We fietsen op een bosweg, maar Tom ziet niet al te best. De taak om uit te kijken voor wilde beesten valt dus op mijn stevige schouders. Ik steek mijn hand in de lucht, het teken voor Tom om te stoppen. Ik heb iets zien bewegen in het riviertje naast de weg. Heel even denk ik dat het een kaaiman is, maar dan horen we luid gekef en gesnuif: twee otters komen boven water. Ze kruipen op een omgevallen boomstam. Hun gladde lijfjes glinsteren in de avondzon.

Zij, de otters, en wij, de mensen, staren naar elkaar. Zij veel misbaar makend, wij in absolute stilte. Het is de eerste keer dat we otters van zo dichtbij in de volle natuur zien. Ze glijden terug in het water. We stappen op onze fiets. Twintig meter verder duiken ze opnieuw op. "Wat?" krijsen we. "Zijn jullie daar nog steeds?" We stappen opnieuw af en staren weer gefascineerd. Vanachter een boom piepen nog vier andere otters. Ook zij beginnen luid te protesteren. Met zes nu duiken ze in het water en zwemmen ze verder in de richting waarin wij aan het fietsen waren. Vijf keren nog herhalen we ons spelletje van stoppen en staren. Ik denk dat ze ons aan het plagen zijn. Tegen dat het donker is, hebben we nog wilde kalkoenen, reigers, herten en een vos gezien maar geen enkele van de driehonderd zwarte beren die hier leven. Het geeft niet. Alligator River National Refuge is een heerlijke plaats om op de eerste dag van de lente in rond te zwerven. Het uitgestrekte moerasgebied is deel van de Outer Banks (de buitenoevers), een uitgerokken keten van smalle eilanden voor de kust van Noord-Carolina.

We zijn hier in deze zuidelijke staat voor een minivakantie van zes dagen. New York ligt 700 kilometer noordwaarts nog koud te wezen. In Noord-Carolina lopen we vandaag in zomerkledij. De eerste dag van ons verblijf kwamen onze uit New York meegebrachte winterkleren nochtans goed van pas. De zon straalde maar er blies een ijskoude noordoostenwind. De zee kolkte en schuimde als in een Turner-schilderij. Nu komt de wind uit het zuiden. Er liggen nog steeds surfers in het water, maar ze moeten het vandaag met veel kleinere golven stellen.

We zijn hier in de eerste plaats om te wandelen en te fietsen. Elke dag dwalen we door een ander natuurgebied. Op de oevers van een wondermooie verlaten vijver in de maritieme bossen van Buxton Woods liggen schildpadden te zonnen. In het vogelreservaat van Pea Island zien we pelikanen, blauwe reigers, zilverreigers en ibissen. Elk jaar worden hier meer dan 400 vogelsoorten gesignaleerd. De duizenden vogels die we hoog in de lucht in formatie noordwaarts zien voorbijvliegen, zullen binnen enkele dagen boven New York City te zien zijn. Want net als onze stad liggen ook de Outer Banks op de eeuwenoude vogeltrekroute.

In Jockey's Ridge State Park wandelen we door een woestijnachtig landschap naar de top van de hoogste duin aan de oostkust van Amerika. De 50 meter hoge zandberg is een medano, de geologische term voor een rusteloos migrerende duin. Die heeft al een straat, verschillende huizen, een groot hotel en een minigolfterrein in zijn pad begraven. Enkele kinderen zijn met vliegers aan het spelen. Verderop leren mensen deltavliegen. Zweefenthousiastelingen van over heel de wereld komen hier hun sport beoefenen. De wind is big business in de Outer Banks. Wat verder, in het dorpje Kitty Hawk, vloog in 1903 het eerste vliegtuig. De triomf van de gebroeders Wright, twee fietsenmakers uit Ohio, duurde 59 seconden. Hun vlucht wordt herdacht in de Wright Brothers National Memorial, een monument dat elk jaar een miljoen bezoekers lokt. Andere trekpleisters zijn de vier vuurtorens van de Outer Banks. We bezoeken de bekendste, Cape Hatteras Lighthouse, maar we mogen niet naar de top. Er zijn werken aan de gang. De toren, die van 1870 dateert, werd bijna door de zee opgeslokt en werd nog maar onlangs heel voorzichtig 800 meter landinwaarts getrokken.

"Jullie hebben het ideale moment gekozen om naar hier te komen", zegt de uitbaatster van ons hotel. "Als ik kon, zou ik hier elke zomer wegvluchten. Zo'n drie miljoen toeristen strijken hier dan neer. De files zijn verschrikkelijk!" En de insecten ook natuurlijk, want dit is een moerasgebied. Vroeger nog veel meer. De Engelse immigranten die hier in 1585 werden gedropt, de allereerste die op het nieuwe continent kwamen wonen, moeten hebben afgezien. Twee jaar later vluchtten ze al terug naar Engeland. Een tweede kolonie van 100 immigranten verdween mysterieus rond 1590. Tot op vandaag heeft men nog geen spoor van de Lost Colony teruggevonden. Vandaag wonen er 50.000 mensen op de Outer Banks, 30.000 meer dan tien jaar geleden.

Volgende lente komen we terug naar wat er van dit paradijs nog overblijft. Ik wil die zwarte beren zien en misschien op de rug van een Banker Pony, een ras van de streek dat verwant is met de Spaanse mustang, door de branding draven.

Jacqueline Goossens vanuit New York