Op een terras aan de overkant wappert een hemd aan een waslijn. Het flappert verontwaardigd met zijn armen, alsof het de toevallige toeschouwer wil waarschuwen voor brandschattende Hunnen of Goten of voor hedendaagse, moeilijker te benoemen belagers. Het heeft dezelfde kleur als de PMD-zak op het onderliggende terras, allicht verpakkingen bevattend van melk en water, blikjes waarin sardienen hebben gezeten die allang zijn weggegleden in maagdarmkanalen en vandaar via sterfputten en rioleringsbuizen terug naar de zee, zoals mijn dochter van vijf zich graag laat vertellen, gefascineerd als zij is door voedselpiramides en de kringloop van het water.
...

Op een terras aan de overkant wappert een hemd aan een waslijn. Het flappert verontwaardigd met zijn armen, alsof het de toevallige toeschouwer wil waarschuwen voor brandschattende Hunnen of Goten of voor hedendaagse, moeilijker te benoemen belagers. Het heeft dezelfde kleur als de PMD-zak op het onderliggende terras, allicht verpakkingen bevattend van melk en water, blikjes waarin sardienen hebben gezeten die allang zijn weggegleden in maagdarmkanalen en vandaar via sterfputten en rioleringsbuizen terug naar de zee, zoals mijn dochter van vijf zich graag laat vertellen, gefascineerd als zij is door voedselpiramides en de kringloop van het water. Ergens speelt een radio, daaroverheen ronkt een grasmachine en als kers op de taart krijst er een slijpschijf, een tapijt van geluid dat al even rafelig is als deze kwakkelzomer. Soms is het kil, soms drukt de lucht alsof wij met zijn allen in een lillende klomp gelatine zitten opgesloten. Het is de tijd van wapperende vlaggen en Villa Vanthilt, van springkastelen en mannen die door luidsprekers aan waterkanten onbenulligheden wauwelen. De tijd van braderieën en bierbuiken. De tijd ook van de flipflop. In de poëzie van de elektronische schakelingen, zo leert mij de onverbeterlijke betweter Wikipedia, is dat een bistabiele multivibrator, oftewel een geheugenelement met dubbele excitatie. Dat soort flipflop bedoel ik dus niet, wél het schoeisel dat in nogal wat streken met het woord slets wordt benoemd. Het kleppert tegen hielkloven en biedt vrij zicht op de bovenkanten van bleke tenen, negen van de tien keer behaard, om onduidelijke evolutionaire redenen. Vaak is zo'n slets alleen maar wat onsmakelijk, een enkele keer echter ronduit verraderlijk. DNA from flip-flops links man to Lancaster sex crime, kopte onlangs een Engelse krant. Ik probeerde mij niet al te visueel voor te stellen hoe een onderzoeker huidschilfers van dat loopvlak had zitten schrapen. Ik ben niet het type man dat in shorts naar de werkvloer trekt of bij de minste lik zon halfbloot door de stad fietst. Ik prefereer een graad van gekleedheid, en schoenen die toe zijn als het even kan. Thuis bezit ik nog wel een stuk of wat verweesde sletsen van voorbije zomers. Nooit heb ik die langer dan een uur achtereen kunnen verdragen. Dat riempje tussen de tenen knelt en zeurt bij elke stap, waardoor zelfs het halen van de krant lijkt op een boetetocht. Is het een karakterkwestie, of alleen maar gebrek aan vereelting ? Misschien zijn er gewoon twee soorten mensen : zij die wel en zij die geen teenslippers aan de voet dulden. Flipflops zijn het gedroomde attribuut voor personen die door het leven rollen als was het een zoete, boterzachte substantie. Wie deze sletsen verdraagt, verdraagt wellicht ook een heleboel andere dingen, zoals mannen met voetbaltruitjes waarop Messi staat of Barcelona, massa-evenementen van Radio 2, de eerste dag van de solden of een kranteninterview met Jannie Haek, de socialistische spoorbaas die het gedoe over zijn loon van 485.000 euro "wat beu is". Ter rechtvaardiging grijnst Jannie dat hij zijn sigaretten dan misschien niet meer zelf rolt, maar toch nog zweert bij het 'travaillistische' merk Richmond. Richmond brengt mij bij Bastos, Bastos brengt mij bij Belga en Belga brengt mij bij Jacques, onze vriend des huizes die op lang vergeten zomerdagen koffie tapte uit de gebloemde thermos in de living van mijn grootmoeder. Via de slingerpaden van de vrije associatie beland ik zo toch weer bij de vrouw die mij heeft grootgebracht en die mij, even onbenullig als van wezenlijk belang, kookpotten cadeau deed die nog dienstdoen nu zij er al lang niet meer is. Vier jaar geleden, bijna dag op dag, is zij gestorven in een wereld die nog min of meer betrouwbaar was. Inmiddels heeft de tijd zijn laffe werk gedaan : het gemis voelt niet meer als een grof getande appelboor die mij het hart uit het lijf heeft gedrukt. Het is nu meer een soort gezeur, vergelijkbaar met zo'n losse melktand die je heen en weer bewoog als kind, tussen duim en wijsvinger of onophoudelijk met je tong, en die een gevoel teweegbracht dat zowel knagend, klaaglijk als verslavend was. "Als jouw tanden uitvallen, dan krijg je er geen nieuwe meer, hé papa ?" vraagt mijn dochter in de auto, met die vreemde mengeling van medelijden en klein leedvermaak. "Dat is waar", antwoord ik een beetje onwillig. "Maar je kan dan wel nog valse tanden krijgen hoor", voegt zij er troostend aan toe, want zij is een goedhartig kind, gefascineerd door vreemde talen en geheimzinnige verschijnselen zoals rimpels en koelkastmagneten. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul MuldersWie deze sletsen verdraagt, verdraagt wellicht ook een heleboel andere dingen, zoals mannen met voetbaltruitjes waarop Messi staat of Barcelona