In Asheville, North Carolina, bouwde George Washington Vanderbilt III zijn droomhuis. Een vreemde mengeling van Franse renaissancekastelen en Engelse Victoriaanse landgoederen.
...

In Asheville, North Carolina, bouwde George Washington Vanderbilt III zijn droomhuis. Een vreemde mengeling van Franse renaissancekastelen en Engelse Victoriaanse landgoederen.Tessa Vermeiren Toen Jan Aertsen van der Bilt in 1650 van Nederland naar Amerika emigreerde en boer werd op Staten Island, zal hij wel nooit vermoed hebben welke folies zijn afstammelingen over het grondgebied van het nieuwe continent in de loop van de komende eeuwen zouden rondstrooien. Cornelius Vanderbilt was degene die de grondslag legde voor het familiefortuin. Hij begon een veerpont tussen Staten Island en Manhattan en had al snel een vloot van 100 stoomboten over de oceanen varen. Hij was ook degene die in de States zwaar investeerde in de spoorwegen in de tweede helft van de 19de eeuw. Het monumentale Central Station heeft New York aan hem te danken. Zijn zoon William Henry Vanderbilt schonk de stad ook de Metropolitan Opera. Later bouwde hij een huis met 58 kamers aan 5th Avenue, op de plek waar nu het beroemde warenhuis Saks gevestigd is. Hij stichtte ook de Medical School of Columbia University. Een van de acht kinderen van William, George, de intellectueel van de familie die niet zo gek was op het zakenleven, reisde de wereld rond en zocht een plek om zich te vestigen, ver van de City. Asheville in North Carolina was op het eind van de 19de eeuw het trendy oord waar de rijke en invloedrijke Amerikanen heengingen voor hun gezondheid. De trein, toen nog vrij nieuw, bracht hen naar de zuidelijke Appalachen met hun goede lucht, hun bronwater en het milde klimaat. Toen George Vanderbilt in 1888 met zijn moeder ging kuren in de bergen, werd hij gegrepen door de omgeving en besloot hij om stukje bij beetje een deel van de streek op te kopen en uit te bouwen tot een domein dat in de eigen behoeften kon voorzien. Lapje voor lapje werd hij eigenaar van wat hij later Biltmore zou noemen, in herinnering aan de Bilt in Nederland waar zijn voorouders vandaan kwamen. Om u een idee te geven : Biltmore bestreek toen een keurig vierkant domein van ongeveer 22 bij 22 km. Het land zag er niet uit zoals George Vanderbilt het wou, dus nam hij Frederick Law Olmsted in dienst, een landschapsarchitect van Deense afkomst die ook Central Park in New York aanlegde. Olmsted zette de natuur naar zijn hand. Nu, bijna een eeuw later, is het een harmonieus geheel van golvende weiden, ruige bospartijen, beschaafde tuinen, waterloopjes. Een pastorale idylle. George Vanderbilt was weg van de kastelen van de Loire. Dus gaf hij opdracht aan zijn architect Richard Morris Hunt, de man die ook de voorgevel van het Metropolitan Museum of Art in New York tekende, om die sfeer op Biltmore te herscheppen. En inderdaad, de gevel komt over als een oude bekende. Er zitten elementen in van Blois, Chenonceau en Chambord. Hunt was de eerste Amerikaan die aan de Parijse Ecole des Beaux Arts gestudeerd had, en was in zijn tijd een veelgevraagd exoticum in Amerikaanse societykringen. Binnen in Biltmore House is alleen de immense banketzaal in die renaissancesfeer gehouden, voor het overige is het reusachtige huis met zijn 250 kamers een eclectische mengeling van Europese stijlen. Veel van de decoratie en meubels werd door schitterende ambachtslui gekopieerd naar voorbeelden uit het oude continent. Meer dan 1000 mensen werkten meer dan 6 jaar aan Biltmore Estate. Er werd een privé-spoorlijn van 5 kilometer aangelegd om de bouwmaterialen aan te voeren. Later kwam die van pas om de talrijke gasten met hun omvangrijke bagage naar het domein te brengen. Toen op kerstavond 1895 voor het eerst gasten arriveerden in Biltmore House, benaderde het de perfectie. George Vanderbilt had een kasteel geschapen dat het schrijn werd voor zijn omvangrijke kunstcollectie : Vlaamse en Franse 16de-eeuwse wandtapijten, houtsneden van Dürer, schilderijen van Renoir, een plafondschildering van Pellegrini, afkomstig uit het Palazzo Pisani in Rome. William Vanderbilt was een verzamelaar van bronzen, van klokken, van oriëntalia, van meubels in de meest diverse stijlen. Voor het eerst werd in Amerika in een gebouw van die omvang (de constructie begon in 1889) alle modern comfort gebruikt : koelkamers, elektrische liften, centrale verwarming, een waterleidingssysteem dat gevoed werd door een bergmeer. Kroonluchters met Edisons wonderlijke gloeilampen zetten de kamers, gangen en het gigantische trappenhuis in een gloed van licht. Er was een indoor zwembad en een bowlingbaan voorzien. En een hele vrijgezellenvleugel waar de mannen van het altijd drukke gezelschap bij het roken van pijpen en sigaren ongestoord luidruchtig konden discussiëren over de jacht, politiek en zaken. Met al dat comfort werkte er nog 80 man personeel op Biltmore Estate. Buiten het huispersoneel waren er ook talrijke tuiniers en stalknechten. Op een eigen boerderij werden graan, groenten en fruit verbouwd. Ook vlees en zuivelproducten kwamen van de dieren die op het landgoed zelf gekweekt werden. Biltmore Estate was de volmaakte droom van een schatrijk man. George Washington Vanderbilt ging er ook prat op sociaal voelend te zijn. Hij kocht het nabijgelegen plaatsje Best, doopte het om tot Biltmore Village en bouwde er huizen met centrale verwarming en waterleiding voor de bevolking, maar ook een school en een ziekenhuis. Hij stichtte een huishoudschool en de eerste school voor bosbouw in Amerika : de Biltmore Forest School. Biltmore Industries was een bedrijfje waar jongelui uit de omgeving in de leer konden om een ambacht te leren zoals houtbewerking en weven. Door het plotse overlijden van George Vanderbilt in 1914 kwam er een einde aan de idylle. Zijn echtgenote, Edith Stuyvesant Vanderbilt, zag zichzelf niet in staat om het omvangrijke domein te beheren. Ze schonk in 1915 alle bossen weg aan de staat, en dat werd de kern van wat nu Pisgah National Forest is. In 1917 deed ze Biltmore Industries van de hand en in 1921 Biltmore Village. Het domein beslaat nu nog geen tiende van wat het bij de aanvang was. Nadat haar moeder in 1925 hertrouwde, bleef Cornelia Vanderbilt er wonen. In 1930 al zette ze voor het eerst de deuren van dit bizarre domein open voor het publiek. En toen in de Tweede Wereldoorlog Washington bedreigd werd met luchtaanvallen, diende Biltmore House als schuilplaats voor ontelbare kunstwerken van de National Art Gallery. In 1960 kreeg Biltmore Estate zijn tweede adem. De zonen van Cornelia Vanderbilt, John en William Cecil, besloten het domein op een commerciële manier te exploiteren. Het immense huis en de tuinen werden helemaal opgefrist en gedeeltelijk, voor wat het huis betreft, opengesteld voor het publiek. De zuivelproducten en het ijs van de boerderij, de wijnen van eigen productie en jam gemaakt met fruit van het domein werden op de markt gebracht. Biltmore Estate had een grote tuinierstraditie, en ook dat wordt nu te gelde gemaakt door het verkopen van planten die op het domein gekweekt zijn. Mensen komen in het voorjaar van heinde en ver om duizenden tulpen en later azalea's te zien bloeien. De indrukwekkende bibliotheek, met aan het plafond de Pellegrini uit het Romeinse Palazzo Pisani.Boven : elementen van de kastelen van de Loire (Blois, Chenonceau en Chambord) in één bouwwerk verenigd. Onder : een rijke collectie 16de-eeuwse Vlaamse wandtapijten in de muziekzaal.