Ze kunnen het dan misschien niet deftig uitspreken, van de States tot Japan weet iedereen die iets of wat in de modewereld thuis is wie Dries Van Noten is. Of Walter Van Beirendonck, Veronique Branquinho, Martin Margiela, Ann Demeulemeester... Vandaag zijn Belgische ontwerpers tot ver buiten onze landgrenzen bekend. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ruim vijfentwintig jaar geleden kon niemand zich iets voorstellen bij de term 'Belgische mode', en het had heel wat voeten in de aarde om daar verandering in te brengen.
...

Ze kunnen het dan misschien niet deftig uitspreken, van de States tot Japan weet iedereen die iets of wat in de modewereld thuis is wie Dries Van Noten is. Of Walter Van Beirendonck, Veronique Branquinho, Martin Margiela, Ann Demeulemeester... Vandaag zijn Belgische ontwerpers tot ver buiten onze landgrenzen bekend. Maar dat is niet altijd zo geweest. Ruim vijfentwintig jaar geleden kon niemand zich iets voorstellen bij de term 'Belgische mode', en het had heel wat voeten in de aarde om daar verandering in te brengen. Met de economische crisis begin de jaren tachtig geraakte ook de nationale textielsector ernstig in de problemen. Dat toenmalige minister van Economische Zaken Willy Claes de redder in nood bleek, kan dan misschien verbazen, het was zijn ambitieus Textielplan (1981) dat de nodige impulsen gaf om de modesector uit het slop te halen. Het vijfjarenplan moest met immense financiële en technologische injecties de werkgelegenheid in deze sector garanderen en noodlijdende bedrijven uit het slop halen. "Imago en creativiteit stimuleren", dat was de leuze. Het Instituut voor Textiel en Confectie van België (ITCB), in het leven geroepen om het plan uit te werken, bracht in 1983, twee jaar na zijn oprichting, een magazine op de markt met als titel Mode dit is Belgisch. De opzet was duidelijk : ontwerpers en confectiemerken uit eigen land een forum bieden. Het ITCB moest erop toezien dat beide sectoren evenveel aan bod kwamen, wat niet altijd evident bleek. Na meningstwisten kregen de jonge Antwerpse ontwerpers in 1988 uiteindelijk een eigen blad : BAM (Belgische Avant-garde Mode). "De interne discussies hadden alles te maken met de strategie van het ITCB om op de eerste plaats de creativiteit van de designers te ondersteunen", vertelt Michèle Beeckman, toen hoofdredactrice van BAM. "De commerciële merken zouden na een tijd in de successtroom van de Antwerpse ontwerpers meegesleurd worden, redeneerden ze. Ze kregen natuurlijk gelijk. Maar in die tijd konden de confectiemerken het moeilijk verkroppen dat de meeste aandacht naar de Antwerpse Zes ging, en de Zes vonden het op hun beurt maar niets dat hun avant-gardistische creaties zomaar tussen de prêt-à-porter werden afgebeeld. Een eerkwestie dus." MDIB werd uiteindelijk een forum voor de commerciële merken, de ontwerpers vonden in BAM een klankbord voor hun creatieve uitspattingen. De bladen lagen wel als een samengesteld pakketje in de winkels. Naast de lancering van de twee modebladen kwam er vanuit het ITCB nog een hoop andere initiatieven om de Belgische modesector te stimuleren. De vrouw die dat allemaal coördineerde was Helena Ravijst, "de muze van de Belgische mode" zoals ze in de pers vaak genoemd wordt. Zij was het die de slogan "dit is Belgisch" lanceerde. Samen met haar rechterhand Michèle Beeckman bedacht ze bijvoorbeeld de Gouden Spoelwedstrijden, de Oscars van de Belgische mode, zeg maar. De eerste editie vond plaats in 1982 in Gent en had toen nog onbekende deelnemers als Margiela, Van Noten en Van Beirendonck. Het was uiteindelijk Ann Demeulemeester die met de eer ging lopen en op die manier haar carrière verzekerde. Een jaar later had de wedstrijd zoveel faam verworven, dat Jean Paul Gaultier toezegde om de jury voor te zitten. Hij bood Margiela prompt een contract in Parijs aan, volledig weggeblazen door diens talent, en haalde zo een van onze grootste designers voorgoed uit België weg. Bladen als MDIB en BAM brachten al deze ontwikkelingen in de modesector in de publieke belangstelling. Anne Kurris, toen grafisch directeur van BAM, verduidelijkt de opzet en de impact van het blad. "Een doorbraak was BAM niet echt voor de Antwerpse ontwerpers, die stonden al relatief sterk op nationaal en internationaal niveau. De echte doorbraak kwam er eigenlijk met de Gouden Spoelwedstrijden. Het belangrijkste was dat we in BAM konden doen wat we wilden. En dat was op dat moment vrij extreem en vooruitstrevend. Onze grote voorbeelden waren Vogue en i-D, maar de omvang van dergelijke bladen konden we onmogelijk evenaren. Bij ons ging het er allemaal nogal kleinschalig aan toe. Ik had toen zelf nog geen computer, alles werd naar zetters gestuurd. Maar we vertrokken wel vanuit hetzelfde concept. En vanuit het buitenland kregen we redelijk wat aandacht. Die zetten grote ogen op voor wat er in België op modevlak gebeurde. En omdat het blad samen met MDIB verkocht werd, haalden we telkens een oplage van 120 à 150.000."Eigenlijk was BAM het blad van de Antwerpse Zes (Dirk Bikkembergs, Ann Demeulemeester, Walter Van Beirendonck, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee), toen allemaal net afgestudeerd. Het was ook Van Beirendonck die aan de kar trok om hen van MDIB af te scheiden. Maar de beginjaren van de Belgische mode waren meer dan de Antwerpse Zes, dus besteedde het blad ook de nodige aandacht aan andere jonge ontwerpers. Sandrina D'Haeyere, Annemie Verbeke of Elvis Pompilio bijvoorbeeld. Ook de stilaan groeiende belangstelling voor mode aan de Brusselse modeschool La Cambre kwam via BAM in de publieke aandacht. Hoe ambitieus BAM bij de oprichting ook was, het blad was een kort leven beschoren. Na amper twee jaar werd het magazine opgedoekt. "Gebrek aan financiële middelen", verduidelijkt Beeckman. "We hebben nog geprobeerd een uitgever te vinden die het blad wou overnemen, maar dat is ons niet gelukt." Ook het ITCB overleefde het begin van de jaren negentig niet, dus moest ook voor het blad Mode dit is Belgisch een oplossing gezocht worden. Uiteindelijk werd de titel in licentie genomen door Roularta. BAM stierf dus een stille dood, wat niet betekent dat de Belgische avant-gardemode sindsdien geen impulsen meer kreeg. Zo zijn er het Flanders Fashion Institute (FFI) in Antwerpen (waarvan de werking bij het ter perse gaan zwaar ter discussie stond en dat zelfs met verdwijnen bedreigd is) en Modo Bruxellae in Brussel, die het modenieuws in Vlaanderen en de hoofdstad opvolgen. Bovendien geven wedstrijden als Fashion Weekend en de Prix Modo Bruxellae jonge ontwerpers een duwtje in de rug. Kortom, de tijden zijn veranderd en de term Belgische mode betekent vandaag veel meer dan twintig jaar geleden. Is een blad als BAM dan eigenlijk nog nodig ? Anne Kurris : "De basis is zeker gelegd, België kent een vrij sterke concentratie van modetalent. Maar een sterk modeblad zouden we wel opnieuw kunnen gebruiken. Enkel landen met dergelijke vooruitstrevende bladen vervullen een belangrijke rol in de internationale modewereld. BAM werd eigenlijk vooral in eigen land verkocht. Misschien is hier gewoon geen cultuur voor een Vogue of een i-D." Ook Michèle Beeckman ziet een leegte na BAM. Maar met dit dossier doen we alvast een bescheiden poging om BAM opnieuw leven in te blazen. Onze selectie talentvolle jonge ontwerpers op de volgende pagina's is hierbij een eerste ademstoot. Marjolijn Vanslembrouck