Subculturen zijn dood. Klinkt raar uit de mond van een twintiger, want labels zijn er natuurlijk genoeg. Er zijn skaters, hiphoppers, hippies, grungers, technofreaks, cybernerds, skinheads, gabbers, new wavers, housers, punkers, Johnny's en Marina's, om maar wat te noemen. Maar wat niet meer is dan een lucratieve trend of een (hopelijk) voorbijgaande fase, wordt ook wel subcultuur genoemd. Die onderscheidt zich van de mainstream met herkenbare kleding en accessoires, een eigen taaltje, specifieke rituelen en welbepaalde muziek. De dreadlocks en gehaakte mutsen van rasta's, de gespijkerde polsbandjes van metalheads en de Saturday Night Fever-hakken van disco queens spreken boekdelen. Al even herkenbaar zijn de bretels en Doc Martens van skinheads of de dramatische L'Oréal-coupes van new wavers. Van recentere datum zijn de gouden halskettingen, trainingspakken en adidas-gympen van hiphoppers. En inmiddels weten zelfs grootouders dat skaters hun broek laag op de heupen dragen en hun T-shirts XXL.
...

Subculturen zijn dood. Klinkt raar uit de mond van een twintiger, want labels zijn er natuurlijk genoeg. Er zijn skaters, hiphoppers, hippies, grungers, technofreaks, cybernerds, skinheads, gabbers, new wavers, housers, punkers, Johnny's en Marina's, om maar wat te noemen. Maar wat niet meer is dan een lucratieve trend of een (hopelijk) voorbijgaande fase, wordt ook wel subcultuur genoemd. Die onderscheidt zich van de mainstream met herkenbare kleding en accessoires, een eigen taaltje, specifieke rituelen en welbepaalde muziek. De dreadlocks en gehaakte mutsen van rasta's, de gespijkerde polsbandjes van metalheads en de Saturday Night Fever-hakken van disco queens spreken boekdelen. Al even herkenbaar zijn de bretels en Doc Martens van skinheads of de dramatische L'Oréal-coupes van new wavers. Van recentere datum zijn de gouden halskettingen, trainingspakken en adidas-gympen van hiphoppers. En inmiddels weten zelfs grootouders dat skaters hun broek laag op de heupen dragen en hun T-shirts XXL. De stijlcodes mogen dan wel herkenbaar zijn, de opvattingen en houdingen die leven in subculturen zijn minder bekend. Zo kijken artistieke types heel anders aan tegen school, werk en de inrichting van het persoonlijke leven dan housers. Soms ontwikkelen subculturen zelfs expliciete mens- en maatschappijvisies, zoals de do it yourself-ethiek van de (Britse) punkcultuur die half jaren '70 ontstond. De gehanekamde punkers maakten met behulp van naald, draad en veiligheidsspelden zelf hun kleding en drukten fanzines. Wie tot acht kon tellen, vormde een rockband. In tegenstelling tot de meer kunstzinnige new wavers zwoeren punkers bij ongekunstelde eenvoud, authenticiteit en jezelf niet verkopen aan de maatschappij. Slogans als anarchy in the UK en no more future illustreren dan weer hun antipolitieke en nihilistische houding. Het bekendst is echter de peace & love-filosofie van de hippie- en Woodstock-generatie, een allesomvattend project. Het ging zowel om de relatie tot de natuur, andere culturen en de gevestigde autoriteiten, als over materialisme en alternatieve samenlevingsvormen. Ook de wijze waarop mensen zich kleedden, verplaatsten en politiek bedreven werd ter discussie gesteld. Politieke acties waren onder meer het Vietnam-protest en de emancipatiestrijd van zwarten en vrouwen. Maar de kern van subculturen ligt op het persoonlijke vlak: zoeken naar de eigen identiteit en zich afschermen van het ouderlijke gezag en de volwassenenwereld staan centraal in alle jongerenculturen. Het groepsgevoel geeft richting aan de zoektocht van elke jongere naar zijn eigen persoonlijkheid - een moeilijke tocht wegens de 1001 beschikbare levensstijlen. Subculturen trekken de gangbare waarden, normen en gedragingen in twijfel. Ze zijn altijd een beetje anti. "Jongerenculturen zijn een kwestie van stijl", zegt Gust De Meyer, docent populaire cultuur (KULeuven). "Ze gebruiken culturele middelen om ouders buiten te sluiten: daarom is de muziek zo hard en luid. Het is een symbolische guerrilla, een stilistische revolutie." Sinds de Tweede Wereldoorlog en vooral sinds de omwentelingen van de jaren '60 wordt erkend dat jongeren hun eigen plaats opeisen, vooral in hun vrijetijdsbesteding en seksualiteit. De naoorlogse jeugd was dan ook veel vrijer: de schoolplicht stelde hen vrij van de arbeidsmarkt, terwijl de stijgende welvaart persoonlijk geldbeheer stimuleerde. Jongeren kregen zakgeld of zochten een baantje. Kortom, alle voorwaarden waren vervuld. De Meyer: "In de tweede helft van de 20ste eeuw werd de jeugd een duidelijke culturele plaats toebedeeld. In primitieve culturen participeert iedereen in dezelfde gemeenschappelijke cultuur en rituelen. In de 18de eeuw, een periode van industrialisering en verstedelijking, ontstond echter een opdeling tussen arbeids- en vrije tijd. Arbeidersjongeren gingen zich in hun vrije tijd overgeven aan de geneugten van de stad en de ontluikende ontspanningsindustrie. De opvoedende pogingen van de burgerij en de maatschappelijke zuilen ten spijt, zouden ze zich uiteindelijk organiseren in jeugdculturen." De eerste naoorlogse jeugdcultuur ontstond in de Amerikaanse middenklasse van de jaren '50: de beatniks waren de nieuwe nomaden. De bohémiens zwoeren bij jazz, volksmuziek, blues en boeddhisme. "De Amerikaanse voorsteden waren broeihaarden van jeugdculturen", zegt De Meyer. "Vooral daar werden jongeren geconfronteerd met typische middenklassewaarden en de traditionele oudercultuur. Ze werden als vanzelf op straat gedreven." In de woelige jaren '60 volgde Europa. In Groot-Brittannië vormden de dandy-achtige teddy boys (nozems), de trendy mods en de leerdragende rockers de eerste subculturen. Niet veel later volgden de sterk groepsgebonden skinheads. In tegenstelling tot hun voorgangers omarmden deze kaalgeschoren jongens hun arbeidersachtergrond. Ze waren veeleer conservatief en hadden homofobe en racistische trekjes. Wat meteen aantoont dat we jongerenculturen soms onterecht progressief noemen. De Meyer: "Naarmate duidelijk is geworden dat de arbeidersklasse opgaat in de consumptiemaatschappij, werd de jeugd een metafoor voor verandering en protest tegen de gevestigde orde. Toch zijn er ook in recente jeugdculturen conservatieve tendensen. Bij de Milet-rage was dure kleding het middel om je te onderscheiden, terwijl straight edgers gezonde waarden verdedigen en alcohol en drugs vermijden. In onze samenleving wordt tegencultuur trouwens een anachronisme. Haast alles kan en mag, ieder maakt voor zichzelf uit waarin hij gelooft." Marketeers en bedrijven waren in de jaren '60 nauwelijks geïnteresseerd in jongeren. Intussen hebben ze ingezien dat jongeren geld en tijd zat hebben en zelf vorm geven aan hun leven. Ze hebben dus behoefte aan allerlei producten en diensten, onder meer op het vlak van literatuur, communicatiemedia, geluidsdragers, kleding en home entertainment. Sommige merken draaien haast volledig op de jeugd, anderen passen zich aan - denk aan de verjongingswoede van het bankwezen. Jongeren beïnvloeden bovendien het koopgedrag van hun ouders en zijn een enthousiaste testmarkt voor de producten van de toekomst. Subculturen blijven dan ook niet lang onopgemerkt, zegt De Meyer: "Marketeers en trendwatchers zijn er als de kippen bij om trends bloot te leggen en ze van een naam te voorzien, kwestie van vat te krijgen op de jeugd." De commerciële interesse zet stijlcodes van subculturen in een mum van tijd om in hapklare producten en vertaalt het gedachtegoed in holle reclameslogans die iedereen aanspreken. Vervolgens verspreiden videoclips, televisie, internet en stijlbijbels als The Face de steeds vluchtigere rages en trends op wereldschaal. Maar als stromingen te populair worden, haken de leden van het eerste uur af. De commercie smoort subculturen dus in de kiem. "Zelfs rebelse tegenculturen kunnen niet verhinderen dat hun codes worden opgenomen in de mainstream en verwateren tot een consumptiecultuur voor de massa", zegt De Meyer. "Punk werd al snel gerecupereerd door de modewereld en werd punk chic." Bovendien is jongerenmarketing steeds professioneler en gerichter. Marketeers keren zich af van de bladen- en tv-markt en ontwikkelen alternatieve communicatiemomenten. Populaire voorbeelden zijn fuiven en thema-avonden, acties in scholen en cafés en aanwezigheid op concerten en festivals. Sommige merken zetten een jongerensite met chatbox op, andere organiseren straattoernooien voor jongeren. Orange, Red Bull, Nike en Axe zijn maar enkele van de bedrijven die zo te werk gaan. Tegenwoordig staat niet de jeugd, maar de bedrijfswereld in het middelpunt van subculturen. De jongerenwereld is een bezette stad. Maar de finale doodsteek voor subculturen komt van de jeugd zelf. De hokjesmentaliteit van marketeers slaat immers nergens op: jongeren samplen, recycleren en vermengen dat het een lieve lust is. Sporty, arty, retro, hip, serieus én kinky, het kan allemaal in één en dezelfde look. Piercings en PLO-sjaals hebben elkaar gevonden, net zoals gympen en designerkleding of house en flowerpower. Het lijkt wel alsof metalheads en new wavers alleen nog op het platteland voorkomen. "Iedere jongere koestert verschillende identiteiten", beaamt De Meyer. "Je bent relschopper én hedonist, geëngageerd én bored. Het is geen kwestie van het één of het ander. Jeugdcultuur is het postmoderne rek van de supermarkt, ieder neemt wat hem op dat moment van pas komt. Stijl is geen rebellie meer, maar een oefening in pose, een verkleedpartij zonder inhoud." En toch. De house- en dansscene koesteren waarden als verdraagzaamheid, respect en ecologisch bewustzijn, terwijl rap veel aandacht schenkt aan authenticiteit en het harde gettoleven. Skaters hechten dan weer belang aan tolerantie voor andere (jongeren)culturen. Het probleem is gewoon dat stijlcodes vermoeiend zijn. New waver of punker zijn kost flink wat moeite. Je moet zus en zo gekleed zijn, díe platen kopen, de juiste boeken lezen, dit en dat café bezoeken, je haar moet zo zitten... wat een toestand! Daar zijn jongeren anno 2000 veel te nuchter voor, dunkt me. Dan is het toch stukken leuker om naar je eigen smaak uit het hele culturele erfgoed te putten? Waarom zouden pose en engagement niet kunnen samengaan? Jongerenculturen zijn nu eenmaal massacultuur geworden. Dat is misschien nog de grootste verovering van de jeugd: dat niemand hen nog kan negeren. Nee, sub worden we nooit meer."JONG! 1950-1990. Jongerencultuur en stijl in Nederland", nog tot 3 september in Het Schielandshuis, Korte Hoogstraat 31, Rotterdam-centrum (metro Beurs/Churchillplein). Toegang: 6 en 3 gulden, dinsd. tot vrijd. 10-17 u., zaterd., zond. en feestdagen 11-17 u. Info: Tel. +31-10-217 67 67. Van 14/10 tot 3/3 in het Limburgs Museum in Venlo. Subculturen als new wave, punk en house worden voorgesteld met etalages vol kleding, elpees, plakboeken, juwelen en honderden andere artefacten, en filmfragmenten, documentaires, videoclips en een educatief videospel. Bij de tentoonstelling horen het geïllustreerde boek JONG! (Uitgeverij Waanders, 49,50 gulden, verkrijgbaar in het museum) en allerlei randactiviteiten. Op 16/7 geeft een defilé een overzicht van recente trends, 13/8 is een doe-dag voor de hele familie. De vaste museumcollectie bevat het interessante deel "Grote Maten Kleine Maten", over de wisselwerking tussen kleding voor volwassenen en kinderen in de twintigste eeuw. In België werkten de provincies Oost- en West-Vlaanderen samen met het Nederlandse Zeeland voor het jongerenproject "Mijn engel moet nog komen". Het omvat onder meer een rondreizende tentoonstelling met jongerenportretten door fotografen als Menno de Nooijer, Freya Maes en Magali Swaelens. Tot 9/7 in de Wandelkerk in Middelburg, 9/10-12/11 in Kunstencentrum Vooruit in Gent, 14/10-26/11 in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende. Bij de Stichting Kunstboek verscheen het gelijknamige boek, met een selectie foto's en bijdragen van onder meer Gust De Meyer, Herman Brusselmans en Luuk Gruwez. Info: Tel. 09-267 72 57 (Provinciebestuur Oost-Vlaanderen) en www.mijnengel.com.Wim Denolf