Waarom haten zij ons zo ? Het is een vraag die moslims en westerlingen niet-begrijpend over elkaar stellen. Angstig en met wederzijds wantrouwen en onbegrip beloeren beide partijen elkaar. Terwijl de discussie over het thema in ons land al snel verzandt in een steriel 'aanpassen of opkrassen'-discours, verschijnen er in Nederland regelmatig uitstekende publicaties die het onderwerp intelligent en genuanceerd belichten. Zo was er in 2001 Een tipje van de sluier (Podi...

Waarom haten zij ons zo ? Het is een vraag die moslims en westerlingen niet-begrijpend over elkaar stellen. Angstig en met wederzijds wantrouwen en onbegrip beloeren beide partijen elkaar. Terwijl de discussie over het thema in ons land al snel verzandt in een steriel 'aanpassen of opkrassen'-discours, verschijnen er in Nederland regelmatig uitstekende publicaties die het onderwerp intelligent en genuanceerd belichten. Zo was er in 2001 Een tipje van de sluier (Podium) van Joris Luyendijk, waarin de jonge journalist glashelder de belangrijkste principes van de islam uiteenzet en meteen afrekent met een aantal misverstanden. Ronduit schitterend was ook Een Palestijn over de vloer ( Kosmos, 2002) : Redmar Kooistra vertelt hoe hij onderdak biedt aan een jonge illegaal die op de vlucht is voor de gewelddadige Palestijnse Hamas-beweging. Tot zijn ontzetting moet de jongeman constateren dat hij niet welkom is in Europa, terwijl hij toch net gehandeld heeft naar de waarden die wij wereldwijd propageren : geweldloosheid en een vredelievende oplossing zoeken. Hoewel het samenleven niet van een leien dakje loopt - over de gekste zaken lopen de meningen uiteen -, besluit Kooistra dat alleen openheid van geest en tolerantie, van beide partijen, ons terug naar een werkbare maatschappij kunnen leiden. Een alternatief is er niet. In het onlangs verschenen Islam onder mijn huid ( Contact, 14,90 euro) komt Maurits Berger tot eenzelfde conclusie via de omgekeerde weg : hij trekt zelf naar het Midden-Oosten om er onder de moslims te gaan leven, eerst in het hectische en kosmopolitische Caïro, daarna in het kalmere Damascus. Net als Kooistra verbaast hij zich over het gemak waarmee ginder bepaalde voor ons onaanvaardbare wantoestanden worden goedgepraat, maar hij moet ook toegeven dat wij op andere punten net hetzelfde doen. Door de confrontatie met die zo verschillende cultuur wordt hij dus gedwongen bepaalde evidenties in vraag te stellen, iets wat tegelijk verwarrend en verfrissend is. Hij ervaart ook hoe vanuit de Arabische wereld de 'westerse radicalisering' met bezorgdheid wordt gadegeslagen. En toch is dit allerminst een zwaarwichtig werk geworden. Integendeel, het schetst een levendig en vaak humoristisch beeld van de Arabische samenleving. Met veel zin voor nuancering. Een verademing in tijden waarin er steeds meer aandacht gaat naar het gedram van Dewinter en andere Abou Jahjahs. (JH)REDACTIE JAN HAEVERANS