Als kind had ik het al : de behoefte om mij af te zonderen. Ik ging op mijn rug liggen in het gras en tuurde dan naar de lucht die eindeloos strak stond op zo'n augustusdag. Het leek of ik kromp tot een stip, of ik opging in het trillende blauw.
...

Als kind had ik het al : de behoefte om mij af te zonderen. Ik ging op mijn rug liggen in het gras en tuurde dan naar de lucht die eindeloos strak stond op zo'n augustusdag. Het leek of ik kromp tot een stip, of ik opging in het trillende blauw. Precies dat gevoel overviel mij toen ik enkele weken geleden helemaal alleen op het voordek van een cruiseschip in de Indische Oceaan zat. Rimpelend water zonder grenzen. Ik voelde de hartenklop van de scheepsmotoren, die de stilte in mij niet verstoorde. Los van alles en iedereen. Onderweg van ergens naar nergens. Zanzibar, Nosy Komba, Mayotte, Mahé, Praslin, La Digue. Een snoer nietige kruimels in de onmetelijkheid van de oceaan. En ik, weer dat stipje in de tijd, in de ruimte. Een klein kind overstraald door het onverstoorbare van de blauwe planeet. Een meditatieve ervaring die mij herinnerde aan even onbeweeglijke ogenblikken in de woestijn van Jemen of in onmetelijke sneeuwvlakten in Lapland. Geluk is zo'n volmaakt moment en niets anders, denk ik. Het afgesneden-zijn van het geraas van de wereld. Is het dat wat zeelui zoeken ? Of mensen die zich terugtrekken achter kloostermuren ? Mensen die op kleine eilanden wonen, kennen ook dat onverstoorbare trage leven, dat zich niet laat dwingen door invasies van buitenaf. Ze weren zich stug tegen opjutterij. Jonge mensen trekken daar vaak weg, omdat ze het gevoel hebben veel te missen. Maar ik ken er ook die teruggingen omdat ze het op hun dertigste bekeken hadden. Omdat alles wat op hen afkwam op het vasteland, hen niet gelukkiger maakte, hen alleen maar in beslag nam, aan hun evenwicht vrat. Ze bezitten nu minder, maar ze zijn zoveel meer en ze leven zoveel weidser. Op de een of andere manier word ik steeds weer aangetrokken tot dat soort plekken, ervaringen, mensen. Eilanden en hun bewoners, woestijnen, zeeschepen dragen iets in zich van dat tegelijk eindeloze en nietige, dat volmaakte rust geeft. Het is na zo'n ervaring voor mij altijd weer ruw landen in de werkelijkheid. Elke vezel van mijn lichaam verzet zich dagenlang tegen de invasie van het lawaai, tegen het agressieve van de snelheid in het ?normale? leven. De kakofonie van de informatie, de arrogantie waarmee de ware wereld zich aan mij opdringt, wakkert de vluchtneiging in mij van jaar tot jaar nog aan. Maar ik kan niet meer als een klein meisje als het mij belieft op mijn rug in het gras gaan liggen en de wereld rondom mij proberen te vergeten. Het heimwee naar dat unieke gevoel blijft. En de afschuw voor massale bijeenkomsten als popconcerten, betogingen, de hekel aan overvolle Noordzeestranden en zeedijken groeit met de jaren. Het constante verlangen naar de weidse luchten en de stilte uit mijn kleine-meisjeszomers zullen mij ooit nog op een eiland doen belanden, denk ik. Een klein koel huis met zicht op zee en met hoogstens het snerpende gesjirp van een bende krekels, muziek onder de knop en een flinke muur boeken, dat benadert nog het dichtst het eilandgevoel. Soms is het binnen handbereik, in de woestijn, op een oceaan of in een koele sneeuwvlakte. In een overbevolkt land als België is het een onbetaalbare luxe. Tessa Vermeiren