Iemand die zijn eerste pak op zijn vijftiende liet maken, zestig paar schoenen bezit - de meeste maatwerk van gereputeerde Londense schoenenmakers - en zijn Deense manchetknopen uit de jaren zestig koestert alsof ze tot zijn kostbaarste bezittingen behoren, dat moet een fashionist zijn. En toch is Jeremy Hackett zowat alles behalve een modefanaat. De stichter en voorzitter van het Engelse kledingmerk Hackett is bezeten van kleding, maar nog veel meer van maatwerk en vakkennis, van traditie en geschiedenis. Sinds zijn label tot de Spaanse Torrealgroep behoort, de investeringsmaatschappij achter Pepe Jeans, wordt serieus werk gemaakt van de verovering van het Europese vasteland. Hackett biedt naast Britse klassiekers als tweedjasjes en ribfluwelen pakken ook polo's en vrijetijdskleding aan, tot de accessoires als bretellen en scheergerief toe. Daarnaast levert het ook maatwerk voor zijn clientèle. Zolang het maar herkenbaar Brits is. "We hebben dat genre toegankelijker gemaakt", zegt Jeremy. "Hackett vulde een gat in de markt, tussen het peperdure maatwerk en de goedkope mass market. En omdat we een solide Brits merk zijn, werkte het ook. Ondertussen worden we behandeld alsof we al honderd jaar bestaan, maar we blijven eerlijk. Merken die zich een valse geschiedenis aanmeten, daar ziet de consument zo door."
...

Iemand die zijn eerste pak op zijn vijftiende liet maken, zestig paar schoenen bezit - de meeste maatwerk van gereputeerde Londense schoenenmakers - en zijn Deense manchetknopen uit de jaren zestig koestert alsof ze tot zijn kostbaarste bezittingen behoren, dat moet een fashionist zijn. En toch is Jeremy Hackett zowat alles behalve een modefanaat. De stichter en voorzitter van het Engelse kledingmerk Hackett is bezeten van kleding, maar nog veel meer van maatwerk en vakkennis, van traditie en geschiedenis. Sinds zijn label tot de Spaanse Torrealgroep behoort, de investeringsmaatschappij achter Pepe Jeans, wordt serieus werk gemaakt van de verovering van het Europese vasteland. Hackett biedt naast Britse klassiekers als tweedjasjes en ribfluwelen pakken ook polo's en vrijetijdskleding aan, tot de accessoires als bretellen en scheergerief toe. Daarnaast levert het ook maatwerk voor zijn clientèle. Zolang het maar herkenbaar Brits is. "We hebben dat genre toegankelijker gemaakt", zegt Jeremy. "Hackett vulde een gat in de markt, tussen het peperdure maatwerk en de goedkope mass market. En omdat we een solide Brits merk zijn, werkte het ook. Ondertussen worden we behandeld alsof we al honderd jaar bestaan, maar we blijven eerlijk. Merken die zich een valse geschiedenis aanmeten, daar ziet de consument zo door." De (ingeweken) Londenaar uit Stockwell en trotse bezitter van de Sussex spaniëls Charley en Browney is een gerespecteerd man in Groot-Brittannië. Zijn columns rond mode en stijl in The Independent on Sunday en regelmatige verschijning in de Britse mannenbladen hebben van Mr. Classic een autoriteit gemaakt. Iemand die niet alleen de Britse elite kleedt, maar er ook mee aan tafel schuift. Bij onze ontmoeting in de Hackettwinkel in Sloane Street heeft de 53-jarige zakenman net een lunch met Prince Charles achter de kiezen. Een fait divers, suggereert Hackett : "Ik zit echt niet te glunderen op zulke momenten. Als kledingmaker ben ik gewoon iemand die een dienst, een service verschaft. Zulke gelegenheden horen daar nu eenmaal bij. Aan mijn winkelpersoneel geef ik ook altijd dat advies : het is goed als je de naam van een klant kent, en het is nog veel beter als hij ook jóuw naam kent." Hackett is zelf dan ook zijn carrière begonnen als winkelverkoper. Als tiener werkte hij al in een kledingzaak voor mannen in Bristol, waar zijn familie woonde. Een studentenbaantje dat al gauw vastere vorm aannam, zo vertelt Jeremy : "Ik was nogal lui op school. Alleen Engels en geschiedenis boeiden me. Toen ik op mijn zeventiende gevraagd werd andere oorden op te zoeken, ben ik meteen fulltime gaan werken. Zonder diploma." De jonge Hackett was echter niet van plan in het 'provinciale' Bristol te blijven en verhuisde op zijn negentiende naar Londen. Daar belandde hij bij de traditionele kledingmakers van Saville Row, midden de jaren zeventig nog hét centrum van de klassieke Britse mannenmode. Hackett werkte altijd vóór de schermen, nooit erachter, in de productieateliers. Een troef, meent hij zelf : "Bij die kledingmakers leerde ik het vak. Je leert alleen maar door ermee bezig te zijn, niet achter de schoolbanken. In de winkel hielp ik mensen hun pak samen te stellen, van de snit en de stof tot de voering, de revers en de afwerking van de knopen. Vaak liet ik gewoon mijn eigen smaak spreken, of had ik net een idee opgedaan op straat. Daardoor ben ik technisch nog steeds niet erg begaafd, maar ik kan mensen wel kléden. Want veel kledingmakers willen de zaken gewoon doen zoals het hoort, zoals zij het altijd geleerd hebben. Ze kijken niet altijd naar de persoonlijkheid van de man in kwestie. En het is niet omdat je een uitstekend vakmens bent, dat je ook een gevoel voor stijl hebt. Jeremy Jackett : Ik verzamelde Britse klassiekers op de markten van Portobello Road en Camden Town en liet ze reinigen en herstellen waar nodig. Eigenlijk had het weinig te maken met wat men nu vintage noemt. Het waren geen spullen uit een vroegere collectie van een of andere bekende naam, maar echt kostbare, zorgvuldig gekozen stukken die met de hand waren gemaakt. Stukken die kenners meteen appreciëren, en daarom waren we meteen ook zo geliefd door de elite. De upper class houdt van tweedehands, omdat ze de kwaliteit ervan waardeert. Nog steeds snuffel ik liever rond op tweedehandsmarkten dan dat ik mij bezighoud met trends. Zeker in de mannenmode komen alle richtingaanwijzers uiteindelijk uit Groot-Brittannië. Waar ook ter wereld. Met typisch Britse ontwerpen, stoffen en motieven kun je wereldwijd gaan. Italianen maken fantastische kleding, maar ze kijken altijd naar ons voor inspiratie, en ook de best geklede Ita- liaan wil Britse schoenen. Of het nu over een tweed jasje voor een weekendtrip naar het platteland gaat, een Aston Martin of een traditionele barbier, die iconen van Britishness zijn wereldwijd geliefd. Tot in Japan toe. Britse mode is stabiel. We zijn helemaal niet zo frivool aangelegd als andere modelanden. We hebben ook voor alle momenten specifieke kleding, van een weekendje op het platteland tot een huwelijk. Dat geeft onze kleding een enorme rijkdom. Waar elders in de wereld worden jasjes gemaakt die specifiek voor de ochtend dienen ? En die aanpak ligt goed bij mannen. Die kopen graag dingen die ergens op steunen, dingen met een achtergrond, met een doel. Brits zijn betekent leven met een heleboel tradities en regels. Dat begint al bij de school en de rigide regels en uniformen die daarbij horen. Maar ook in het dagelijkse leven zijn er veel voorschriften wat kleding betreft. Knalrode sokken onder een klassiek pak zijn dan een manier om aan die regels te ontsnappen, om ze te overtreden. Britse mannen geven altijd wel zo'n eigenzinnige draai aan hun outfit. Gelukkig maar, want anders was onze kleding gewoon saai. Hetzelfde fenomeen zie je trouwens bij militairen : als je ziet hoe ze zich echt kleden, zonder uniform, dan zijn ze best excentriek. Maar die excentriciteit is niet bestudeerd. Buitenlanders spreken me er vaak over aan, maar zelf staan Britten daar niet echt bij stil. It's just what we English do. Ach, uiteindelijk behoort iedereen wel tot een of andere tribe. Ook als je alleen meer avant-garde of ontwerperslabels koopt en de producten van de grote massa links laat liggen. Dat is dan evengoed een uniform. Het is moeilijk om echte individualisten te vinden. Iemand als David Hockney bijvoorbeeld, ook een van onze klanten. Die draagt altijd ongelijke sokken. Maar toen we dat idee probeerden te commercialiseren en zelf ongelijke sokken aanboden in de winkels, was het een ramp. Ze verkochten voor geen meter. Je kunt individualisme dus niet verpakken. Zoiets werkt alleen maar als het van mensen zélf komt, als het oprecht is. Dat is er juist de charme van, dat excentrieke mensen helemaal niet beseffen dat ze apart zijn. Gewilde excentriciteit, mensen die te hard proberen, dat zie je van mijlenver. Beschamend is het, eigenlijk. Ik heb toch altijd gezien wat ze aanhebben. Ik kan het niet helpen. Het eerste wat ik meestal zie, zijn hun schoenen. Soms zie je een man in een prachtig pak, en staan er afschuwelijke schoenen onder. Vreselijk vind ik dat. Net als pakken waarvan de mouwen of de broeken veel te lang zijn of vormloze colberts. Wat een zonde, denk ik dan. Al dat geld voor iets dat je uiteindelijk niet staat. Maar toch is dat niet de drijfveer van mijn columns. Ik wil niemand beledigen of met de vinger wijzen. Ik hou het liever lichthartig en constructief. Het zijn tenslotte maar kleren. Ik haat het om mensen te vertellen dat ze dit of dat moeten doen, zo zit ik niet in elkaar. En de tijd laat het ook gewoon niet toe : nieuwe moderegels zijn in een mum van tijd weer achterhaald. Ik vind het fantastisch dat ontwerpers zoiets als het vest heruitvinden. Volgens mij staan we pas aan het begin van die trend. Zeker als het echt gemeend is met de opwarming van de aarde, want dan hebben mannen plotseling heel wat minder redenen om een colbert aan te trekken. Een vest kan dan een prima alternatief zijn, een bewijs dat je toch moeite hebt gedaan om je goed te kleden. Maar de pakkencollecties van ketens als H&M ? Ik betwijfel of die oprecht zijn. Het blijft toch style over substance. Ketens bekijken zoiets ook niet op de lange termijn. Ze zullen niet verder bouwen op de geklede mannencollecties, die zijn gewoon mode. Schrik heb ik er in ieder geval niet van. Uiteindelijk zijn zij een doorslagje van ons, niet omgekeerd. Een label als Hackett bereikt trouwens meer mensen dan veel van die ketens : onze clientèle gaat van jonge twintigers tot zeventigers. Inderdaad, maar wel op een manier die bij het label past. Hackett moet niet alles voor iedereen proberen te zijn. Sommige modehuizen springen van het ene product op het andere, om telkens weer nieuwe zieltjes te winnen, en uiteindelijk houdt niets nog steek. Mensen die hun garderobe samenstellen op basis van merknamen en snel snel duizend pond uitgeven in Bond Street, daar heb ik weinig voeling mee. Dat is ook geen luxe voor mij. Maatwerk dat echt op het lijf gesneden wordt, dat is pas luxe. Daarom hou ik ook van Belgen als Dries Van Noten. Ik weet wel dat het mode is, maar wat zij doen is tenminste slim en geloofwaardig. Ze werken hard op subtiele details, net als kledingmakers. Die aanpak zit in de lift, want consumenten zijn niet dom. Voor veel kledingmakers is de huur op Saville Row te hoog geworden, maar ze houden er niet mee op. Ze verhuizen gewoon. Ik heb zelf geen landhuis of Aston Martin. Ik ben wel opgegroeid in een van de betere buurten van Bristol, in het oude Georgian gedeelte. Heel wat van mijn jeugdvrienden waren dan ook van goede komaf. Toch kom ik zelf eerder uit de middenklasse - mijn vader deed in interieurtextiel en mijn moeder was huisvrouw. En als je zelf niet opgegroeid bent in de elite, zie je dat milieu van op een zekere afstand. Ik hou van Ascot en de vossenjacht, maar ik haal er gewoon uit wat ik leuk vind. Zoals die hele parafernalia rond polo en paardrijden, al die prachtige kleding en handgemaakte voorwerpen die erbij komen kijken. Maar ik hoor er niet bij. Eigenlijk ben ik een outsider die binnengluurt. Zo hoort het ook. Als ik er te dicht bij zou staan, zou ik het milieu wellicht minder appreciëren en niet meer kunnen gebruiken als inspiratiebron. Ik zou er niet de symboliek van inzien en de iconen oppikken zoals ik nu doe. Info : 02 411 14 14, www.hackett.co.ukDoor Wim Denolf