Er passeert een luxewagen met op de flank: diesel, in sierlijke letters die in het zonlicht fonkelen. Tot voor kort was dat brandstoftype iets om mee uit te pakken. Nu is het een schandvlek geworden en kun je evengoed kankerkachel op een dieselauto zetten.
...

Er passeert een luxewagen met op de flank: diesel, in sierlijke letters die in het zonlicht fonkelen. Tot voor kort was dat brandstoftype iets om mee uit te pakken. Nu is het een schandvlek geworden en kun je evengoed kankerkachel op een dieselauto zetten. Ik denk aan een meneer die over deze gang van zaken wellicht enige droefheid zou voelen: Rudolf Diesel. 'Geboren 18 maart 1858 in Parijs - Overleden 29 september 1913 in Het Kanaal', meldt Wikipedia. Dat is een eigenaardige plek om de pijp uit te gaan. Je verwacht een dorp of stad, geen zeestraat tussen Groot-Brittannië en Frankrijk. Zijn laatste dagen bracht Rudolf door in België: hij bezoekt de Wereldtentoonstelling die dat jaar in Gent plaatsvindt. Vanuit Antwerpen neemt hij de boot naar Engeland, en dineert 's avonds nog met zijn gezelschap. De volgende ochtend blijkt hij onvindbaar. Zijn bed is onbeslapen, zijn bagage ongeopend. De zee is rustig en een ongeval zo goed als uitgesloten. Diesel had geldzorgen en sukkelde met zijn gezondheid. Sommigen vermoeden dat hij overboord is gesprongen. Complotdenkers zien nog een andere mogelijkheid: de Duitse geheime dienst heeft de uitvinder vermoord omdat hij ging onderhandelen over het gebruik van zijn motor in Britse onderzeeërs. Of was het dan toch de petroleumlobby, die not amused was over Diesels voorkeur voor biobrandstof? De kans is klein dat de ware toedracht ooit nog boven water komt - in tegenstelling tot het lichaam van Rudolf. De bemanning van een Hollands loodsschip ziet het op 10 oktober drijven ter hoogte van de Zeehondenplaat, voor de monding van de Oosterschelde tussen de eilanden Noord-Beveland en Schouwen. 'In de banken daar', schrijft Eugen Diesel met gevoel voor dramatiek, 'rust waarschijnlijk het gebeente van mijn vader.' In de decennia daarop wordt de naam Diesel onsterfelijk. Je komt hem overal tegen, van vulpistolen in tankstations tot de kofferdeksels van miljoenen auto's. Maastricht en Amsterdam hebben elk hun Rudolf Dieselstraat. De beeltenis van de uitvinder staat zelfs op een Cubaanse postzegel. Sommige mensen voelen zich met hem verbonden als met een dierbare vriend. "IK REKEN ER OP DAT U DE LEUGENS OVER DIESEL DE WERELD UIT HELPT!!!!!!!!", mailt een lezer mij met een overvloed aan uitroeptekens en hoofdletters. "Gisterenmiddag waren wij met 4 vrienden uit de automobielwereld samen: 4 80-jarigen met elk ± 40 jaar gewerkt in de buurt van zware dieselvoertuigen. Elk van ons kan getuigen géén hinder te hebben van jarenlang in dieseldampen gewerkt te hebben!!!" Klopt ongetwijfeld, denk ik dan - zoals je eeuwelingen vindt die een leven lang gerookt hebben. Het is een prettige vaststelling dat er altijd iemand de dans kan ontspringen, al zie ik de toekomst toch eerder elektrisch. Ondanks mijn sympathie voor onfortuinlijke Rudolf, word ik enthousiaster van die andere oproep die ik in mijn mailbox aantrof: 'Oorlog aan het gazon! Kies voor het symfonisch kleurspektakel van een bloemenweide. De wereld kan toch echt wel die opfleuring gebruiken, in plaats van dat saaie, monotone groen?' Ik heb weide geschud uit een pakje, en laat deze zomer het gras groeien.