Om iets van de Duitse wijn te begrijpen, is een inzicht in het appellation-systeem onontbeerlijk. Franse wijnen worden geklasseerd volgens hun geografische oorsprong, waaraan (min of meer) constante traditionele oenologische regels en gebruiken zijn verbonden. Zo wordt rode wijn uit Gevrey-Chambertin benoemd met de gemeentenaam, en weet men daarbij automatisch dat hij alleen van pinot noir-druiven mag worden gemaakt. De Franse appellation impliceert dus het type én een zekere gemiddelde kwaliteit (die wel met de millésimes kan variëren).

In Duitsland echter maken origine en kwaliteit het voorwerp uit van aparte klasseringen. De origineladder, van klein naar groot, is wel te vergelijken met de Franse appellation-waterval. In Duitsland begint men namelijk ook bij de individuele wijngaard, de Einzellage (de Franse cru), waarvan er 2600 verschillende zijn, bijvoorbeeld Piesporter Goldtröpfchen. Vandaar gaat men naar een Grosslage, waar er nog maar 152 van zijn, bijvoorbeeld Piesporter Michelsberg. Dan komt één van de 34 Bereich-namen, zoals Bernkastel, om te eindigen bij een van de 13 namen van een groot Anbaugebiet, bijvoorbeeld Mosel-Saar-Ruwer.

De grote landelijke benamingen als Tafelwein (geheel Duitsland), of Landwein (een bepaalde streek, bv. Landwein der Saar) of zelfs Qualitätswein bestimmter Anbaugebiet (QbA), zijn te vergelijken met de Franse Vin de table of Vin de Pays. Ze moeten minimale natuurlijke alcoholgehaltes halen (voor Tafelwein 5,3 °, voor Landwein 6,6° en voor QbA 7,2°), en mogen verrijkt (gechaptaliseerd) worden.

Maar vanaf het niveau Grosslage kan men onder dezelfde originenaam wel vijf verschillende kwaliteiten ( Prädikaten) vinden, naargelang van het zoetgehalte van de geoogste most. Vanaf dit origineniveau spreekt men van Qualitätswein mit Prädikat, gaande van Kabinett met minstens 162 gram zoet per liter most, over Spätlese (193 g/l), over Auslese (217 g/lit), Beerenauslese en Eiswein (292 g/l), om te eindigen bij de onmogelijk rijke Trockenbeerenauslese met 355 g zoet per liter sap.