Twintig jaar was ik, toen ik Jan ontmoette op Kreta, in een kustdorpje waar mijn familie al generaties haar wortels heeft. Hij bracht er de vakantie door met zijn ouders en was in mijn ogen een man van de wereld. Zijn welbespraaktheid, zijn kennis over kunst en architectuur en het feit dat hij vijf jaar ouder was dan ik, deden me naar hem opkijken. Al snel wisten we van elkaar dat dit meer dan een vluchtige vakantieliefde was. Na een jaar intens briefverkeer, vroeg hij me ten huwelijk. Met tegenstrijdige gevoelens nam ik afscheid van mijn geliefde eiland en mijn familie, maar mijn plaats was bij hem. België werd mijn nieuwe thuis.
...

Twintig jaar was ik, toen ik Jan ontmoette op Kreta, in een kustdorpje waar mijn familie al generaties haar wortels heeft. Hij bracht er de vakantie door met zijn ouders en was in mijn ogen een man van de wereld. Zijn welbespraaktheid, zijn kennis over kunst en architectuur en het feit dat hij vijf jaar ouder was dan ik, deden me naar hem opkijken. Al snel wisten we van elkaar dat dit meer dan een vluchtige vakantieliefde was. Na een jaar intens briefverkeer, vroeg hij me ten huwelijk. Met tegenstrijdige gevoelens nam ik afscheid van mijn geliefde eiland en mijn familie, maar mijn plaats was bij hem. België werd mijn nieuwe thuis. Tot ik drie jaar geleden het huis van mijn ouders erfde. Jan wou onmiddellijk verhuizen, maar ik stelde mijn veto. Omdat ik eerst nog wou werken en sparen, zodat we zonder geldproblemen konden genieten van de tijd die ons nog restte. We besloten het huis te renoveren en in de tussentijd te verhuren aan toeristen. Jan vertrok voor een maand naar Kreta om de verbouwing op te volgen. Tijdens zijn verblijf heeft hij haar ontmoet. Een vijftigjarige weduwe uit Brussel die er met haar kinderen op vakantie was. Ik wist van niets, maar na zijn terugkeer begon Jan elke futiliteit aan te wenden om conflicten uit te lokken. Ik kon zijn gedrag niet plaatsen. Nu begrijp ik dat het een bewuste verrottingsstrategie was. Pas na lang aandringen heeft hij alles opgebiecht. Sinds Jan me verteld heeft dat er een nieuwe liefde in zijn leven was en in één adem de scheiding vroeg, ben ik nog maar een schim van de sterke vrouw die ik altijd ben geweest. De weken na zijn aankondiging waren hels. Ik kreeg geen hap meer door mijn keel. En 's nachts ijsbeerde ik door het huis tot de zon opkwam. Ik verloor twintig kilo. Tot ik op een dag flauwviel en in het ziekenhuis belandde. Uit het onderzoek bleek dat ik volledig uitgeput was. Ik werd aan een infuus gelegd en onder psychiatrische begeleiding geplaatst. Ik was kapot, zowel fysiek als mentaal. Toen we elkaar in de rechtbank zagen, weigerde hij één woord te wisselen. Na zesendertig jaar huwelijk. Zijn bedrog had ik nog een plaats kunnen geven, maar het feit dat hij zelfs niet de beleefdheid kon opbrengen om me de hand te schudden, dat heeft me werkelijk met de grond gelijk gemaakt. En plots hing hij enkele dagen geleden weer aan de lijn. Alsof de afgelopen, uitputtende maanden van hartzeer en zwartmakerij er nooit waren geweest. Dat we samen grootouders zouden worden, zei hij. Ik was het tuinhek een tweede verfbeurt aan het geven en helemaal niet voorbereid op zijn telefoontje. Ik weet nog steeds niet waar ik de kracht heb gehaald, maar met onbewogen stem slaagde ik erin een laconiek antwoord te formuleren. "Neen, Jan, ik word grootmoeder. En jij wordt grootvader. Dat is een wereld van verschil." Mijn dochter en schoonzoon hadden me drie dagen voordien het heugelijke nieuws gebracht. Hun geluk was nog heel pril, ze was pas zeven weken zwanger, maar ze wilden het toch al met me delen, in de hoop dat de komst van mijn eerste kleinkind me weer zin zou geven om te leven. 'Of we niet opnieuw de draad konden opnemen', vroeg hij. Gelukkig had mijn schoonzus, de enige van zijn familie die me niet heeft laten vallen als een baksteen, me de avond voordien op de hoogte gebracht dat Jan door zijn nieuwe liefde aan de deur was gezet. Een dag nadat hij zijn werk was verloren. Het was duidelijk dat hij alleen wou terugkomen omdat ik weer voor hem zou zorgen zoals ik in het verleden altijd heb gedaan. Toen de houthandel van zijn familie vijftien jaar geleden failliet ging, belandde Jan in een depressie. Hij was als kind opgegroeid in luxe. Dat kleine verwende jongetje is hij altijd gebleven. Toen plots de geldkraan werd dichtgedraaid, was ik degene die werk ging zoeken. Op vijftig jaar was dat niet evident. En dus werd ik huishoudster bij een familie met vier kinderen. Ik wist heel goed wat er van me verwacht werd, want toen de kinderen nog klein waren, woonde er ook een huishoudster bij ons in. Nu waren de rollen omgekeerd. Gelukkig heb ik me nooit iets van sociale status aangetrokken. Vrienden van vroeger bekeken me meewarig, maar zolang mijn lichaam het toeliet om te werken, was ik al lang blij. Onafhankelijkheid is altijd mijn hoogste goed geweest. En dat ben ik nu kwijt. Onlangs is het vonnis gevallen : ik lijd aan artritis psoriasis. Enkele jaren geleden was ik hierop al getest maar de waarden waren zo miniem dat de artsen me het voordeel van de twijfel gaven. Door de stress van de afgelopen maanden heeft de ziekte toegeslagen. Het gevolg is dat ik arbeidsongeschikt ben verklaard en vervroegd op pen- sioen moet. En toch heb ik hem nog een tweede kans willen geven. Dat heb ik hem ook gezegd tijdens ons laatste telefoontje. "Herinner je je nieuwjaarsdag ? Onze kinderen waren bij mij en ik zei ze dat ze jou mochten uitnodigen. Dat ik bereid was om alles uit te praten. Maar jij weigerde. Nu is het te laat." Met die woorden heb ik het gesprek beëindigd. Het was niet gemakkelijk want eigenlijk wil ik hem nog altijd terug omdat ik nog steeds van hem hou. Ondanks alles. Maar het vertrouwen is onherroepelijk geschonden. En mijn laatste greintje trots zegt dat ik verder moet met mijn leven. Nu ons huis is verkocht, heb ik besloten om terug te keren naar Kreta. Naar mijn ouderlijke woning. Naar het land waar we dachten samen oud te worden. Ik probeer niet verbitterd te zijn omdat negatieve gevoelens mijn herstel in de weg staan, maar voorlopig gaat er geen dag voorbij zonder tranen. En toch geef ik de moed niet op. Al is het maar voor mijn ongeboren kleinkind naar wiens komst ik reikhalzend uitkijk. DOOR MARIE DE DECKER"Toen plots de geldkraan werd dichtgedraaid, was ik degene die werk ging zoeken. Op vijftig jaar was dat niet evident"