Samen met Jan Pieter Glerum, Nederlands bekendste veilingmeester, zoeken we in de antiekhandel naar trends, prijsevoluties en koopgedrag.
...

Samen met Jan Pieter Glerum, Nederlands bekendste veilingmeester, zoeken we in de antiekhandel naar trends, prijsevoluties en koopgedrag.Piet Swimberghe / foto Jan Verlinde Bezoekers van antiekbeurzen en veilingen zien de bomen door het bos niet meer : oud en nieuw worden door elkaar verkocht, renaissance-bronzen samen met design uit de fifties. Het ontgaat hen dan ook dat deze handel laveert tussen eb en vloed : prijzen stijgen en dalen omdat zich nieuwe trends ontwikkelen. Het koopgedrag is in amper enkele jaren tijd volkomen veranderd. Zelfs antiquairs hebben het moeilijk om zich aan te passen. Voor antiek wordt niet langer gespaard : de aankoop gebeurt impulsief en dient om het interieur te verfraaien. De decoratieve waarde overheerst. Deze evolutie zet de handel op zijn kop. We willen weten wat het straks wordt : slechter, beter of gewoon anders ? We gaan te rade bij een beroemdheid : Jan Pieter Glerum, die amper twintig jaar oud als werkstudent begon bij Sotheby's Amsterdam, waar hij jaren later als grote baas uitstapte om in Den Haag een eigen venduhuis op te starten. We vinden Glerum Kunst- en Antiekveilingen aan het Haagse Westeinde, in een statig achttiende-eeuws herenhuis : een bezoek meer dan waard. Bij ons verwierf Glerum faam met zijn tv-programma Eenmaal Andermaal, waarin hij op pakkende wijze antiek bespreekt en veilt. Hij schrijft ook handboeken over het onderwerp en doceert antiekcursussen. Kortom : deze man heeft bijzonder veel voeling met de markt. Terwijl antiekbeurzen groter en prestigieuzer worden, verdwijnen de klassieke antiquairs. Dat lijkt de omgekeerde wereld wel. Jan Pieter Glerum : De handel ondergaat een grondige gedaanteverwisseling. Kijk maar hier in Den Haag, veel antiquairs zijn verdwenen. Ook in Amsterdam, waar je rond de Spiegelstraat nog een paar klassiekers hebt als Aronson en Stodel, maar de rest zijn decorateurs. De opkomst van de decorateurs is flagrant. Het mooiste voorbeeld is onze vriend uit België Axel Vervoordt, die dat overigens fantastisch doet. Er zijn verschillende redenen voor deze opkomst. Het heeft vooreerst met het interieur te maken : we wonen kleiner dan vroeger, zeker in Nederland. Toen zag het interieur er ook stereotiep uit : er stond niets vreemds in, behalve wat oosters porselein, maar wel een vitrine met Delfts aardewerk, wat porselein, een eikenhouten dekenkist, een stoeltjesklok en een theestoof. Dat is allemaal weg. Daarvan zijn de prijzen ook gedaald. Bovendien wordt de decorativiteit steeds meer op prijs gesteld. Daarom heb je nu meer decorateurs dan antiquairs. Andere redenen ? Het gaat ook om een andere manier van leven. Ik ging vroeger één keer per jaar op vakantie, nu gaan mensen drie, vier keer weg. Dat kost geld. Verzamelaars die niet op reis gaan om hun collectie te verrijken, bestaan niet meer. Vroeger werd er toch ook anders gekocht dan nu : de koper liep musea af en documenteerde zich beter. Ja, dat is zo. Onze tragiek bestaat erin dat ik en dat is misschien wel sterker in Nederland dan bij jullie veel minder gelezen heb dan mijn vader. En mijn kinderen gaan nog minder lezen. En toch beweren we dat we meer weten dan vroeger : dat is pocherij. Alles is toegankelijker, maar de vraag is of we zoveel kennis kunnen absorberen. De markt wordt overspoeld met oppervlakkige boekjes vol foto's. Dus de kennis van de doorsneekoper laat het afweten. Maar je vindt wel meer boeken over merktekens en signaturen van kunstenaars, die veel bijval kennen. Juist, want mensen kopen graag wat ze terugvinden in boeken, zoals zilver waarop merkjes staan, of schilderijen met een signatuur. Gemakkelijk werk. Objecten waarvoor zuiver fingerspitzengefühl nodig is, zoals middeleeuwse beelden, zijn minder in trek. En er zijn ook minder kenners voor. Ik was laatst bij een handelaar in Amsterdam, gespecialiseerd in oude beelden. Die vertelde me dat hij de grootste moeite had om iemand te vinden die net zoveel wist als hij, om zijn mening over een stuk te kunnen toetsen. Het is waanzinnig belangrijk om iets met vier ogen te bekijken. Het heeft ook met een maatschappelijke evolutie te maken. Onze maatschappij verjongt zich steeds. Wie in onze handel het oog wil ontwikkelen met kennis en ervaring, moet geduld hebben : dat duurt jaren. Dat is het probleem : er is geen tijd meer voor. Er is ook een sociale evolutie aan de gang : de kopers uit de middenklasse verdwijnen, kunst verzamelen wordt iets voor rijkelui. Dat merk je het best op de Antiekbeurs van Maastricht. Zijn voorganger, de beurs van Delft, was voor liefhebbers bedoeld. Het was een meer bescheiden gebeuren. In Maastricht vloeit de champagne. Kijk ook naar het wagenpark bij de openingen : dat is redelijk indrukwekkend. Door die maatschappelijke verschuiving raken veel objecten niet meer verkocht. Voor antiek uit de middenmoot is er weinig interesse. Ook al is het puik van kwaliteit, het is niet voyant genoeg, gekend of prestigieus. Je kan toch als rijke burger niet meer uitpakken met een collectie tegels of Delftse bordjes ? Nee, dan moet je spectaculaire stukken kopen, vormstukken als paarden of koeien. Is de klassieke handel ook niet veel kopers kwijtgespeeld aan de brocanteurs ? Zeker, de verzamelwaarde van bijvoorbeeld beren, poppen of speelgoed is groot, ook de decoratieve waarde. Twintig beren in een interieur ogen voor velen charmanter dan zes Delftse borden. Wat zijn de trends voor de toekomst ? Een moeilijk te beantwoorden vraag, want we hebben alles al gehad, zelfs design uit de fifties is al een poos in. Design zal het trouwens nog beter gaan doen. Dat duurt nog even. Uiteindelijk moet je het zo zien : de stoel van Mies van der Rohe is de opvolger van de Louis Seize-bergère die ook zo lang meeging. Mensen voelen zich nu meer vertrouwd met de stoel van Mies, die ze overal zien staan : dat is van belang. De twintigste eeuw wordt steeds belangrijker ? Zeker naarmate jonge generaties teruggrijpen naar een steeds recenter verleden. Het ?verleden? is een ander begrip geworden dan vroeger. Je hoeft maar naar de toptien te luisteren en je hoort vijf remakes van hits uit de jaren zeventig of tachtig. Zo snel gaat dat. Dus meubels van de jaren twintig tot vijftig behoren al tot het domein van de design-klassiekers. En in de volgende eeuw ? Dan zal de trend zich nog verder doorzetten, want dan wordt al wat uit de twintigste eeuw komt opeens veel ouder : dat bezorgt het een extra mysterieus en aantrekkelijk tintje. Maar naast die sneller veranderende modegolven zijn er toch ook langzame trends die langer meegaan ? Er zijn inderdaad blijvende statussymbolen. Zo komen de impressionisten altijd weer boven. Ik organiseer nu bijvoorbeeld veilingen in Singapore voor de Indonesische markt. Rijke Indonesiërs kopen er natuurlijk eerst wat binnen hun eigen achtergrond valt, zoals schilderijen met vulkanen of met Balische schoonheden op, die hier in Nederland niet te slijten zijn. In tweede instantie zie je ginds al de eerste Renoirs en Van Goghs in Djakarta verschijnen. Daar doen de impressionisten het weer. Dat geldt ook voor de kunst uit de oudheid, zoals Romeinse beelden. Is de kunst- en antiekhandel wel zo internationaal als de veilinghuizen en grote antiekbeurzen ons willen doen geloven ? De handelaren reizen, maar de kopers blijven thuis. Voor Vlaamse impressionisten en expressionisten bestaat er bijvoorbeeld over de grens nauwelijks belangstelling. Ooit was er in Parijs een grote tentoonstelling over de Haagse School. De Nederlandse kunsthandel riep verheugd uit dat deze school nu ook internationaal zou doorbreken. Maar de prachtige grijze zeegezichten vonden ginds geen koper. Het regionalisme zit diep. Het is zelfs zo dat je een schilderij van Breitner, toch een van onze grote nationale meesters, beter in Amsterdam verkoopt dan in Rotterdam... Het publiek is zo geconditioneerd. Het betekent ook dat al die prachtige Nederlandse meubels onverkoopbaar zijn in het buitenland, want daar willen ze liever Engels meubilair. Ondanks de internationalisering sluiten veel mensen zich op in hun eigen cultuur. Een Frans boek over meubelkunst vergeet het meubilair over Nederland en Duitsland, waar hun beroemdste ebenisten vandaan kwamen. Dat klopt. Er is niet zoveel veranderd. Je kan zo een internationale toptien maken van het soort dingen die alle grenzen overstijgen. Kijk maar naar de interieurs van beroemdheden die door Sotheby's of Christie's worden geveild. Daar staat onherroepelijk een Franse Louis Quinze-commode in met een collectie Meissen-porselein, maar geen Duitse commode. Voorts de klassieke buste van een Romeinse keizer, een paar Perzische tapijten, Engelse en geen Franse stoelen. Dat zijn de ingrediënten van een internationaal appartement dat zich zowel in Parijs, in Londen als in New York kan bevinden. Er bestaan ook varianten van, georiënteerd naar de empirestijl toe, zoals het interieur van Andy Warhol. Maar een flat opgesmukt met Duitse barok kom je nooit tegen. Zo'n vaste collectie moet je ook hebben in moderne flats of lofts met hedendaagse kunst, maar dat is niet echt mijn domein. Dat wijst allemaal op veel oppervlakkigheid, maar toch stellen we vast dat de persoonlijkheid van de mensen weer meer gaat doorwegen. En dat de hang naar kennis groter wordt. Velen volgen cursussen over kunst en antiek. Het doet me ook genoegen te zien dat dit aanzet tot kopen. Het is leuk om kennis op te doen en daarmee iets aan te vangen. Uw tv-programma draagt ook bij tot het populariseren van antiek. Dat is ook mijn bedoeling. Daarin hou ik niet altijd rekening met de trends of durf er ook tegenin gaan. Je moet de mensen iets bijbrengen. Hen laten zien dat het achttiende-eeuwse porseleinen kopje van 150 gulden de moeite loont om naar te kijken. Het is meer dan een object : er gaan ook zes eeuwen van drinken uit een kopje aan vooraf. Zo kan je leuke verhalen vertellen waar veel nieuwsgierigheid voor bestaat. Ik stel dus een soort kentering vast, maar de verzamelwoede wordt nooit meer zo hevig als vroeger.