LINDA ASSELBERGS

Linda Asselbergs/Koen Fillet
...

Linda Asselbergs/Koen FilletNoem het beroepsmisvorming, Koen, maar als studieobject is de medemens voor mij een onuitputtelijke bron van verwondering. Niet dat ik overmatig nieuwsgierig ben naar het doen en laten van pakweg de buren. Zo woont er eentje bij mij op de hoek. Een nurkse gepensioneerde die de klok rond op de loer ligt voor het geval iemand het zou wagen een fiets tegen zijn gevel te plaatsen, een vuilniszak te vroeg buiten te zetten of een ander laakbaar feit te plegen. Zodra je je neus buitensteekt, onveranderlijk zie je de gordijnen bewegen. En ook al doe ik iets volkomen onschadelijks, als naar de brievenbus of de glascontainer lopen, altijd voel ik zijn beschuldigende blik in mijn rug. Nee, dan heb ik het beter voor met de mensheid. Als ik kijk, dan is het uit welgemeende interesse. En ah, wat een boeiende wereld ontvouwt zich voor wie zijn ogen niet in zijn zak heeft. Zoals dat piepjonge koppel hand in hand in het stadspark vorige zaterdag : zij een ranke blondine, puur centerfoldmateriaal in huidenge jeans, hij een joodse jongen met bril en keppeltje. Minder formeel gekleed dan zijn leeftijdgenoten in donker pak en hoed, maar onmiskenbaar orthodox. Zo intrigerend was de combinatie dat ik keek en bleef kijken, het scheelde geen haar of ik donderde van mijn fiets. Op welke planeet hadden die onwaarschijnlijke geliefden elkaar ontmoet ? Maakte hun liefde een kans buiten het niemandsland van het park ? Meewarigheid sloot naadloos aan op vertedering : de trubbels die hen waarschijnlijk nog te wachten stonden, al die messentrekkende Capulets en Monta-gues die getrotseerd moesten worden. Hoeft het gezegd dat mijn verbeelding soms overuren maakt ? Ik moet daarmee oppassen, Koen. Vooral ook omdat ik de neiging heb om te staren. Mensen denken dat ik iets van ze wil, terwijl ik geïntrigeerd ben, zonder meer. De Jambersreflex : wie zijn zij, wat drijft hen ? Zoals vorige week nog op een zomers terrasje. Een Daniel Craig-type, heel on-Vlaams, met van die huskyogen. Wat doet een would-be gedragspsycholoog dan ? Haar fantasie de vrije loop laten. Iets te opvallend blijkbaar. "Of de juffrouw iets wil drinken van meneer ?" Neenee, de juffrouw moet dringend een column schrijven. Het waren gekleurde contactlenzen, Koen, zeker weten. Het is zesendertig graden, Linda. Ik besta niet meer. Mijn persoonlijke smeltpunt ligt ergens rond de vijfentwintig, als het warmer wordt, ben ik tot niets meer in staat. Zelfs ademen vraagt dan meer concentratie en doorzettingsvermogen dan ik ter beschikking heb. In deze klimatologische omstandigheden is het een bovenmenselijke inspanning om jouw stukje te lezen, er op antwoorden is schier onmogelijk. Vergeef me. Ik bevind me in de tuin. De verplaatsing naar een terras in de stad zou ik niet overleefd hebben. Van het huis naar de tuinstoel, in de lommerte onder de moerbeiboom, in vogelvlucht tien meter door de blakke zon, dat gaat nog net. Maar ik was er toch niet gerust op. Ik zag de koperen ploert hoog aan de hemel staan en ik wist dat die twaalf stappen lang zou inbeuken op mijn schedel, ongenadig. Ik ben er geraakt, maar ik zie gekleurde bollen voor mijn ogen en hoofdpijn dreigt. Zomer. Fijn. Ik lig en ik staar : rechtuitkijken, zonder het hoofd te draaien. Elke niet noodzakelijke beweging moet worden uitgesteld tot de koelte van de avond. Nog een uur of vier. Ik doe niks en toch kriebelt er een straaltje zweet in mijn hals. De kruin van de moerbeiboom is een ideale parasol. Ken je moerbeien, Linda ? Ze zien eruit als bramen. Als je niet goed kijkt, denk je dat de natuur zich vergist heeft. Tiens, een boom vol braambessen. De moerbei is met voorsprong de lekkerste vrucht die de schepping heeft voortgebracht. Aardbei maal framboos in het kwadraat. Maar voor wie die sensatie wil proeven en begint te plukken, heeft de schepper een pesterij in petto : vlekken. De moerbei spat uit elkaar bij de minste druk, de vingers van de moerbeiplukker zien meteen paars. Vervolgens zijn mond en lippen, en ten slotte zijn kleren. Dieppaarse vlekken van de niet meer weg te krijgen soort. Ik ben in slaap gesukkeld, onder mijn moerbeiboom. Ik droomde over mist en motregen, over duistere bossen en grotten met klamme, bemoste wanden. Over sneeuw en ijs droomde ik, in mijn slaap rekende ik uit dat het nog vijf maanden duurt en dan is het Kerstmis. En toen ik wakker werd, ontdekte ik dat merels ook graag moerbeien lusten. En dat ze er paars van schijten.