Twee weken al in België. "Kom even bij me zitten", zegt mijn liefste terwijl hij me bij zich op de sofa trekt. Er is een concert van Bruce Springsteen op televisie. The Boss zingt op een onpretentieuze, hartbrekende manier zoals alleen hij dat kan. Amerika op zijn best. Een close-up toont zijn hand die de zwarte knuist grijpt van Clarence, de saxofonist die al met hem speelde toen we hen in 1981 live zagen in Atlanta. " New York City!" brult Bruce, want daar vindt het concert plaats. Het publiek loeit instemmend. Plots jank ik bijna van heimwee. Het is tien uur 's avonds als Bruce en zijn E Street Band afscheid nemen. Zeer tegen onze zin en ook tegen de hunne, zo lijkt het toch.
...

Twee weken al in België. "Kom even bij me zitten", zegt mijn liefste terwijl hij me bij zich op de sofa trekt. Er is een concert van Bruce Springsteen op televisie. The Boss zingt op een onpretentieuze, hartbrekende manier zoals alleen hij dat kan. Amerika op zijn best. Een close-up toont zijn hand die de zwarte knuist grijpt van Clarence, de saxofonist die al met hem speelde toen we hen in 1981 live zagen in Atlanta. " New York City!" brult Bruce, want daar vindt het concert plaats. Het publiek loeit instemmend. Plots jank ik bijna van heimwee. Het is tien uur 's avonds als Bruce en zijn E Street Band afscheid nemen. Zeer tegen onze zin en ook tegen de hunne, zo lijkt het toch. Vijf minuten later fiets ik over de dijk van het Knokse Albertstrand. Al twee weken kom ik hier bijna dagelijks rond dit uur. Het licht is telkens anders. Ik rijd richting Zeebrugge. Boven de donkergrijze zee, achter de lichten van de haven en de druk draaiende windmolens van Zeebrugge hangt een paarsroze wolkenstreep. Net daarboven is de lucht lumineus blauw, donkerder hoe hoger ik kijk en bijna zwart achter de gebouwen links van mij. Ik zie een ster verschijnen en dan nog een en nog een. Het wordt zienderogen nacht. In New York is het nu vier uur 's namiddags. Een bazige noorderwind duwt me in de rug. Ik hoef bijna niet te trappen. Aan de rood-witgestreepte vuurtoren waar de dijk van Knokke-Heist eindigt, maak ik rechtsomkeer. Ik ben drie mensen en drie honden tegengekomen. Het is het midden van de week en koud. De rust is heerlijk. Ik mis mijn stad al niet meer. De meeste architectuur die ik passeer, kan ik anders aan mijn New Yorkse vrienden niet aanbevelen. Slechts een handvol lage gebouwen fluisteren nog iets over vroeger. In een ervan, een leegstaand avontuurlijk uitziend huis met een Moors aandoend terras, zijn verschillende ramen kapot. Ik rijd voorbij flatgebouwen zonder enig sex-appeal met namen zoals Miami Beach, R.J. Kennedy en Westpoint. Men laat me hier Amerika niet vergeten. Een grapjas heeft zelfs boven de deur van een wit strandhokje in zwarte letters White House geschilderd. Een man en een vrouw zitten verliefd naar elkaar te kijken over een laat etentje in het overigens lege, fel verlichte Hotel Bristol. Het lijkt een schilderij van Hopper. In verschillende appartementen herken ik oudere dames die net als de vorige avonden in hun blauwe of roze kamerjas zitten te lezen of tv te kijken. In een andere flat kaarten ook nu weer twee vrouwen en twee mannen rond een tafel waarop twee kaarsen branden. Op een gelijkvloerse verdieping zitten een man en een vrouw als ijverige monniken naast elkaar over hun tekentafels gebogen. Op een andere benedenverdieping zit een man achter een computer met naast hem een glas rode wijn. De New Yorker in mij verbaast er zich over hoe relaxed de dijkbewoners hun avondactiviteiten etaleren. Aan het begin van de Meerlaan, waar ik afsla, is er een vrouw in een met blauw zwembadmozaïek bezet gebouw, wier nonchalance me al dagen zorgen baart. Een van de drie klapramen in haar gelijkvloers appartement staat altijd open. Ik kan er zo binnenglippen. Vanavond brandt er zelfs geen licht en toch staat het raam nog op een uitnodigende kier. Voor ik binnenga in het witte huis dat we voor deze maand gehuurd hebben, wandel ik nog even tot aan de vijver waar onze voortuin op uitkijkt. De stilte, zelfs overdag, verbaast me hier telkens weer. Er ritselt iets in het riet. Een vogel roept heel even. Er wonen veel honden in deze buurt maar ze zijn allemaal stil. Zelfs overdag houden ze zich koest. Ik denk aan mijn eigen straat in New York, waar rond dit uur soms zes honden tegelijk zich de ziel uit het ongelukkige lijf blaffen. Sommige mogen nooit binnenshuis, zelfs niet in hartje winter. Waarmee ik niet wil zeggen dat mijn Knokse buren ideale hondebazen zijn. Verre van. Drie dagen was ik hier nog maar of ik maakte op een wandeling met mijn hond al ruzie met een andere hondeneigenares. "En gaat u niet opruimen achter uw hond, mevrouw?" vroeg ik strijdlustig (zoals ik dat in New York zou doen) toen een van haar drie witte mormels opgelucht wegwandelde van zijn dampend mesthoopje. "Dat zijn toch uw zaken niet", antwoordde de deftige blonde met een traag Mathildeaans accent. Aha, madame parle le français! Ik zette de conversatie meteen verder in haar moedertaal. Geen betere manier om verroest Frans te smeren dan een passionele discussie over merde, al verkoos mijn tegenstandster de betwiste materie crotte te noemen. Enfin, de stadsguerrillera in mij won het pleit. Mijn buurmadame toverde ineens een bruin plastic zakje uit haar rood jasje te voorschijn en verwijderde het zaakje onder hevig gemor. Rond het Zegemeer, waar ik op uitkijk terwijl ik dit schrijf, stel ik vast dat ongeveer de helft van de onaflatende stoet van hondenwandelaars crotte-rapers zijn. Op de idyllische wandel- en fietspaden die kronkelen tussen de villa's in het Zoute ligt het percentage zeker lager. Forse crotte-boetes uitdelen zoals in New York lijkt me zeer gewenst in uw overigens absoluut niet misse stad, graaf Lippens. Ik hou me aanbevolen voor deze edele taak. Jacqueline Goossens (even niet) vanuit New York