnen botvieren ; ik heb mij nog nooit zo geamuseerd bij het maken van een film. Als een kruising tussen magie en camouflage. Je creëert een illusie, je verandert een acteur in iets wat hij niet is. Telkens als een performer op het scherm verschijnt, zorgen wij ervoor dat het publiek gelooft dat hij of zij iemand anders is. Absoluut. De komedies met Doris Day zijn de eerste films waarvan ik me bewust ben ze als kind gezien te hebben. Toen ik het script in handen kreeg, wist ik meteen : "Ik moet die job hebben, voor deze opdracht ben ik de juiste man." Wat die films zo aantrekkelijk maakte, was de combinatie van sexyness en frisheid. Ze hadden van die suggestieve titels zoals Move over, Darling en Pillow Talk en The Thrill of it All. Het ging allemaal over seks, er werd de hele tijd naartoe gewerkt, maar je bleef op je honger. Doris hield bij wijze van spreken altijd één voet op de grond. En ze zag er geweldig uit in een veel te groot mannenpyjamajasje. Doris had niet de uitstraling van een Marilyn, Sofia of Gina, maar wel een geweldig figuur dat aangenaam contrasteerde met haar imago van eeuwige maagd. Volgens mensen die het weten kunnen, waren haar tegenspelers zeer te spreken over haar borsten. Haar allure was heel ambigue : enerzijds was ze het meisje van de buren, heel down to earth, maar vooral in haar latere films speelde ze vaak carrièrevrouwen met een onwaarschijnlijk glamoureuze garderobe. Net zo min als je op straat iemand tegenkomt die eruitziet als een cover van Vogue. Die films speelden zich af in een ideale wereld in technicolor, vol schitterende flats en mooi geklede mensen. Ieder haartje op zijn plaats, geen kreukje of stofje te zien. Van A tot Z in de studio opgenomen, met op de achtergrond een doek met de skyline van Manhattan, of de Eiffeltoren of het Colosseum. Allemaal make believe, designed en op maat gemaakt om de sterren nog beter uit de verf te laten komen. De kleren waren echte filmkleren : niets werd gekocht, alles in het atelier genaaid. Ik was blij in de voetsporen te kunnen treden van mensen als Jean-Louis, Adrian en Edith Head. En dat het om mode uit de jaren zestig ging, maakte het nog boeiender. Voor mij was dat het laatste tijdperk waarin de mode echt modern was. Nu is alles retro, toen werd er heel sterk in de toekomst gekeken. Het space age-thema was heel sterk, het gevoel van "straks gaan we met zijn allen naar de maan". Er werden volop nieuwe stoffen uitgevonden en couturiers als Balenciaga en Givenchy bedachten nieuwe manieren om kleren te knippen. Er was een eenvoud, een frisheid in de mode die we nu niet meer kennen. En mannen waren échte mannen en vrouwen échte vrouwen. Enfin, dat wilden Doris en Rock en Cary ons toch doen geloven. Achteraf bekeken hebben die films natuurlijk iets ironisch. Een rare tijd, de vroege jaren zestig : we stonden op de drempel van een nieuw tijdperk, met vrouwenemancipatie en studentenprotest, maar op straat droegen vrouwen handschoenen en in veel chique restaurants was het not done om als vrouw in een broek te komen dineren. Twee weken aan een stuk heb ik elk belangrijk modemagazine doorgebladerd dat tussen 1962 en 1964 verscheen. Daarna heb ik een soort Muur van Inspiratie gemaakt met alle modefoto's die mij aanstonden. Naast Balenciaga en Givenchy waren het vooral Jean-Louis, Ray Aghayian en Oleg Cassini die mij inspireerden. Vervolgens heb ik gedaan alsof ik in 1963 aan het werk was. Twee weken aan een stuk niets anders dan schetsjes maken, terwijl mijn assistenten stalen verzamelden en op zoek gingen naar vintagestoffen. Daar waren echte gelukstreffers bij : een rol huidkleurige voile met handgeborduurde pareltjes, ongeveer zoals Marilyn droeg toen ze Kennedy op dat beroemde verjaardagsfeest toezong. Daar heb ik het lijfje van een avondjurk voor Renée mee gemaakt. Sommige stoffen moesten we eerst laten stomen, zo stoffig waren ze. Andere stoffen die niet meer in productie waren, werden speciaal op ons verzoek geweven. Vintagekleren hebben we niet gebruikt, die hebben vaak iets vaals, afgeleefds. Nee, we maakten alles zelf, tot hoeden, dassen, handschoenen toe. Ook de mannen kregen bij elke outfit een ander paar schoenen. Ik heb de kostuums echt ontworpen zoals een componist een musical componeert : alles rond de ster gecoördineerd. Daarbij was ik in constante dialoog met de decorontwerpers. In een bepaalde scène is het vest van David Hyde Pierce exact dezelfde schakering rood als de muur. En de hoedenontwerpster stond erop om zelf speldjes te maken voor de hoedjes van de stewardessen. Haar moeder had nog bij Pan Am gewerkt en die speldjes maakten het helemaal echt. Dat kan overdreven lijken, maar ik wilde dat alles tot in het kleinste detail klopte. Ik moet zeggen dat zowel Renée als Ewan zeer enthousiast waren over de schetsen, als goeie acteurs zagen ze meteen wat de kleren zouden toevoegen aan hun personage. Tijdens de pasbeurten werden er op hun suggestie soms kleine veranderingen aangebracht. Voor Renée heb ik echte kleurschema's voor de opeenvolgende scènes opgesteld, geen enkel kleur wordt ooit herhaald. Wat heel leuk was, was dat alle kleedkamers op dezelfde gang uitkwamen. Bij het begin van elke opname maakte iedereen zijn entree, als bij een echte modeshow, wat altijd een hoop jolijt gaf. Voor Renée was dat een droom, zoals voor iedere vrouw, denk ik. In haar garderobe heb ik een typische sixties-mix van frisheid en sensualiteit proberen te stoppen. Zo draagt ze een op het eerste gezicht onschuldige avondjurk, die als ze zich omdraait haar rug volledig vrij blijkt te laten. Het meeste werk maakten we van het witroze geruite pakje waarmee ze op elke affiche staat. Die ruiten zijn er met de hand opgenaaid, er zijn ingewikkelde wiskundige berekeningen aan te pas gekomen om het patroon rondom te laten kloppen. Zoiets doe je natuurlijk maar één keer, daarom zijn het ook echte filmkleren. Vanuit ontwerpersstandpunt was Renée een prima keuze voor de rol. Ze heeft ook niet geprobeerd om Doris Day te kopiëren ze creëert haar eigen personage. Ze is trouwens veel jonger dan Doris Day toen die haar meest succesvolle screwball comedies maakte. Voor mij is haar personage qua allure een kruising tussen Doris Day en Audrey Hepburn. En Ewan McGregor is zeker geen tweede Rock Hudson, daarvoor is hij te tenger en te Brits. ( lachend) Gelukkig zijn wij heel discreet. Anders zouden we ook niet lang werk hebben, vrees ik. Maar ik kan je bij deze geruststellen : Renée Zellweger noch Ewan McGregor heeft een plat achterste. Linda Asselbergs"Die ruiten zijn er met de hand opgenaaid,er kwamen ingewikkelde wiskundige berekeningen aan te pas om het patroon rondom te laten kloppen.""Doris Day had een geweldig figuur, wat aangenaam contrasteerde met haar imago van eeuwige maagd.""De kleren zijn echte filmkleren : niets werd gekocht, alles is in het atelier genaaid."