Is het dan toch waar dat we een ziel bezitten die onsterfelijk is ? Met die woorden in mijn hoofd word ik wakker, op de ochtend van wat nochtans geen hoogdravende dag lijkt te worden, maar een doodgewone zondag die zijn naam eer aandoet. Hoewel ik dat strikt genomen niet kan weten (de overgordijnen zijn dicht), ben ik er vast van overtuigd dat buiten de zon schijnt. Ik zou daar mijn hand voor in het vuur durven steken, er gif op durven innemen of wat voor imbeciele spreuken het Nederlands daar verder voor in petto heeft. Ik ruik het gewoon, dat de zon schijnt. Ik hoor het aan de geluiden op straat, die anders klinken dan wanneer het bewolkt is. Als je maar hard genoeg je best doet, voel je zelfs op klompen en geblinddoekt wat voor weer het buiten is.
...

Is het dan toch waar dat we een ziel bezitten die onsterfelijk is ? Met die woorden in mijn hoofd word ik wakker, op de ochtend van wat nochtans geen hoogdravende dag lijkt te worden, maar een doodgewone zondag die zijn naam eer aandoet. Hoewel ik dat strikt genomen niet kan weten (de overgordijnen zijn dicht), ben ik er vast van overtuigd dat buiten de zon schijnt. Ik zou daar mijn hand voor in het vuur durven steken, er gif op durven innemen of wat voor imbeciele spreuken het Nederlands daar verder voor in petto heeft. Ik ruik het gewoon, dat de zon schijnt. Ik hoor het aan de geluiden op straat, die anders klinken dan wanneer het bewolkt is. Als je maar hard genoeg je best doet, voel je zelfs op klompen en geblinddoekt wat voor weer het buiten is. Hetzelfde geldt voor die onsterfelijke ziel. In de rare droom die ik had, was het bestaan daarvan zo onomstotelijk dat ik het belachelijk vond dat ik er ooit aan had durven twijfelen. Er deden veel wolken mee in die droom, van het suikerspinachtige type, en een meisje met een glimlach die mij tranen in de ogen gaf. Ze reikte mij glazen aan waarin ijsblokjes tinkelden. De soundtrack was My heroics, part one van Absynthe Minded. Zoals wel vaker daagden er ook enkele aflijvigen op in mijn droom, die dingen zeiden van een onpeilbare schoonheid. Het was zo'n droom met een eindeloze aftiteling, van het soort dat mijn grootvader op zijn zwart-witte televisietoestel helemaal uitkeek, om dan geïmponeerd te zeggen : "Zie hoeveel volk erin meespeelde. Wat een straffe fielm." De langgerektheid van zijn "i" verleende het woord een importantie uit vervlogen tijden. Nog is de slaapkamer in diepe rust gedompeld. Het licht is blauwig door de glasgordijnen, die met hun paarse glans aan Marrakesh doen denken, en de ruimte toch een glimp verlenen van de verhalen van duizend-en-één-nacht. Zoals steeds kijken de twee cherubijntjes, van wie het ene een beschadigd elleboogje heeft, dromerig de kamer in. Ik zou ze hier nu niet meer hangen, afkerig van sprookjes als ik de afgelopen jaren ben geworden. Een Arabier met een gezicht van gelooid leer kijkt van op zijn kameel ondoorgrondelijk de kamer in. Op de achtergrond het Atlasgebergte. Geschilderd door mijn vader in de jaren 1960, toen Marokko nog een exotische plek was. Dan valt mijn blik op de kast. De oude kast van donker hout met haar marmeren blad, waarop een groengeblokte lampetkom staat en een lampetkan waarmee zich ooit misschien nog blanke maagden hebben gewassen, of anders wel een oude non. Ik heb ze altijd mooi gevonden, die kast, hoewel er zoals aan wel meer mooie dingen een ellendig verhaal aan vastzit. Ze komt namelijk uit de inboedel van een nogal gruwelijk vermoorde man. Attributen in het verhaal zijn onder meer een stuk touw, een mondprop en een herdershond. Ik heb me altijd afgevraagd of de kast daardoor ongeluk zou brengen, boze dromen misschien, maar tot dusver heb ik daar niet veel van ondervonden. Zelfs in het holst van de nacht staat ze daar zwijgend in het maanlicht. Nooit heb ik ze horen krijsen. Altijd staat zij daar onbewogen en stom, met haar spiegel en tegeltjes van blauw azuur. Zo onverschillig zijn voorwerpen, dat ze geen zweem van onze haat en smart opslaan in hun atomen, maar ongestoord doorgaan voorwerp te zijn, waar zij in vorige levens ook toe gediend mogen hebben. Soms wou ik dat ik even onverschillig kast kon zijn. Soms wou ik dat ik haar geluiden en verhalen kon aftappen met een apparaat van eigen vinding. Niet vanochtend, echter, want vanochtend is vredig en stil. Zo stil zelfs dat ik terug indommel en weer in dromen verzink. De soundtrack is vrolijker geworden : Here comes the sun van The Beatles, een groep die ik lang voor ouwe zakken heb versleten maar waar ik af en toe weer naar luister. "De zwangerschap van de kat", zegt iemand buiten beeld met indringende stem, "bedraagt 65 dagen." Die woorden raken mij. Ze lijken een wijsheid te bevatten die mij uit de sokken slaat. Als ik de overgordijnen open, schijnt buiten inderdaad de zon. Ze valt de kamer binnen als op een schilderij van Hopper, met een licht dat volstrekt amoreel is en een soort hoop voor de wereld bevat. Wat er verder ook mag gebeuren. jean-paul mulders