Raymond Voinquel werkte bijna vijftig jaar als setfotograaf. Hij was onder andere geobsedeerd door filmsterren, wiens gezichten hij in mysterieuze iconen transformeerde.
...

Raymond Voinquel werkte bijna vijftig jaar als setfotograaf. Hij was onder andere geobsedeerd door filmsterren, wiens gezichten hij in mysterieuze iconen transformeerde.Jesse Brouns Hij heeft in zijn tijd zowat alle diva's van de Franse cinema gefotografeerd, actrices van wie we de namen in de meeste gevallen nog niet vergeten zijn, al scheelt het soms niet veel. Arletty, Edwige Feuillère, Danielle Darrieux, Annabella. Meestal poseerden ze voor Raymond Voinquel op filmsets, tussen twee scènes in, moe en gehaast. Af en toe kwamen ze bij de fotograaf thuis, op het nummer 12 bis van de rue de l'Etoile een ruimte die tegelijk dienst deed als salon, slaapkamer, bureau en studio. Op de foto's lijken de actrices ver weg, ontoegankelijk, majestueus. De acteurs zijn op hun beurt ernstig en elegant, hun door duisternis omringde gezichten als raadsels. Het licht lijkt van een andere tijd, geleend van de doeken van Caravaggio of Vermeer. Raymond Voinquel (1912-1994) schiep legendes. Mythes. Hij gaf een gezicht aan bijna vijf decennia cinema. Hij fotografeerde meer dan honderdvijftig Franse en enkele buitenlandse films. Door de geschiedenis vergeten kostuumdrama's, maar ook meesterwerken, zoals Le jour se lève, What's new Pussycat en Lola Montès. Zijn portretten hingen gespijkerd in de slecht verlichte vitrines van talloos veel bioscopen, in Frankrijk en in de rest van de wereld, in grote steden en in kleine dorpjes. Ze verschenen ook op de covers van de Franse filmpers, in al lang tot stof vergane bladen met namen als Cinèmonde en Pour Vous. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij voor de legendarische Studio Harcourt in Parijs, gespecialiseerd in portretfotografie. Hij waagde zich aan de mode en liet ook graag persoonlijkheden uit de werelden van kunst en literatuur poseren, wat dan meestal resulteerde in onrustige portretten van angstige mensen. Tijdens zijn reizen maakte hij foto's van landschappen. Steden en bomen. Liefst in het ochtendlicht, of anders ogenblikken voor het vallen van de duisternis. Het liefst nam hij foto's van jonge mannen, in poses die verwijzen naar de mythologie, de schilderkunst, de literatuur. Hij schoot Sint-Sebastiaans, veelvouden van Narcissus en Apollo, matrozen in de stijl van Jean Cocteau en Jean Genet. Hij gebruikte licht en wetenschap om zijn modellen op marmeren beeldhouwwerken te laten gelijken. Of integendeel, om ongewenste vormen te verzachten. Gedroomde perfectie, niet zo heel verschillend van het oeuvre van Pierre et Gilles, die zichzelf bewonderaars noemen van Voinquel. Net als Bruce Weber, de fotograaf van honderd-en-één campagnes voor merken als Versace en Calvin Klein. Weber ontmoette Voinquel enkele jaren voor diens dood en heeft een aantal portretten in zijn privé-verzameling. Voinquel was de zoon van een slager. Zijn grootouders hadden een hotel in de Vogezen, het indrukwekkendste gebouw van de streek, met glasramen, schilderijen in trompe-l'oeil, en van Rome afgekeken kolommen. Zijn grootmoeder gaf hem lessen in de kunstgeschiedenis. Ze toonde hem tekeningen, aquarellen en zware, in leder gebonden boeken met illustraties van Gustave Doré. Zijn ouders gingen uit elkaar toen hij vijftien was. Zijn moeder nam hem en zijn jongere zus mee naar Parijs. Zij vond er werk als caissière in een brasserie. Zoonlief kon in hetzelfde etablissement aan de slag als portier, zijn zus Andrée als sigarettenverkoopster. Ze deelden een kamertje, waren arm en miserabel. Voinquel, die al lang niet meer naar school ging, droomde van een carrière als filmacteur. In 1928 kreeg hij een figurantenrol in een verfilming van Monte-Cristo. Een superproductie, althans naar de normen van toen, en een van de laatste belangrijke stille films die gedraaid werden in de legendarische studio's van Boulogne-Billancourt. ?Ik vond het goddelijk,? verklaarde hij later. Maar er kwam geen vervolg op die eerste ervaring. Voinquel overleefde. Als afwasser in eenbistrot van de rue des Martyrs, als groom in brasserie La Coupole en Hotel Majestic. Telkens als hij het pad kruiste van een filmster vroeg hij om een gehandtekende foto. Een van die vedettes, de Amerikaan Adolphe Menjou, hielp hem mettertijd aan een nieuwe rol. De perfect tweetalige acteur had de Oceaan overgestoken om in de studio's van Joinville een van de eerste sprekende films uit de Franse geschiedenis te draaien, Mon gosse de père. Toevallig logeerde Menjou in Hotel Majestic. Voinquel kon opnieuw figuratie doen. De opnames duurden drie maanden. Tijd genoeg om alle donkere hoeken van de gebouwen te verkennen. En om kennis te maken met Roger Forster, een pionier van de setfotografie. Forster nam de jonge Voinquel maar al te graag onder zijn vleugels, en liet hem nog datzelfde jaar zijn eerste foto's maken. Raymond Voinquel zou nooit een Franse Valentino worden. Hij had zijn weg gevonden. In de studio's van Boulogne en Joinville Hollywood aan de Seine leerde Voinquel de hoofdrolspelers van de Franse filmwereld kennen. Hij fotografeerde de sterren van zijn tijd. De actrices Yvonne Printemps, Simone Simon en Edwige Feuillère. De jeune premiers Jean Weber en Michel Simon. Cinèmonde begon Voinquels werk te publiceren. Een portret van Annabella in de film La veille d'armes werd vergezeld van het commentaar ?Enfin une magnifique photo française !?. De Franse pers had meer dan genoeg van films uit Hollywood en het promotiemateriaal dat erbij hoorde. Voinquel schonk hen een alternatief. Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Voinquel beschouwd als de gelijke van de grote glamourfotografen. Zijn mooiste foto's werden op glanspapier gedrukt, en in de vorm van postkaarten verkocht. Hij was nauwelijks vijfentwintig, een fabrikant van iconen. Voinquel gaf vorm aan de fantasmes van jonge actrices. Van een doodgewoon provinciemeisje boetseerde hij een nimf zonder gebreken. Licht en techniek als magie. Zoals de actrice Michèle Morgan opmerkt in het boek dat onlangs over Voinquel verscheen : ?Ik wou mijn gezicht overgeven aan de bewondering van tienermeisjes en hun scharen. Uitgeknipt worden, opgehangen aan een muur of bewaard in een boek dat was succes.? Een zitbeurt bij Voinquel vormde de sleutel tot dat succes. Maar niet altijd. Want Voinquel maakte ook foto's die niemand mocht zien. Erotische foto's, van jonge mannen. Zoals Jean Marais, de beginnende acteur die hij naakt liet poseren. Marais werd pas enkele maanden later razend populair, op de planken van een theater in Parijs. Daar speelde hij de hoofdrol in Les Parents Terribles, het toneelstuk van Jean Cocteau, met wie hij een appartement deelde. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, ging Voinquel in dienst bij de cinematografische dienst van het Franse leger. Later vond hij werk bij de fotostudio Harcourt rijke dames op leeftijd kwamen er voor hun portret poseren. Dikwijls hadden ze als voorbeeld een oude foto van Danielle Darrieux op zak, of een prentje van een andere vooroorlogse ster. Dan zuchtte Voinquel eens diep. Hij verlangde naar de sfeer van de filmsets. Kon het hem wat schelen dat hij bij Harcourt de enige fotograaf was die zijn werk met naam mocht ondertekenen. De oorlog duurde te lang. En de oorlog ontnam hem zijn geliefkoosd zusje, Andrée, die om het leven kwam tijdens een bombardement in Biarritz. Nieuwe tijden, nieuwe gezichten. Serge Reggiani, Yves Montand, Gérard Philippe. Voinquel ontdekte een opvolger voor Marais, een amateurbokser. Jacques Sernas had een lichaam als een Grieks standbeeld, maar een lief, nog erg jong gezichtje vergelijk het met Marky Mark Wahlberg, enkele jaren geleden. Sernas was in Auschwitz van een gewisse dood ontsnapt. Voinquel bleef verschillende maanden geobsedeerd door zijn lichaam. Hij liet hem voor zijn objectief erotische poses aannemen, maar trachtte de jongen ook aan werk te helpen. Resultaat : een rol als skimonitor in La Revoltée van L'Hervier, en een rol als bokser in L'Idole, naast Yves Montand. Voinquel verloor zijn bokser in Venetië, springplank voor de bijna uitsluitend Italiaanse filmcarrière van Sernas. Ondertussen nam in Parijs de elite uit Hollywood voor zijn toestel plaats. Burt Lancaster, Tony Curtis, Audrey Hepburn, Myrna Loy, Olivia de Havilland en Gary Cooper kwamen allemaal films draaien in Frankrijk. Voinquel was zwaar onder de indruk van hun onberispelijk, professioneel gedrag. Heel anders dan de brutale Françaises die alleen wilden poseren als het hen uitkwam. In 1959 werd de Nouvelle Vague ingeluid. Zeventien jonge regisseurs, onder wie François Truffaut, Jean-Luc Godard, Claude Chabrol en Louis Malle, riepen de revolutie uit. De generatie van Voinquel werd van de kaart geveegd. Oud, reactionair, en dus rijp voor het bejaardentehuis. In de jaren zestig stierf het metier van setfotograaf een stille dood, althans in Frankrijk. Reportagefotografen bleken effectiever, en vooral goedkoper. De werkmethodes van de oude generatie waren te omslachtig voor de snelle sixties. Te lastig voor de regisseurs en acteurs die steeds minder tijd te verliezen hadden. Voinquel vond nog werk. Hij fotografeerde op de sets van maar liefst zeven films met Jean-Paul Belmondo. Maar het hoefde voor hem niet meer zo nodig. Hij trok zich terug in zijn appartement van de rue de l'Etoile. Hij kloeg over de acteurs en actrices van wie hij goden en godinnen had gemaakt, maar die nu niets meer van zich lieten horen. In 1979 werd zijn oeuvre voor het eerst tentoongesteld, niet ver van zijn geboortedorp, in de woeste Vogezen. Vier jaar later onthulde hij zijn erotische portretten, gedrenkt in de sfeer van de boksring, de haven, de legerkazerne. Hij werd geroemd om zijn moderniteit, op één lijn gesteld met George Platt Lynes en Horst P. Horst. Maar het was al te laat, Voinquel fotografeerde niet meer. Hij stierf in 1994, in de nacht van een quatorze juillet. Raymond Voinquel, Les acteurs du rêve, tot 4 januari 1998 in het Hôtel de Sully, Parijs (metrostation Saint-Paul). Bij Les Editions du patrimoine/Le Seuil verscheen een gelijknamig boek met een rijke keuze foto's, met tekst van Christophe Berthoud. Zelfportret, 1938.Edwige Feuillère bij haar thuis, 1947.De gevangene met de roos, voor het parfum Bandit van Piguet, 1943.