Ik was een jaar of vijftien toen ik naar m'n eerste fuif mocht, samen met mijn beste vriendin. Stipt om middernacht werden we weer opgehaald, dus stonden we om negen uur al voor de deur van het tot feestzaal ingerichte chirolokaal. Pintjes drinken of met jongens flirt...

Ik was een jaar of vijftien toen ik naar m'n eerste fuif mocht, samen met mijn beste vriendin. Stipt om middernacht werden we weer opgehaald, dus stonden we om negen uur al voor de deur van het tot feestzaal ingerichte chirolokaal. Pintjes drinken of met jongens flirten interesseerde ons toen niet. Het enige wat we wilden, was dansen. Ongegeneerd en ongeremd. Als twee bakvissen, alleen op de dansvloer. Dat het ons geen ticket tot het koninkrijk van de cool kids zou opleveren, interesseerde ons evenmin. Ik dans doodgraag, nog steeds, maar ingestudeerde dansjes zijn niets voor mij. Verder dan de macarena ben ik nooit geraakt. Het is ook net het niet moeten nadenken tijdens het dansen dat mij zo bevalt. Mijn lijf heeft het dan voor het zeggen, niet mijn hoofd. Ik kan me er helemaal in verliezen. Je kunt dan ook moeilijk een beetje dansen, zoals neuroloog Rik Vandenberghe (p. 14) verder in dit nummer zegt. Met het ouder worden ben ik dat ongegeneerde kwijtgeraakt. Om als eerste de dansvloer op te stappen, zijn nu wel enkele pintjes nodig. Na anderhalf jaar zonder feestjes bemerk ik zelfs enige dansvloervrees. Zal mijn lijf nog weten hoe het moet? Gelukkig weet mijn hoofd: bij dansen moet niets. "Het doel is het plezier van het dansen zelf", zegt Vandenberghe. "Het is op zich zinloos, maar net dat maakt het zo belangrijk."