Geradbraakt stap ik midden in de nacht uit het toeristenbusje. Eindelijk in Leh, de hoofdstad van Ladakh, op 3650 meter hoogte. Ik hap naar adem en volg - tegen mijn gewoonte - de eerste de beste toeristenronselaar die mij een kraaknet guesthouse belooft. Op dit uur kan het mij niet meer schelen, mijn koninkrijk voor een bed. De rit naar Ladakh, letterlijk "vele bergpassen", is verschrikkelijk mooi én moeilijk. Via de bijna vijfhonderd kilometer lange 'snelweg' van Manali duurt de rit twee dagen ; een waanzinnige verzameling haarspeldbochten en kiezelwegen met lawinegevaar, bulldozers en Tibetaanse wegenwerkersfamilies, duizelingwekkende ravijnen en adembenemende bergpassen.
...